Geliket en gelakt

Keek op de week (115)

Uit het nieuws:
-Pikante actie in Vaticaan. Paus Franciscus likete op Insta foto van halfnaakt Braziliaans model (ik wist het!) Paus is echter verschoond want hij kan niet(s) liken. Heeft dus celibatair en zwartgerokte roomse medewerker gedaan. Wie, zal aards mysterie blijven.
-13 pony’s op de middenstip van een hockeyveld. Het kon in Tilburg. Beheerder van veld wist niet wat ‘m ochtends overkwam bij de aanblik. Wat bleek? Dieren waren ’s nachts in binnenstad aan de zwier gegaan en politie had – om botsingen te voorkomen – pony’s naar veilig omheind terrein gebracht. Wel verzuimd beheerder te informeren. Dieren zijn weer thuis en zullen nimmer terugverlangen naar hockeyclub want kunstgras…zeg nou zelf…
-Spijtig, komende maanden géén Elfstedentocht. Zou toch hartverscheurend zijn als het voor het eerst sinds 1997 weer knoerhard ging vriezen…

Er gebeurde meer…

Lag wakker en dacht aan m’n opa. Lieve man. Tevens bezitter van benzineaansteker. Ik mocht tweemaal daags het klepje opendoen en stevig snuiven. Niet vaker; zo stond dat in opa’s cao.
Opa rookte alles waar hij de brand in kon steken: sigaretten, pijp, shag, sigaren. Mijn favoriet waren bolknakkers want daar zaten sigarenbandjes omheen die ik spaarde. Hoe meer opa er rookte, hoe beter ik het vond. Roken was toen nog niet ongezond.

Liep met Rosa door Koeienbos. Andere hond – ranzige reu – liep tien meter met ons mee; zijn  neus in Rosa’s hol. Kreeg er plaatsvervangend rillingen van. Vroeg aan z’n baas: ‘Wilt u uw hond even u roepen?’
‘Waarom,’ riep vrouw, ‘hij doet toch niets?’
Tijdje later zei ik tegen Rosa: ‘Zit.’ Aldus geschiedde. Tegen reu: ‘Nu kun je er niet bij, hè? Aan eigenaar: ‘Mevrouw, ik ga linksaf, als hij achter ons blijft lopen, bent u ‘m straks kwijt.’
‘Hij doet toch niets!’ herhaalde vrouw.
Een beperkt vocabulaire of IQ? Maar oké, wees mijn gast.
Rosa en ik liepen in straftempo door. Inclusief zwaan-kleef-aan-hond.
Vrouw riep: ‘Frodo! Frooodoooo!’
Frodo was niet gek. Zo lekker ruikt het bij hem thuis niet.
Rosa werd het zat, gromde en grauwde. Reu bleef meelopen, zij het op afstand.
Zijn baas zette achtervolging in; moest zelfs rennen.
Ging uit meelij na een kilometer langzamer lopen. Vijf minuten later hijgde vrouw: ‘U had…best… even… kunnen wachten!’
‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Hij doet toch niets?’
We keken elkander aan. Vrouw zweeg. Goeie reactie, lekker kort.
Buiten gehoorafstand zei ik tegen Rosa: ‘Die hebben we een poepie laten ruiken.’
Ja, baas. Wie A zegt moet ook scheet zeggen.

Sinds mijn nagelstyliste op zichzelf woont, gingen mijn teennagels kleurloos door het leven.
Toen Roos twee dagen thuis was, vroeg ik om herfstnagels met rood met witten stippen. Helaas, rode nagellak was uitgedroogd en kurk om stippen mee te maken, lag elders.
‘Doe dan maar iets geks,’ stelde ik voor. ‘Elke nagel andere kleur of zo.’
Was kolfje naar Kinds hand. Sta er gelakt op; heb nu feest-tenen! Behalve mezelf niemand die ze ziet, tenzij Joris speciaal voor gelegenheid leesbril op zet.

Had gefietst en ‘m gepoetst (weg was nat) en kwamen samen binnen.
Man verwelkomde me met: ‘David Bowie is bewusteloos.’
Ik was twee seconden analfabeet. Vroeg daarna: ‘Is hij van de kast gevallen?’
‘Ja, op de grond. Heb ‘m opgeraapt en op tafel gelegd,’ zei Joris. ‘Hij is op z’n voorhoofd terechtgekomen,’ en priemde pesterig een rondje over voorplaat van Bowies kalender.
‘Wacht maar,’ grijnsde ik, ‘2021 wordt een lang jaar voor jou.’

