Jantien

Met haar jas scheef dichtgeknoopt, holderdeboldert Jantien de trap af. De vuilniszak die ze met haar meesleept is zwaar, en ploft tree na tree achter haar aan naar beneden. Halverwege de trap stuitert haar buurmeisje Laura voorbij. Wild wippen haar vlechtjes heen en weer. In het voorbijgaan steekt Laura pinnig haar tong uit.

Zij wel…
Al tijden verlangt Jantien vurig naar precies zo’n zelfde felroze bal. Van jaloezie en afgunst gaat haar onderlipje trillen. Het is ook niet eerlijk: haar buurmeisje heeft álles wat Jantien niet heeft. ‘Behalve veel broertjes en luizen,’ zegt Jantientjes moeder altijd opgewekt, ‘dus leen haar eens je muts uit!’ Die muts heeft ze dus ook al. Jantien is zo boos, dat er rode halvemaantjes in haar handpalmen komen te staan.

Watertandend kijkt ze haar buurmeisje na. Oh, als zij zo’n bal zou hebben, zou ze voor jaren gelukkig zijn, maar haar moeder blijft volhouden dat zo’n stuiterding niet goed voor je is; je hersens raken ervan door elkaar geschud. Jantien vindt dat onbelangrijk, met spellen is ze toch al de beste van haar klas.

Zomaar, op de een na laatste tree, krijgt Jantientje zo’n briljant idee dat ze er een nerveus gefladder van in haar maag krijgt. Vliegensvlug kwakt ze de zak in de vuilnisbak, en rent de trap weer op. Binnen pakt ze een vuilniszak uit het gootsteenkastje en holt ermee naar de jongenskamer.

Buiten is het even wennen. Met een zelfvoldane trek op haar gezicht, zet ze de achtervolging op haar buurmeisje in. Jantien scheert zo rakelings langs op haar zelfgemaakte skippybal, dat Laura ervan stilvalt en haar buurmeisje vol ongeloof nakijkt. De plastic voetballen bewegen wat ongemakkelijk heen en weer in de vuilniszak, maar dat doet aan Jantientjes plezier niets af. Integendeel. Ze geniet.

Dappere Ankie

Ankie leerde ik kennen tijdens yoga. Ze was reeds in de zestig; een leuk mens met een meisjesachtig postuur, een lenig lijf en een positieve inslag. Als andere dames klaagden over hun snurkende echtgenoot, dan zei zij dat ze zo’n snorrende man wel gezellig vond. Hardnekkig bleef ze rondrijden in een oude eend, die haar tijdens vakanties in Frankrijk steevast onverwachte ontmoetingen bezorgde.

Slechts bij hoge uitzondering miste Ankie een yogales. Vroeg ik daarna of ze ziek was geweest, dan kreeg ik een ontwijkend antwoord. Heel on-Ankie want zij was doorgaans een open boek. Zelden kwam ik haar “los op straat” tegen. Behalve die ene vrijdagmiddag op de weekmarkt. Ankie had de weken daarvoor drie yogalessen gemist en bij navraag hield de yogajuf informatie achter, wat Ankies goed recht was.

Die middag op de markt stond Ankie er verslagen bij. Ik liep op haar af.
‘Hallo Ankie, gaat het wel goed met je?’ Niks beleefdheden, gewoon recht voor zijn raap. Als ze geen behoefte had in een gesprek, zou ze dat wel zeggen. Van dichtbij had haar gezicht dezelfde kleur als het grijze shirt dat ze droeg. Ze keek me aan en ontweek mijn vraag niet.

“Nee, ’t gaat niet,’ zei ze. ‘Van deze toestand heb ik vaker last, maar nu duurt ie langer.’ Ik zei niets en wachtte af of ze ging vertellen wat ‘die toestand’ was.
‘Het komt door vroeger,’ begon ze, ‘door mijn moeder. Ik heb verlatingsangst omdat zij, toen ik negen was, zelfmoord heeft gepleegd. Ze had zichzelf opgehangen…ik heb haar gevonden. Een paar keer per jaar overvalt me die verlatingsangst. Ik heb er therapie voor gehad, maar dat beeld van mijn moeder raak ik niet kwijt…dan zie ik haar hangen in het trapgat. Welke moeder doet dat nou zoiets? Ik heb ‘t geprobeerd te begrijpen, maar het lukt me niet. Zo zit dat.’ Ik knikte; probeerde haar te begrijpen.
‘Kan ik wat voor je doen?’ vroeg ik.
‘Dat je luistert is genoeg.’

