Een blad in de wind

Herfstblad

Roerloos ligt ze in bed, uit te rusten van haar laatste verschoning. Ze voelt zich soezerig en haar ogen glijden langzaam dicht. Zonde van het moment, denkt ze, slaat haar ogen open, en ziet hoe de zon verstoppertje speelt met de wolken. De herfst is haar favoriete seizoen: de tintelende buitenlucht, de bottels, bessen, en verkleurende bladeren… Alles steekt fel af tegen haar kleurloze lichaam.

Deze herfst wordt haar laatste. Ze heeft zich voorgenomen niet weemoedig te worden, maar soms neemt de weemoed bezit van haar. Als ze aan de dood denkt, ziet ze er steeds meer tegenop. Ze wil zolang mogelijk blijven hangen, net als de bladeren van de kastanjeboom.

Eén tak schampt tijdens windvlagen tegen het raam, alsof ie haar uitdaagt hem te pakken. Gisteravond zei ze in een opwelling tegen haar dochter: “Ik ga pas dood als álle blaadjes van de boom gewaaid zijn.” Het had strijdlustig geklonken.

“Kom maar bij ons, mam,” had haar dochter na het laatste oordeel van de oncoloog gezegd.
Zou haar dochter er spijt van hebben? Ze durft het niet te vragen, ze is bang voor het antwoord. Haar komst heeft het jonge gezin ontwricht. Elke dag is de ren-je-rot-show van Martin Brozius maar dan zonder prijzen. Ze begrijpt de spijt wel, en wil haar dochter zo min mogelijk tot last zijn.

Weken en dagen glijden voorbij. Ze slaapt steeds meer, en haar enige anker is de kastanjeboom. Drie blaadjes hangen nog aan de tak, en waaien met alle winden mee. Misschien moet zij daar maar een voorbeeld aan nemen. Ineens voelt ze meer voordelen dan nadelen van haar vertrek, en komt er een gevoel van berusting over haar. Zachtjes sluit ze haar ogen.

Twee dagen later knipt haar dochter de draadjes los waarmee ze de blaadjes had vastgezet aan de boom. 

Over de rooie

verwend nest

Het gebeurt in de vakantie.

De deur van het winkeltje gaat open en er stapt een mevrouw binnen.
Net op dat moment vis ik een jurkje uit een rek met kleding, en onderga een aanval van koopzucht. Het jurkje is zó hemelsblauw, het hier al die tijd op mij liggen wachten. Wat een juweeltje, en voor zó weinig!

Er ontstaat een gesprek in mijn hoofd.
Wat moet ik nou met een júrk? Die draag ik nooit, want een jurk tocht. En de laatste keer dat ik een jurk droeg, was dat niet meer dan twintig jaar geleden?
Maar dit is niet echt een jurk. Ik kan er toch zo’n geval onder dragen, een legging?
Zo’n broek die ze in de winkel een 7/8 model noemen, maar bij mij altijd net over de knie valt, omdat mijn benen zo’n eind doorlopen naar boven?
Ja maar, wat zal Lief dit leuk vinden!
Volgens mij schrikt-ie zich eerder te pletter.
Nou en? Ik wil ‘m, ik wil ‘m, ik wil ‘m! Punt.
Hopelijk is de maat goed, want hij hing eenzaam en verlaten tussen de rest van de jurkjes.

Een mevrouw met wel vier, vijf, zes jurkjes over haar arm, loopt naar me toe en zegt: ‘Pardon, waar heeft u dat jurkje vandaan?’
Althans ik vermoed dat ze dat vraagt, want zij spreekt Frans en ik minimaal.
‘Plus,’ zeg ik, met een handgebaar van: jammer, maar helaas, dit is de enige.
Zou ze het jurkje even mogen bekijken?
Kijken? Ja hoor. Maar met de ogen dan, hè, niet met de handjes.
Haar hand met duur gemanicuurde nagels, probeert het hangertje uit de mijn hand te trekken, maar ik houd het stevig vast.