De gillende keukenkerel

Keek op de week (114)

Ik rijd in een auto van 90.000.  Op de teller.
‘Accu heeft kuren,’ zei ik tegen Joris.
Bij APK hebben ze ‘m nog doorgemeten.’
‘Hoe doen ze dat?’
‘Een vinger op de plus, en de ah-han-haha!-andere op de mih-hihin…’
‘En als je haar omhoog springt, is-ie nog goed. Is dat je vrouwelijke uitleg?’
Man ging bijna stuk.
Wanneer je iemand zo lang hebt, doe je ‘m niet snel weg. En Joris is praktisch: kan goed ramen lappen en stofzuigen. Besloot ‘m te houden.
Volgende dag – ik moest weer fietsen – kwam ik thuis…stond m’n auto te strálen.
‘Wasstraat geweest?’ vroeg ik opgewekt.
‘Ja,’ zei Joris. ‘En buikje gevuld. Naar de garage geweest. Accu moet vervangen worden, hadden ‘m niet op voorraad, maandagmiddag rijd ik erheen en wordt het geregeld.’
Goed dat ik Man niet impulsief de deur heb gewezen, de lieverd!
Naast nieuwe accu kwam Joris thuis met verrassing: ‘Schat, binnenkort krijg je van de garage een terugroepactie.’
‘Een terugroepactie! Hahaha. Ze stamt uit de vorige eeuw!’ Dacht dat ik doormidden scheurde van het lachen.
‘Mechanisme van de airbag moet worden vervangen. Kan je nagaan hoeveel Starlets er nog rondrijden,’ zei Man onder de indruk.
Ik belde Roos om heuglijke nieuws te delen.
‘Djiez,’ zei ze, ‘goed dat we dat we niet wisten, mam, toen we door de regen en mist over de snelweg scheurden.’

‘Wat doet u daar!’ Geagiteerd liep een man op me af. Stevig, kalend, met onderkin en varkensoogjes. Zijn winkelwagen stond dwars voor de groenteweegschaal.
‘Pardon?’
‘Wat doet u! U staat precies boven mijn kar met boodschappen!’ Hij ontplofte zowat. Over kort lontje gesproken…
Geen idee waar ik de kracht vandaan haalde maar ik hield m’n fatsoen.
‘Ik weeg bonen en plak de prijssticker erop.’
‘Boven mijn boodschappen!’
‘Dan had u uw kar bij u moeten houden.’
Wie hadden we daar? De bedrijfsmanager van AH. Altijd vrolijk en opgewekt. Met blijde stem vroeg hij: ‘Meneer, is dit uw boodschappenwagen?’
Op afgebeten toon antwoordde man: ‘Ja!’
‘Wilt u die niet voor de weegschaal parkeren? Dat remt de doorstroming en staat haaks op ons anderhalvemeterbeleid.’ Gevolgd door een knikje en: ‘Ik dank u voor uw begrip.’
‘Heb je nou je zin?’ snauwde de kerel tegen mij.
‘Meneer, u maakt stampei om niets. U heeft geen kort lontje, u bent een gillende keukenmeid.’
‘Zonder mondkapje had je vast het lef niet dat tegen me te zeggen!’
Ik deed m’n kapje opzij en zei welgemeend: ‘Stakker!’ Zónder daarna mijn tong uit te steken. Every inch a lady.

Kwam in polder man met bruine labrador tegen.
‘Goeiemor…eh…middag,’ zei ik.
‘Voor mijn part zegt u goedenavond, elke groet is goed,’ lachte kerel.
Ik zuchtte opgelucht: een man als een luie fauteuil.
Rosa liep zonder blik of bloos langs soortgenoot. Andere lab gaf ook geen sjoege.
‘En dat is nou familie,’ merkte ik op.
We lachten.
‘Komt door de bal in haar bek,’ zei ik.
‘Komt door zijn stok,’ zei kerel. ‘Voorheen gooide ik die nog te water maar ben daarmee gestopt.’
‘U moest de stok zelf uit het water halen?’
Hij grijnsde. ‘Nee, m’n rechterschouder vindt dat niet lekker meer en wanneer ik met links gooi, ben ik een gevaar voor m’n omgeving. Wilt u een demonstratie?’ vroeg hij gul.
‘Ja, graag,’ loog ik, en verdween ijlings.