Alsof het afgesproken werk was, liepen we in de richting van haar geparkeerde eend. ‘Wat is je huisnummer?’ vroeg ik; haar straatnaam wist ik al.
‘Honderdvier,’ gaf ze als antwoord. Het minste wat ik kon doen, was haar een kaartje sturen. ‘Dag Ankie,’ zei ik, terwijl ik haar een zoen op haar wang gaf.
‘Ik zie je maandag weer bij yoga,’zei ze, ‘dan is het vast over.’

Ze stapte in haar eend en sloeg de deur dicht. Het raam wapperde met een klap omhoog toen ze wegreed. Door een voorbijrijdende bus kon ik haar niet meer zien. In gedachten zwaaide ik haar na.

Plasproblemen

‘Mama, ik moet zo nodig.’ Het is te zien. Met een gefronst gezicht en twee handjes tussen haar benen, staat Roos in de ik-moet-zo-nodig-plassenhouding. Toiletten genoeg om in het winkelcentrum haar sluisje open te zetten, maar daar wringt nou net de schoen: Kind heeft een allergie voor vreemde wc’s. Een keer ging ze op een zelfreinigende bril zitten die halverwege haar plassessie zichzelf begon te verschonen, en sindsdien vertikt Kakeltje-in-de-dop het op een onbekende pot plaats te nemen.

Moet zij dat hele eind in de auto haar plas ophouden? ‘Wat nou als de brug opengaat, mam?’ vraagt ze op een toon van iemand die in tijdnood verkeert. Vijf jaar en ze weet precies hoe ze me aan moet pakken. Gevoelig voor haar argument mag ze de bosjes in. Daar staan een paar heel mooie, heeft zij al gezien. ‘Wel wachten tot er niemand aankomt, hè?’ zegt ze op samenzweerderige toon. Zoals gewoonlijk maakt zij van de nood weer een vreugd.

Ik mag als eerste de struiken in, want spinnen… alleen al van het idee gaat ze hoesten, en hoe houd je dan je plas op? Benauwd loert ze om zich heen. ‘Kijk maar naar beneden,’ zegt ik, ‘straks stap je in een hondenhoop. ‘Dit is wel ver genoeg,’ commandeert Kind als ze een geschikte locatie ziet. Ze hurkt neer. ‘Voetjes uit elkaar,’ dirigeer ik, ‘en houd je broek goed naar achteren.’ Ze knikt.

Ingespannen tuurt ze naar de grond. ‘Oh mam, kijk daar…een paddenstoel! Daar kan je een foto van nemen,’ roept ze verheugd. ‘Plassen,’ zeg ik; ik sta hier niet voor mijn lol kromgebogen in de bosjes.

Het lukt niet. ‘Moet jij ook niet toevallig?’ informeert ze belangstellend. Spijtig schud ik nee. We wachten. ‘Hèhè, daar komt het,’ zegt ze opgelucht. Aandachtig bestudeert ze hoe haar plasje wordt opgezogen door de grond. Zó aandachtig dat ze naar achteren valt en met haar blote billen in haar plasje terechtkomt. Met een zakdoek veeg ik de houtsnippers van haar billen. Terwijl ze gebukt staat om haar kleding omhoog te hijsen, valt ze voorover. Twee handjes breken net op tijd haar val, maar ze valt wel precies middenin haar eigen plasje. ‘In de auto liggen vochtige doekjes,’ zegt ze hulpvaardig. Hand in hand (!) lopen we terug naar de auto, zij in een uitgelaten stemming en met blozende wangetjes. ‘Maar goed dat ik niet op een vreemde wc ben gaat zitten, hè mam,’ zegt ze praktisch, ‘je weet maar nooit wie erop heeft gezeten.’

Ik ben gewond!

‘Ik ben gewond! Ik ben gewond!’ In doodsnood holt een man naar binnen. Zonder woorden wordt het slachtoffer reikhalzend begroet door de patienten in de wachtkamer. De man maakt een onverzorgde indruk: ongeschoren, sjofele kleding en een vuile pet die zijn gezicht grotendeels bedekt. Iedereen in de wachtkamer weet dat deze medelander niet volledig is ingeburgerd, anders had de stakker wel buiten op een toevallig passerende ambulance gewacht. Daar zou hij stukken sneller door worden geholpen dan door de assistentes alhier in de huisartsenpraktijk. Er is niets wat hun rust kan verstoren.