De mevrouw draait zich om naar de verkoopster, en vraagt iets.
Op dat moment ben ik afgeleid, de madam rukt het jurkje uit mijn handen, en verdwijnt er mee in het pashokje. Met een ruk trekt ze het gordijn dicht.
Wat een lef, zeg! Is ze nou helemaal van de pot gerukt? Ik loop naar het gordijn en ruk het met dezelfde snelheid weer open. De madam slaakt een gil.
‘Stel je eigen niet zo aan,’ zeg ik, ruk de blauwe jurk van het haakje en loop naar de verkoopster. Die jurk zal ik hebben. Al is de maat niet goed en moet ik er thuis de glazen mee afdrogen, hij is van mij!
Ik pak mijn pinpas uit m’n portemonnee.

Nee, zegt de verkoopster, ik kan hier niet pinnen, alleen contant betalen. Daar aan de overkant, wijst ze, kan ik geld opnemen.
Oké, dan doe ik dat.
De verkoopster stopt de jurk in een plastic tasje en legt het onder de toonbank.

Ik loop naar de betaalautomaat, neem geld op, steek weer over en word bijna ondersteboven  gereden door een rode auto. Een Ferrari. Ik ben totaal niet autogevoelig, maar deze auto herken ik. De persoon achter het stuur heeft iets vaag bekends, maar wat?

Terug in de winkel loop ik naar de verkoopster achter de toonbank en geef haar het biljet.
‘Plus,’ zegt ze.
Plu? Hoezo plu? Oh…plus? Heeft ze het jurkje niet meer?
Non.
Hoe kan dat dan? Wát! Verkocht? Echt waar?

Aan die… ah…nu valt het kwartje… Aan die bekakte badmuts in de Ferrari, natuurlijk. Ik moet me beheersen om niet te gaan schreeuwen. Verkocht aan die kakmadam, omdat ik maar een luizig toeristje ben.

De verkoopster zegt dat ze nog wel genoeg andere leuke jurkjes heeft.
Veeg daar maar je mond aan af.
Ik wens haar een afzichtelijke bult van hard werken toe en verlaat de winkel.

Stel, dat jij nu in België bent, en je ziet een blonde troela in een hemelsblauw jurkje voorbij scheuren in een vreselijk lelijke, rooie Ferrari, dan weet je dat ze mijn jurkje aan heeft. Het inhalige, achterbakse, grofstoffelijke, verwende pestloeder. Zo, lekker, dat is eruit.

Rook

Hoe erg zijn vrouw het ook vond, hij hield stug vol en rookte iedere dag een sigaar. Buiten op het stoepje. Oók als het regende, want zijn rokertje was zijn laatst overgebleven lolletje. Zijn huwelijk was een onpersoonlijke, koude toestand.
Oh, wat zou hij graag weer eens willen gloeien als het puntje van zijn sigaar!

In het begin had hij de overgebleven stompjes tussen de beplanting gepiekt.
Dat  was voordat zij hem sommeerde ze stuk voor stuk op te rapen, en hem vervolgens een veger en blik in zijn handen duwde om de as op te ruimen.
Zijn opmerking dat de wind het sneller deed, maakte op haar geen enkele indruk. Ze stond erop.
Niet op de as helaas.

Ze waren 47 jaar getrouwd en dan doe je iemand niet zo snel meer weg, maar soms, als zij weer aan het tieren was dat zijn kleren naar de rook stonken, en hij aan het dagdromen sloeg met een lekkere bolknakker in zijn mond…
Hij zou beginnen met een barbecue voor de hele buurt, en daarna oliebollen gaan bakken en gourmetten binnen in huis. Van de lucht zou hij nog dágenlang plezier hebben.
Een vrouw kan ook té schoon zijn; er zijn belangrijker dingen in het leven dan een gestroomlijnd huishouden. Hij snoof verachtelijk.

Het was een sober, maar mooi afscheid geweest.
In plaats van een plak cake bij de koffie had hij tevergeefs gepleit voor een stukje rookworst, en was hij uiteindelijk akkoord gegaan met een bitterkoekje.
Voordat hij de auto instapte, keek hij eens op zijn gemak omhoog: zie de schoorsteen eens roken!
Ze hadden het nooit over haar laatste wens gehad, maar hij wist zeker dat zij het met zijn keuze niet eens zou zijn geweest. Hij moest zich beheersen om niet te grijnzen als een aap. 

Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden.
Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man. NOT.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets.
Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon.
Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft?
Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten?
Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater.
Nou en of!
Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.
Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Zet-ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor!
Ik ga niet blijven staan wachten tot hij vertrekt. Ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik mieters handig aangepakt, al zeg ik het zelf.

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen: ze hebben niets beters te doen dan op het bruidspaar wachten. Schaamte giert uit al mij poriën.
Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door.
In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!

Shimano dura ace

De schrik van m’n leven

schrik

Ik hoor een alarmerend geschraap onder mijn auto.
Twee dames kijken naar mij en slaan hun handen voor hun mond. In hun ogen gaat een alarm af.
Mijn God, waar ben ik overheen gereden? Het zal toch geen driewielertje zijn? Misselijk bij de gedachte klim ik m’n auto uit. Door de stress vergeet ik de gordel los te maken en val ik half tuimelend naar buiten. Trillend van angst kijk ik onder de auto.
Oh…het is maar een paaltje! De auto kan dan wel niet voor- of achteruit, toch ben ik in staat het ding hartstochtelijk te omhelzen.

Een mevrouw zet me bij een garage af.
Binnen vertel ik als een betrapt kind mijn verhaal aan de garagehouder.
Alle monteurs kijken stoer voor zich uit. De garagehouder, een beer van een vent met een melancholische blik, heeft mijn onmiddellijk sympathie want hij lacht niet. Hij roept een collega en die regelt een auto.

Bij het instappen zie ik de brandstofmeter ver in het rood staan.
Met een blik van verstandhouding kijkt de chauffeur naar mij. Ik hoor ‘m denken: jammer dat u de net niet zo’n alziende blik had, mevrouwtje.
Het scenario zie ik al voor me: straks moeten we de auto naar de plaats van het ongeval duwen.

‘Oh,’ zegt de chauffeur, ik zie uw auto al staan.’
Klopt. Zoals het een goed ongeluk betaamt, blokkeert mijn bolide driekwart van de rijweg.
Een groep belangstellenden heeft zich als geroutineerde geraniumstaarders rond mijn vehikel verzameld. Door het open raam, hoor ik wat ze zeggen: ‘Goh, het zal je auto maar zijn, hè’ zegt eentje.
Een vrouw met een stem als een misthoorn vraagt: ‘Van wie is die auto?’
Op datzelfde moment stapt de chauffeur uit en houdt voor mij de deur open. Als een bezienswaardigheid stap ik naar buiten: dus zó ziet iemand eruit die over een betonnen paaltje heen rijdt.
Tanden op elkaar zetten en recht vooruit kijken.

Na tien minuten hannesen met een rijdende krik hebben beide mannen mijn auto over ‘t paaltje getild.
Meteen krijg ik mijn gevoel voor humor terug.
Op vriendelijke wijze sommeert de garagehouder mij achter hen aan naar de werkplaats te rijden.
Hikkend en stotend komt hun auto halverwege de ingang van de garage tot stilstand.
Binnen wordt mijn auto omhoog getakeld. De monteurs bekijken met een lamp elk hoekje en gaatje. Ze wisselen termen uit die klinken als aandoeningen. Gelukkig doorstaat mijn wagentje hun kritische blik.

Met de hete adem van de garagehouder in mijn nek, rijd ik in z’n achteruit de garage uit, slalom  kriskras tussen gepareerde auto’s door, en akelig dicht langs de definitief tot stilstand gekomen garageauto.
Ongeschonden.
Waar is het bewonderende publiek als je het nodig hebt?