Verliefd

Keek op de week (113)

Wát een week!
-Bij metrostation Spijkenisse reed een metro door een stopblok. Een deel van de metro schoot door en kwam terecht op een kunstwerk achter de rails, op zo’n tien meter hoogte. Daar balanceerde het dagen op de gigantische walvisstaart.
-Bij DierenPark Amersfoort ontsnapten twee chimpansees. Omdat ze intimiderend gedrag vertoonden en er helaas geen tijd was ze te verdoven, restte om veiligheidsredenen maar één oplossing: ze moesten worden afgemaakt. Heel Holland huilde.
-Aan de uitslag v.d. presidentsverkiezingen in de Verdeelde Staten leek geen eind te komen. Op voorhand had Madame Tussaud Berlijn al wel het wassenbeeld van Trump in de afvalcontainer gedumpt. De beste plaats. Finally, Donald Ramp – de loser – is fired! En wat een slechte verliezer…

Er gebeurde nog meer…

Rechts naast fietspad schooierde een egel gevaarlijk dicht richting de provinciale weg. Ik vleide mijn racepaard tegen een manshoog hekwerk, liep naar de vangrail en trok m’n dichte fietshandschoenen aan. Ik bukte en bonkte met m’n helm tegen de wegscheiding. Als ik schade had, zou ik dat inhouden op het zakgeld van de egel. Hield handschoen voor z’n zwarte dropneusje – wat een schatje! – en vroeg: ‘Wil je dood?’
Egel rolde zich op.
Vatte dat op als neen en raapte prikkenbol op.
Wat nu? Kon zoogdier moeilijk over het hoge hek werpen.
Van nabij loeide een bladblazer.
Op klikkende wielerschoentjes liep ik erheen. Een man in houthakkershemd, werkbroek en laarzen zag me lopen. Hij zette het apparaat stil en nam zijn oorbeschermers af.
‘Een egel!’ riep ik.
Meteen een lach op zijn gezicht. ‘Wacht even, ik pak iets!’
Keek naar malusappelbomen, herfstasters en laatste bloeiende dahlia’s en peinsde: hoe geef je coronaveilig een egel over?
Natuurlijk, een emmer! ‘Ik houd de rand vast, pakt u de handgreep.’
Met links de egel tegen me aangedrukt, rijkte ik met rechts naar het hengsel.
Op de bodem lag mos en herfstblad.
‘Dan  rolt-ie niet heen en weer,’ zei de man, en vervolgde: ’Tweemaal daags in de schemer loop ik langs het fietspad. Sommige dagen raap ik vijf egels. Ik breng ze naar de rommelhoek. Daar ligt blad, wonen padden, er staan egelhuisjes en ze kunnen onder het hek door kruipen naar het achterland.’
Ik prees de man zijn inzet en gaf hem de emmer met egel.
Behoedzaam pakte hij hem aan.
Van dit soort mensen mogen ze er meer maken.

Het gebeurde omstreeks halfvijf plaatselijke tijd. Scande boodschappen bij AH. Veertien artikelen, eindbedrag 22,22 euro. Geinig toch?
Tijdens pinnen hoorde ik zijdelings gesmoorde: ‘Tsjoe.’ Keurig volgens de regels: met mondkapje in elleboog.
Zei: ‘Gezondheid!’ Dat ging vanzelf.
‘Dank je,’ zei vrouw. Voor in haar winkelwagen zat klein blond jongetje.
Achter me bromde mannenstem: ‘Je mag geen gezondheid meer zeggen.’
Dacht: dat maak ik zelf wel uit, maar vroeg: ‘Van wie niet?’
‘Het mag niet! En het moet uit het woordenboek worden geschrapt!’ riep de vrolijke vent.
Toe maar.
De zojuist nog niezende vrouw en ik trokken onze wenkbrauwen naar onze haarlijn.
‘Van wie niet?’ herhaalde ik. Voelde me Mevrouw Van Dale Wacht Op Antwoord. Dat bleef uit. Was de hoofdgeitenbreier bezorgd om zijn welzijn? Leefde hij in angst door de pandemie?
Besloot het gezellig te houden. ‘Dat is goed. Maar alleen wanneer ze het vervangen door gezondheid in hoofdletters te schrijven.’