Kind en ik staan op onze beurt bij de balie te wachten en kijken elkaar aan. Hebben wij weer: zijn we bijna aan de beurt, komt er een spoedgeval tussen. Maar wij zijn coulant: de man mag voorpiepen op voorwaarde dat hij eerst een emmer bloed verliest.

Met een wanhopige blik in zijn ogen, ijsbeert de man voor de balie heen en weer. Hij is lucht voor zowel de klant als de assistente achter de balie. Dat van de laatste geen nieuws, maar alla, altijd een negatief beeld schetsen van de zorgverlening in ons dorp gaat ook vervelen. De wachtkamer volgt vol spanning de hyperventilerende meneer. Liggen ergens bloedspetters? Zal hij weldra flauwvallen?

Onverwacht komt een huisarts een behandelkamer uitlopen. De ongelukkige gooit zich vol overgave in de armen van de arts, en zegt: ‘Dokter, dokter, ik ben gewond!’ De arts werpt een onderzoekende blik op de omhooggehouden arm, en zegt dat zijn assistente er spoedig naar zal kijken. Dit gebrek aan belangstelling komt bloedhard bij de man aan.

Nu gaat hij pal voor Kind staan. Ik wil ’s mans leed zien, maar mijn ogen kunnen er niet bij. Die van Kind wel. Ze gebaart naar de man en wijst naar haar wijsvinger. ‘Valt ie er bijna af?’ vraag ik zacht. Ze schudt haar hoofd. Helaas. Ik heb nog geen druppel bloed gezien, dus mag de man ook niet voor.

Hè, hè, de patient bij de balie is klaar. Nu zijn wij. Alhoewel, help bij nader inzien toch maar eerst die zenuwlijder; ik word gek van die vent. Nee, als door een wonder kijkt de assistente mij aan en zegt: ‘U mag het zeggen, mevrouw.’ Dit heb ik nog nooit meegemaakt: een beleefd uitgesproken zin van meer dan vier woorden. Snel, het vlugzout! En geef de man ook een snuifje; hij houdt het niet meer.

Kinds medicijnen zijn snel gepakt en dan kan de assistente er niet meer onder uit: ’s mans tijd voor aandacht is gekomen. De assistente kijkt zeker twee seconden lang naar de uitgestoken vinger. Haar antwoord moet verpletterend voor het slachtoffer zijn, maar bevredigt  wel de nieuwsgierigheid van de voltallige wachtkamer. Ze kijkt de zwaar gewonde stakker recht aan en zegt: ‘Een brandblaartje. Niets aan doen, meneer, gaat vanzelf over.’

De gewone man

Stapt van der Schans nou naar binnen? Ja hoor, verrek, het is ‘m! De nare zelfingenomen kwast die haar ouders tot wanhoop heeft gedreven. Jarenlang stonden ze hun schamele inkomsten af, om hun lening af te betalen, en telkens verhoogde hij de rente. Haar ouders konden slechts berusten in hun droeve lot. Haar vader zou zich omdraaien in zijn graf als zij deze klojo fatsoenlijk van dienst zou zijn.

De winkel in anti-inbraak apparatuur die Lize met haar man runt, loopt uitstekend. Niet alleen het beste van het beste, maar ook betaalbare mogelijkheden voor de gewone man. “Je moet altijd open blijven staan voor de gewone man,” was haar vaders stokpaardje. Dit is een kans die ze niet mag laten glippen, maar hoe bedenkt ze zo snel een waterdicht plan? Terwijl ze met haar vingers op de balie trommelt, speelt ze ondertussen voor luistervink. Van der Schans wil een  degelijk beveiligingssysteem rondom zijn woning…Die woning kent ze, wie niet in deze omgeving? Geheel vrijstaand, rietgedekt, diverse schuren…

In Lizes hoofd beginnen radertjes te draaien. Hoe zou de gewone man het willen? Op hetzelfde moment dat ze zich de vraag stelt, weet ze het antwoord. Zo simpel! Onmiddellijk loopt ze naar achteren en belt haar broer die aan een half woord genoeg heeft. Hij schat het aantal kubs in en berekent de kosten. Met veel plezier zal hij dit klusje persoonlijk op zich nemen. ‘Spreek voor vrijdagmiddag laat af,’ adviseert hij, ‘dan heeft hij er het hele weekend plezier van.’ Ze gniffelen.