De schildersmossel

Uit de oude doos: 

In mijn spiegeltje zie ik hem steeds dichterbij komen. Hoofd voorover en de handen onderin de beugels. Hij doet verwoede pogingen het gat tussen hem en mij dicht te rijden. Als ie vlakbij is, kan ik hem amechtig horen hijgen. Ik wacht op het moment dat de fietser me triomfantelijk voorbij zal rijden, maar dat gebeurt niet. Tevreden gaat hij in mijn achterwiel hangen. Bah, een vreemde seigneur aan mijn billen. Ik pas altijd op dat ik als nette vrouw mijn keurige reputatie niet te grabbel gooi, dus houd ik mijn benen stil. Hup, er voorbij jij!

Chagrijnig rijdt hij langs; zijn benen wagenwijd uit elkaar. Er hangt iets groots geschapens tussen. Ja, zijn buik, hè? We houden het hier wel netjes. Hij gromt. ‘Gvd, je bent een wijf!’
(Een persoon van het vrouwelijk geslacht, heet zo iemand. Heeft die man geen opvoeding gehad?) Ik vat het maar op als een compliment.

Twee meter vóór me duikt hij ineens in elkaar en hangt hij vol in zijn remmen. Welja! Gaat ie met zijn fiets dwars op de weg staant! Tierend kijkt ie naar mij. Hij is boos.
‘Stom wijf!’ zegt ie, ‘dat doe je toch niet! Ik zou je een klap op je bek moeten geven!’
Totale verbijstering bij mij; waar heeft die man het over? Hij briest van nijd; zijn hoofd ziet zo rood als een tomaat; en woedend boren zijn ogen zich in de mijne.

‘Je gooit wat naar mijn harses! Ja, kijk maar niet zo schijnheilig! Wie doet nou zoiets?’
‘Nou ík niet!’ zeg ik.
‘Nee, ze komen uit de lucht vallen, nou goed?’
‘Waar zou ik dan mee moeten gooien?’
Hij wijst naar iets wat op de weg ligt.
Ik kijk. Daar ligt een kapotte mossel. Een schildersmossel.
‘Die heb ík niet gegooid,’ zeg ik, ‘ze komen echt uit de lucht vallen!’
De man kijkt me aan met een blik van: mij maak je niks wijs. Hij is toch zeker niet van Lotje getikt?

‘Nee, ik neem u niet in de maling. Meeuwen eten die schildersmossels graag, maar ze krijgen zelf de schelp niet open. Daarom laten ze die vanuit de lucht naar beneden op iets hards vallen. Kijk, kijk, daar!’ wijs ik.
We kijken omhoog naar een kraai met een mossel in zijn bek; even hangt de vogel stil en opent zijn bek. PATS! knalt de schelp op het fietspad. Een levensechte powerpointpresentatie door een kraai. De vogel zit al op de schelp en vreet de inhoud op.
Ongelovig kijkt Lotje van de lucht, naar de kraai op de grond, en naar de kapotte mossel voor zijn voeten. Hij weet zich met zijn houding geen raad. Hij hakkelt, stamelt, stuntelt en krabt op zijn hoofd.

Schoorvoetend bekent hij schuld.
‘Mevrouw, echt, het spijt me heel erg. Ik dacht echt dat  u het was die iets naar mijn hoofd gooide (zoveel spijt hoeft ie nou ook weer niet te hebben; ik heb er anders wel het lef voor, hè?)
‘Ach, het geeft niks,’ zeg ik. Zelf ben ik ook zo impulsief als de pest, dus ja… Lotje reikt mij de hand.
Die schud ik.
‘Goh, ik moest maar weer eens gaan,’ zeg ik.
‘Mevrouw, nogmaals sorry. U ziet er bij nader inzien best aardig uit. Kan ik u verderop misschien op een kop koffie trakteren?’
Dat wijs ik van de hand. Zó’n aardige vrouw ben ik nou ook weer niet.

Paardenkracht

Vandaag gaat hij zich uitsloven voor de vrouw waar hij mee gaat trouwen. Zij weet nog niet dat hij voor haar de ideale partij is, maar dat is een detail. Ze spreken elkaar regelmatig – oké, eerder toevalligerwijs – maar hij wil haar hebben, en als een man iets wil, moet een man zorgen dat hij het krijgt. Het enige wat hij hoeft te doen is leren paardrijden, en dat ziet er simpel uit.