Ik ben verliefd! Met Joris’ zegen (so what?) Niet op een man, noch een vrouw. Het is delicaat want ik ben ferliefd op een…eh…kind. Een meisje met rood haar en ze heet Pippi. Met een kaart en kus door de brievenbus. Gekregen van Melody. Zijn ze geen schatjes?

Sodebillen!

Keek op de week (112)

Niet kijken! Niet kijken!
Snel omdraaien.
Te laat… Sodebillen, die heeft een kont! Lijkt wel op de twee bulten van een kameel. Kan ik met m’n maatje 38 niet aan tippen.
Met mijn rug gekeerd naar de gehurkte vrouw in het gras, constateerde ik dat ze geen ervaren wildplasser was. Dan had ze wel kronkelig zijpad ingeslagen. Hamer vergeten?
Ik riep ik Rosa. Flink hard, zodat billenmevrouw meteen was gewaarschuwd.
Een geluk dat Rosa een Oost-Indischdove hond is die zelden snel komt. Afleiding genoeg op onverharde wandelwegen. Daar kwam ze al aanrennen! Net nu ik dat niet kon gebruiken…
Keek snel in welke staat vrouw verkeerde. Ze sjorde aan haar broek, jas, tas en zette er een flink tempo in.
Mijn idee.

‘Goeiemiddag!’ riep ik terwijl ik slagerij binnenliep. Gevolgd door: ‘Dit is een overval!’ Ik lachte erbij maar dat ontging de twee klanten die zich omdraaiden en het personeel dat opkeek van hun werk.
Slager zei droog: ‘Ondanks je mondkapje hebben we je herkend, Mirjam. Als je je bestelling wilt, kun je er voor betalen.’
Heb dat toen maar gedaan.

Slecht nieuws: Bowie-concert in Ahoy eind januari 2021 is afgelast.
Goed nieuws: concert is verplaatst naar januari 2022.
Kwestie van ademhalen en doorgaan.

Erger me decennia dat wielrijders te licht worden bevonden bij snelheidsmeters op openbare weg.
Tot ik afgelopen week door keuterdorpje fietste.
“U rijdt te snel,” knipperde snelheidsmeter met rode chagrijnige ‘smiley’ eronder. Een snelheidsmeter uit de buitencategorie!
Maximale snelheid ter plaatse was 30 km/uur. Kon eigen snelheid niet meten wegens uitblijven van aanschaf nieuwe fietscomputer, maar reed dus minstens 31 km/uur. Mét strafpunten. Ik juichte. Eindelijk erkenning.

Regen, regen, regen…en een wind! Doorzichtige paraplu leidde spoedig eigen leven. Een balein brak, wind blies plu midden in m’n gezicht. Andere baleinen bleven in m’n haar hangen en scherm klapte dicht. In poging plastic uit gezicht te krijgen, draaide ik me om, wat het drama verergerde. Liet frustraties los op paraplu. De eerstvolgende persoon die me uitlachte, zou ik slaan. Zó’n stemming.
Boog thuis handvat en punt aan onderkant plu om (regenschermen zijn ook niet meer wat ze geweest zijn) knipte plastic ertussenuit en flikkerde alles in daarvoor bestemde afvalbak. Ja, ja, wij scheiden ons de neten.

‘Die is mooi!’ riep ik, wijzend naar rechthoekige lijst met vier sepiakleurige tekeningen.
‘Leonardo da Vinci,’ zeiden fietsenmaker en ik gelijktijdig.
‘Die heb ik gekocht op zijn tentoonstelling in Rotterdam.’
‘Wat dat in de Kunsthal?’
‘Nee, in het voormalige oude postkantoor. Zes jaar geleden.’
‘Pas vier jaar geleden werd ik fan, nadat ik zijn vuistdikke biografie had gelezen. Die man was een genie: architect, kunstschilder, uitvinder, wetenschapper, beeldhouwer…Knap, hè?’ zuchtte ik bewonderend. ‘Wat ben ik dan een kneus.’
We lachten.
‘Apart om die lijst in je winkel te hangen.’
Fietsenman zei: ‘Nee joh, ligt juist voor de hand.’
‘Hoezo dan?’
‘Hij was de uitvinder van het wiel!’
Zo’n gesprek is de krent op de taart, de kers in de pap.