Met een smoes stuurt Lize haar medewerker naar achteren en helpt zelf Van der Schans verder. ‘Wat ik zojuist al zei…ik wil dus het meest simpele systeem, geen gedoe met alarm op ramen en deuren; mijn vrouw vindt dat te ingewikkeld. Gewoon een waarschuwing die indringers op anderhalve meter afstand van mijn eigendommen houdt.’  Lize beheerst zich om niet vals te lachen: zijn wensen passen precies binnen haar briljante plan. Ze stelt een simpele overeenkomst op.
‘Hoe gaat het met betalen?’vraagt de klant.
‘De ene helft vooruit, de andere helft na levering.’ Die tweede helft zal ze nooit krijgen, maar dat hoeft niet, want de aanbetaling dekt de gehele lading. Inwendig gloeit ze van triomf.
‘Vrijdag aan het eind van de middag,’ stelt ze voor?
Ze hebben een deal.

Vrijdag vier uur.
Een truck arriveert bij Van der Schans’ huis. Brutaal draait de bestuurder het erf op, rijdt  een rondje om de luxe woning en verdeelt de inhoud met een donderend geraas rond het huis.  Hortensia’s, buxussen en rozen die binnen de anderhalve metergrens staan, worden door de zware wielen resoluut verpletterd en onder de lading bedolven. Voordat de bewoners er erg in hebben, is de klus geklaard. En hoe! Rond het huis ligt een dikke laag grind. Het beste alarm aller tijden.
Voor de gewone man.

Vette pech

Nee, niet nu! Uitgerekend als ik naar de neuroloog moet voor een verse voorraad slaappillen start mijn auto niet… Relax. Geen stress. Eerst nadenken.
Heb ik de lichten laten branden? Nee.
Staat ie in de juiste versnelling? Ja.
Zit er benzine in de tank? Ja.
Dat was dat. Meer gevoel voor techniek heb ik niet. Damn! Ik ga de garage bellen voor een takelwagen.

Tring, tring.
‘Hallo, met Mirjam Kakelbont…eh…mijn auto start niet en ik heb ontzettend veel haast.’ Ik ben allerminst een hulpbehoevend, stresserig huiskipje, maar waarom klink ik dan zo?
‘Zo, zo, mevrouw. Eens even kijken. Heeft u uw lichten…’
‘…die heb ik niet aan laten staan. En zit ook genoeg benzine in.’
‘Okeej…Eerst maar even het stuurslot proberen dan.’ Koppig schud ik nee. Ik weet wat het stuurslot is, maar dat is ’t niet, dit is een serieus geval.
‘U pakt het stuur met twee handen vast,’ praat de stem onverstoorbaar verder, ‘in de tien voor twee stand, u trekt een paar keer hard aan elke kant, en dan komt het vast in orde. Zo niet, bel dan gerust terug. Succes mevrouw Kakelblond.’

Nou ja zeg, dat noemt zich monteur! En mij ook nog instructies geven alsof het om een handeling gaat die ervaring vereist. Tssss. Het is ook niet meer zoals het vroeger was. Toch maar proberen. Flink raggen ligt trouwens wel in mijn straatje. Ik ruk linksom en rechtsom, maar nada. Zie je dat dit een veel ingrijpender probleem is? Oeoeoeh…ik voel een driftbuitje aankomen. Het zweet loopt langs mijn rug en de ramen zijn beslagen. Een voorbijganger slaat me – tussen de vogelflats op het raam door – nieuwsgierig gade. Ja gluur maar, ik zit hier alleen wat in mijn eentje te trekken, en nu kssst, weg jij! Ik ga meteen de garage weer bellen; ik laat me niet als een klein kind behandelen! Of nee wacht, nog een allerlaatste keer. Ik roep alle autogoden aan en ruk nijdig aan het stuur.
Hoe bestaat het…ze start!

Toch maar goed dat ik over een berg doorzettingsvermogen beschik, anders hadden de monteurs vanavond nog slap van de lach onder de auto’s gelegen. Wat een afgang! Ik kan me de eerste paar maanden maar beter niet in de garage vertonen. Aan helemaal niemand vertellen is maar het beste. Alhoewel…fouten maken is menselijk. Adam en Eva deden het ook!