Eenmaal staand naast het paard valt het tegen. Wat is dat beest groot! Hebben ze geen korter model? Afijn, een vent een vent. Hij wacht tot het paard door zijn knieen zakt zodat hij er op kan klimmen, maar dat is een tegenvaller. Hij moet een voet in de stijgbeugel zetten – ‘nee, nee, we stappen altijd aan de linkerkant op!’ – het zadel vastpakken, en zijn been over de paardenrug zwieren. Nou ja, zwieren…Eenmaal op het paard kan wat hem betreft de privéles beginnen.

In stap – een gewoon mens noemt zoiets lopen – gaat uitstekend. Hij hoort termen als “van hand veranderen” en een “grote volte maken,” maar die besluit hij te negeren. Dan vraagt het meisje of hij het ziet zitten om in draf te gaan. Hoezo, hij zit toch al?
Ineens moet hij alles tegelijk: klakken met zijn tong – ja hallo! – het paard aansporen met zijn hakken, en een tik geven met de zweep.
Begint het beest te hollen! Is het normaal dat dat paardenlijf zo onder zijn kruis bonkt? Hij zweet zich rot en zijn bilnaad begint te schuren.

Ineens staat het paard stil. Zo abrupt, dat hij uit het zadel glijdt, en tussen het paard en de grond in blijft hangen.
Het meisje zegt dat het paard gestopt is, omdat hij onverwacht een ruk aan de teugels gaf.
Dat deed hij helemaal niet! Die knol leidt gewoon een eigen leven.
Eenmaal op de grond, moet hij van dat paardenkind direct weer op dat beest stappen. Wie geeft hier eigenlijk de orders?

Het mag dan de grootste hobby van zijn aanstaande zijn – zo is hij haar voor het gemak al gaan noemen – na een half uur later weet hij het zeker: voor paardrijden is hij niet in het zadel gelegd.
Meteen krijgt hij een nieuw idee waarmee hij indruk zal maken. Ze zwicht vast voor een man die rijk genoeg is om een groot huis met ruime stallen voor haar zootje eigen paarden te kopen. Hij weet ook al hoe hij dat geld zal vergaren: hij gaat zich toeleggen op de beleggersmarkt. Voor iemand met zijn potentie, wilskracht en doorzettingsvermogen is dat een makkie.

Fluitend rijdt hij op de brommer naar huis. Onderweg zal hij het Financieel Dagblad, en de Telegraaf voor de beursnoteringen kopen. Geld stinkt tenminste niet, wat je van paarden niet kan zeggen.

Hannibal

Oeros van Dien

Altijd als ik op de fiets zit, gebeurt er wat. Zo ook vandaag.
Onderweg kijk ik graag naar koeien. Rond Oudewater staat een kudde met kalfjes. Vandaag staat er ook een tractor in de wei. De boer heeft het gras op het weiland naast de koeien geschud en is onderweg naar de uitgang. Hij moet een stuk schrikdraad losmaken om in de wei van de koeien te komen. Een klusje van niets, maar er is een probleem: een stier met het formaat van een olifant staat naast het stukje draad en is niet van plan opzij te gaan. De boer zwaait met zijn armen en roept allerlei verwensingen, maar zonder resultaat.
Ergo: de stier neemt een dreigende houding aan en schraapt met zijn poot over de grond.

Na vijf minuten heb ik het gezien en wil ik opstappen, maar ik krijg medelijden met de boer.
Ik loop over de weg naar het gezichtsveld van de stier, trek mijn bontgekleurde fietsshirt uit en begin er mee te zwaaien. Mijn actie trekt toeschouwers. Ellendig is dat.
Onder hen staan drie stoere mannen op mountainbikes. Ze dragen helmen, wappershirts en witte kniekousen. Ze vermaken zich dik en verroeren geen vin.
Ik voel me een blote idioot, maar nu ik toch voor joker sta, wil ik volslagen in mijn plan. Die stier zal me in zijn vizier krijgen en ik zal laten zien dat ik meer ballen heb dan die drie stoere binken bij elkaar!