De venijnige hond

Keek op de week (110)

Geen ouders, geen familie, geen vrienden, geen hoed, geen rechtentoga, geen champagne, en geen borrelhapjes. Het ging er koud aan toe tijdens de diploma-uitreiking aan het  Erasmus. Met wél een lifestream voor wie het van afstand wilde volgen.
Roos kreeg twee Master-diploma’s en getuigschriften van haar nevenactiviteiten uitgereikt: certificaat van de Honorclass, getuigschrift mentorschap van eerstejaarsstudenten, en voorzitterschap van koor Rotterdamsch Schoon. Een armvol! Wie zegt dat alleen de zon kan stralen? We voelden een onbekommerde woordeloze liefde.
Dag universiteit. Ook alweer verleden tijd.
Nu is Roos vierjaar lang promovendus in Eindhoven. Dat studeert maar door…

‘Ben je al in de botsautootjes geweest?’ vroeg ik eigenaar van notenkraam op de markt.
Pal achter zijn tentdoek schalde kermismuziek.
Man gaf ontkennend antwoord.
‘Zullen we samen gaan botsen?’ grapte ik in een impuls. ‘Oh nee, dat mag niet,’ corrigeerde ik mezelf.
‘Je mag ook niet botsen, hè?’ zei notenbakker. ‘Dan sproei je je uitadem naar voren.’
‘Laat die autootjes maar zitten. Doe mij maar een pond ongebrande walnoten en neem er zelf ook een.’

Er zaten twee dames te kletsen op bankje in Koeienbos. Rondom scharrelden drie honden. Liep dichterbij; Rosa in m’n kielzog. Ineens rende grootste van de drie op me af en – HAP-  zette z’n kaken in m’n rechterkuit.
‘AU!’ riep ik.
Dames zaten erbij, keken ernaar en zwegen.
‘Hij heeft me gebeten!’ riep ik verontwaardigd.
De vrouwen vertoonden totale geestelijk afwezig gedrag.
Vastbesloten ging ik heisa maken en minstens één vrouw tot leven wekken. Hief ballenwerper omhoog en deed of ik kuitenbijter een mep wilde verkopen.
Jongste vrouw – met loense blik – sprong op me af en riep: ‘Sla die hond niet! Die hond heeft een verleden!’
‘Als hij me nog een keer bijt, heeft-ie geen toekomst meer!’ riep ik dreigend.
Kuitenbijter liep almaar rondjes om m’n benen. Kreeg er het lazerus van. Had een rotschop in gedachten, of een knal met m’n knokkels op z’n kop.
Vrouw blafte me toe: ‘Loop weg en doe alsof er niets is gebeurd!’
‘Voel je je wel lekker? Ik ben je hondje niet. Laatste waarschuwing: doe je hond aan de riem voordat ik ‘m beschadig.’
Vriendin zei altijd: “Jij kan iemand de afgrond in kijken.” Ik keek Loensje de Grand Canyon in.
Dat hielp. Loensje slikte en voldeed aan mijn verzoek. Andere vrouw staarde intens op haar mobiel.
Ik riep Rosa. (Ze was erbij gaan liggen.) ‘Jij…’ zei ik zachtjes toen ze naast me liep. ‘Jij verdient óók een pak rammel. Wacht maar tot we thuiszijn.’

Zocht sanitaire stopplaats en sloeg linksaf polderweg in. Na 500 meter zag ik dikke boom waar ik fiets tegenaan zette. Hoorde direct opgewonden gefladder. Ach gut, ik – lomperik – had meerkoet schrik van haar leven bezorgd. In doodsangst had ze nest verlaten. Haar nest?
‘Nu nog eitjes?’ sprak ik haar bezorgd toe. ‘Het is half oktober! Waar moet dat heen met je kindjes als er straks vorst aan je kont komt?’
Meerkoet zei weinig terug. Niets eigenlijk.
Maakte foto en verschuilde me achter boom omdat ik ook foto van meerkoet óp nest wilde. Moe meerkoet was allesbehalve achterlijk en gluurde naar boom. Daar paste ik achter zonder buik in te houden, maar oké, zij won, anders kregen haar eitjes het koud. Pakte fiets en reed stukje verder.