De stier zwaait met zijn kop en kijkt in mijn richting. Langzaam loopt hij op me af.
Oh shit. Eerlijk gezegd heb ik het niet zo op stieren. Zo’n groot beest en maar zo’n klein stukje draad tussen ons in. Zal ik me achter de mountainbikers verstoppen? Dan maar geen lefmeid.
Maar het is te laat. De stier zet er de sokken in.

Ter plekke blijf ik bijna dood. In mijn ooghoek zie ik de verrichtingen van de boer: uitstappen, draad losmaken, instappen, doorrijden, uitstappen, draadje vastmaken en weer instappen.
Ik heb het gevoel alsof de tijd stil staat. Bewegingloos sta ik langs de kant. Ik wil weg, maar mijn voeten luisteren niet.
Steeds dichterbij komt de stier.
Ik zie zijn kolossale lijf, zijn massieve kop, machtige horens en zijn neusvleugels die snel bewegen. Ik kan hem zelfs ruiken. Hij ziet er geïrriteerd uit. En door wie zou dat komen?
Dat draadje knapt straks en dan loopt-ie zo over me heen.
Achter me staan de drie binken zich te verkneukelen. Stelletje langharig tuig!

Ineens is de tractor er en is alles voorbij. Als bij toverslag laat de stier alle belangstelling varen, en kuiert bij me vandaan naar zijn harem toe. Tien meter verderop gaat- ie met zijn kont in mijn richting staan schijten. Zelfs van deze afstand kan ik de vlaaien horen vallen.
Alle toeschouwers stappen weer op de fiets.
Ik weet niet hoe snel ik mijn shirt weer moet aantrekken. Door de haast trek ik ‘m achterstevoren aan; echt iets voor mij.
De boer rijdt de weg op en wenkt me. Is dat wel verstandig?

Hij schatert luid: ‘Hahaha, je bent voor mij nog banger dan voor de stier!’
Ik geneer me. Snel over iets anders gaan praten.
‘Moet u eh…morgen weer het gras schudden?’
‘Ja, en overmorgen moet de baalwagen erdoor.’
Mooi. Weet ik waar ik de komende twee dagen waar ik niet naar toe moet fietsen!

Je hebt het vast al gezien: de foto is van Dien! Senk joe dier.

Eerste hulp

‘Ik ben gewond! Ik ben gewond!’
In doodsnood holt een man naar binnen. Zonder woorden wordt het slachtoffer reikhalzend begroet door de patienten in de wachtkamer. De man maakt een onverzorgde indruk: ongeschoren, sjofele kleding en een vuile pet die zijn gezicht grotendeels bedekt. Iedereen in de wachtkamer weet dat deze medelander niet volledig is ingeburgerd, anders had de stakker wel buiten op een toevallig passerende ambulance gewacht. Daar zou hij stukken sneller door worden geholpen dan door de assistentes alhier in de huisartsenpraktijk.
Er is niets wat hun rust kan verstoren.

Kind en ik staan netjes op onze beurt bij de balie te wachten en kijken elkaar aan. Hebben wij weer: zijn we bijna aan de beurt, komt er een spoedgeval tussen. Maar wij zijn coulant: de man mag voorpiepen op voorwaarde dat hij eerst een emmer bloed verliest.

Met een wanhopige blik in zijn ogen, ijsbeert de man voor de balie heen en weer. Hij is zowel lucht voor de patient die geholpen wordt, als voor de assistente. Nu is dat van de laatste geen nieuws, maar alla, altijd een negatief beeld schetsen van de zorgverlening in ons dorp gaat ook vervelen.
De wachtkamer volgt vol spanning de hyperventilerende meneer. Liggen ergens bloedspetters? Zal hij weldra flauwvallen?

Onverwacht komt een huisarts een behandelkamer uitlopen. De ongelukkige gooit zich in de armen van de arts, en zegt: ‘Dokter, dokter, ik ben gewond!’
De arts werpt een onderzoekende blik op de omhooggehouden arm, en zegt dat zijn assistente er spoedig naar zal kijken.
Dit gebrek aan belangstelling komt bloedhard bij de man aan.

Nu gaat hij pal voor Kind staan.
Ik wil ’s mans leed zien, maar mijn ogen kunnen er niet bij.
Die van Kind wel. Ze gebaart naar de man en wijst naar haar wijsvinger.
‘Valt ie er bijna af?’ vraag ik zacht. Ze schudt haar hoofd. Helaas. Ik heb nog geen druppel bloed gezien, dus mag de man ook niet voor.

Hè, hè, de patient bij de balie is klaar. Nu zijn wij. Alhoewel, help bij nader inzien toch maar eerst die zenuwlijder; ik word gek van die vent.
Nee, als door een wonder kijkt de assistente mij aan en zegt: ‘U mag het zeggen, mevrouw.’ Dit heb ik nog nooit meegemaakt: een beleefd uitgesproken zin van meer dan vier woorden. Snel, het vlugzout! En geef de man ook een snuifje; hij houdt het niet meer.

Kinds medicijnen zijn snel gepakt en dan kan de assistente er niet meer onder uit: ’s mans tijd voor aandacht is gekomen.
De assistente kijkt zeker twee seconden lang naar de uitgestoken vinger. Haar antwoord moet verpletterend voor het slachtoffer zijn, maar bevredigt  wel de nieuwsgierigheid van de voltallige wachtkamer. Ze kijkt de zwaar gewonde stakker recht aan en zegt: ‘Een brandblaartje. Niets aan doen, meneer, gaat vanzelf over.’

Op de foto

Ik moet op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wil houden. Dus hop, naar de fotoshop.
Van tevoren de boel gepimpt: overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar.
Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijvoorbeeld de linker- of rechterkant van hun gezicht. Dat heb ik ook.
Bij mij doet vooral de achterkant het goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Flirten met de camera? Not.
Wat in mijn voordeel werkt bij de rijbewijspasfoto, is dat ik er niet lachend op hoef komen te staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de fotowinkel val ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen.
De eigenaresse heeft haar twee koeien van honden meegenomen. De beste beesten doen geen kat kwaad; ze liggen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben ook nog dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer waardoor ik één van de acht hondenpoten over het oog zie. Bijna zet ik mijn voet er bovenop. Bliksemsnel trek ik ‘m tijdig weg. Desondanks springt de eigenaar van de poot gealarmeerd overeind. Ik bots tegen het hondenlijf, raak uit balans en land op beide knieën op de grond.
Hond nummer twee maakt van de gelegenheid gebruik om mijn kruis te besnuffelen. De elegantie is weer ver te zoeken.
Gelachen dat we ze hebben.

Ik mag op het pianokrukje komen zitten.
‘Kijk,’ zeg ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, in de richting van mijn oren (ik had thuis uitgebreid geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’ vraag ik.
‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’ zegt ze fotomevrouw tactisch. Ze laat er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wil? Kijk maar even in de spiegel, daar hangt-ie.’
Ik sta op en snap het. Mijn wilde haren zijn op de fiets tot leven gekomen en hebben er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar…
Komt onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak, een lik aan mijn hand geven; dat kriebelt, ik lach, klick!
De hond wordt weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar.
Springt er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet), ik proest klick!
Ze kunnen tegenwoordig alles fotoshoppen, maar omhoog krullende lippen krijgen ze niet omlaag.
Met een ijzeren wil en een gepantserde blik kom ik uiteindelijk met een doodgraversgezicht op de foto.

Het is nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn.
‘Moet je nog boodschappen doen?’ vraagt de fotografe.
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’
Na dat eerste rondje is het fotoapparaat nog niet opgestart. Hij wil niet.
Na het tweede rondje nog steeds niet.
Na nog meer van dergelijke rondjes strijk ik duizelig op het pianokrukje neer. Het apparaat blijkt defect. De fotomevrouw begrijpt er zelf ook niks van. Ze heeft mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut weigerde het apparaat dienst. Héél vreemd, ja.
Of ik morgen even terug kan komen?
Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!