Zee-land

Keek op de week (109)

Ik was er even niet (en daarna nog wat langer niet…)
Een week naar Zeeuws-Vlaanderen. Zon, zee, zand in zonovergoten Zeeland. Het was mieters (toen alle prikkels van inpakken, rijden en uitpakken na twee dagen gedoofd waren. Rosa was net zo van slag als ik.)

We hadden een huisje gehuurd.
Bij aankomst zei ik tegen Joris: ‘Het is net een caravan.’ Dát had ik nou net niet moeten zeggen.
‘Maar groter en luxer,’ haastte ik me. ‘Zelfs iets wat we thuis niet hebben: een tv in de master bedroom!’
Het mocht niet baten: Man is allergisch voor woord k(r)amperen.
Edoch, wie het laatst lacht, lacht het best.
Dertig graden, nog een week mooi weer voor de boeg, huisje op loopafstand van zee, en  wie was haar bikini vergeten?
Juistem!
Trok ik toch Joris’ zwembroek aan…

Driemaal raden wie z’n zwembroek was vergeten.
Mannen!

Hebben alleen maar gewandeld in vakantie. Over stranden en door duinen.
‘In Cadzand zit een souvenirwinkel,’ las Man hardop voor uit regionaal krantje. ‘Wil je daar naartoe?’
Ik? Naar een souvenirwinkel? Als het strand vol ligt met schelpen?
Nu zit ik in de regen met m’n schelpen hier.

Tegelijkertijd met ons waren buren week weg.
Stond bij terugkomst met buurman over onze gedeelde heg te praten. Rosa hoorde zijn stem – de buufman! – en zette het op lopen. Holde ons tuinpad af, tuinpad bij buren op, rende lángs buurman door openstaande voordeur naar binnen, linksaf de keuken in, legde voorpoten op het aanrecht en keek door het raam naar buiten. Naar de buufman.
Beste man bleef er bijna in.
Ik ook. Van schaamte. Zei beteuterd: ‘Dacht nog wel dat ik een opgevoede hond had.’
‘Meid, wees blij dat het niet helemaal gelukt is, dan had ik dit gemist!’ riep buurman schaterend.

Fietste langs notenbomen. Beneden langs dijk liepen oude vrouwen in lange jurken en hoofddoeken, noten te rapen die ze in een tas gooien. Een jongeman hing verveeld tegen een boom en krabde aan z’n kruis. (Ooit een vrouw in het openbaar aan haar kruis zien krabben? Ik ook niet.) Een regelrechte aanslag op mijn netvlies.
‘Zou je je handen niet eens uit je mouwen steken?’ floepte ik eruit.
‘Ja joh,’ riep hij geïrriteerd. ‘Ik draag straks DAT tas naar huis.’
Ah…een domme kracht.
Voerde daarna bestraffend gesprek met mezelf: Bemoei je niet overal mee! Wellicht heeft die gast last van z’n rug of knieën.
Mijn innerlijke stem hield vol: hij kan die oudjes toch wel helpen? Of hij is lui, bang om te zweten, draagt een onderbroek die bij elke beweging in z’n naad schiet of het is de hoogste tijd dat-ie door iemand wordt afgeblaft.
Bestraffende stem zei: en wie ben ik om er iets van te zeggen?
Niemand. Ik ben echt helemaal niemand…
Had ik maar zelfreinigend vermogen. Ik ging maar weer eens piesen.

Koeienbos doet naam niet langer eer aan. Laatste loslopende rund werd op haar hielen gezeten door boer op een quad. Vergde acceleratie, remvermogen en stuurmanskunst.
In klaarstaande laadwagen stond al een lotgenoot te wachten. Toen opgejaagde koe arriveerde bij laadwagen deed zich aloud fenomeen voor: you win some, you lose some.
Eenmaal samen ingeladen loeiden ze luid ter protest.
‘Kom op, meiden!’ riep jonge boer monter.
Ik vroeg: ‘Zijn ze op vakantie geweest?’
‘Ja, en dit ritje wordt hun schoolreisje terug naar stal.’