IJzingwekkend

Keek op de week (123)

Nieuw jaar, nieuwe boeken- alias leeslijst. Roos heeft ‘m voor me getekend in schrift.
Bij de weg: vissenkom en schudbol zijn grapjes. Rest getekende attributen staan in woonkamer. Houten kist is schatkist van Vriendin.

Roos is verhuisd. Woont alweer tijdje samen met vriend Dirk. Nog steeds in Brabant maar halfuur dichter bij ons! Kind zei afgelopen weekend voor het eerst thuis, waarmee ze Brabant bedoelde. Ben ik blij mee. Eindelijk is ze gewend.

Juist op moment dat ik werkkamerdeur van Man opende, riep hij monter: ‘Hi guys!’
Op computerscherm zag ik drie onbekende mannenhoofden.
Daar stond ik met thee en chocolade.
Hoofden amuseerden zich.
Zei: – blij kijkend – ‘Roomservice!’ en draaide me razend en ook snel om.
Razend want Man had gezegd dat hij ging bellen zónder beeld erbij.
Blufte naderhand: ‘Volgende keer wanneer je videobelt, serveer ik ijsthee in Pippi-Langkousschort met niets eronder. Voor camera prop ik al jouw chocolaadjes in míjn mond, en voor ik wegloop, laat ik een scheet.’
Man kreeg ademnood. Na enkele minuten, vroeg hij: ‘Wil je hahaha! wil je dat ah-hah-hals-je-blie-hieft doen? Ma-ha-haak hahaha! ik een filmpje.’
‘Je speelt met je leven,’ waarschuwde ik. ‘Om te beginnen zet ik beneden cv uit. Roest je in je werkkamer vast aan je stoel.’
Joris snikte.
Was me raadsel of dat van pret of ellende was.

‘Krijg ik nou nog je verlanglijstje?’ appte Roos voor zoveelste keer.
‘Wordt aanslag op je spaarrekening,’ waarschuwde ik.
‘Koóóóóm maar,’ antwoordde ze.
Lastig als je eigen gebroed jouw vocabulaire adopteert.

Speelde ontvangstcomité.
‘Weet je wat ik zag?’ vroeg Man met rode neus en oren. Onderwijl trok hij jas, sjaal en schoenen uit. ‘Een man in zwemshort en badmuts haalde bij surfplas ijs langs de kant weg en stapte in het water.’
‘Bij deze temperatuur? In verregande staat van ontkleding?’ vroeg ik. ‘AfgrIJSelijk!’
Joris knikte en zweeg zodat ik er goed beeld bij kreeg. Voldaan vertelde hij verder.
‘Hij dook onder en kwam tien meter verder met z’n hoofd door het ijs omhoog. Zijn dochtertje op de kant filmde het. Ik liep door, keek steeds achterom, kerel zwom gewoon door!’
‘Wat je gewoon noemt,’ rilde ik.
Heb advies gezocht voor wie ook ijzingwekkende toer wil uithalen. Begin met ’s avonds emmer koud water buiten zetten, en gooi dat volgende ochtend over je heen. Water is tien graden kouder dan douche. Wie durft?

Treurig nieuws dan. Favoriete horeca van Roos en mij is verkocht. Lunchten daar; ook scheepje varen theetje drinken. Stond aan rand van natuurgebied en ideale locatie voor wandelaars en fietsers. Royaal terras, hond mocht mee (ook naar binnen). Vriendelijk personeel. Toen ik bierkaart in Roos’ mayonaise liet vallen, waren ze begripvol. Het voelde als een gezellige kroeg. Wat kon er fout gaan? Precies. Alles.
Pand wordt gesloopt en ze gaan daar appartementen bouwen. Appartementen! Begrijp keuze van eigenaars maar jammer blijft het.

“Doe mee aan vitalitietsactie!” schreeuwde spaarkaart. “10 zegels van kiwi’s plakken en maak kans op 1 van 500 decathlonbonnen.”
Man en ik vreten groene krengen bij het leven en ik WIL zo’n bon winnen. Vraag is: op wiens naam zetten we spaarkaart? Opperde mijn naam. We winnen – zeg maar gerust- nooit iets.
‘Jij zeker niet,’ zei ik tegen Man, ‘want jij hebt geluk in liefde.’
Na urenlang debat waren Joris en ik eruit: zetten vier spaarkaarten op Rosa’s naam. Als dat geen geluk brengt…

De drie musketiers

Keek op de week (121)

Lieve lezers ♥
Bedankt voor jullie trouwe bezoekjes, aanmoedigingen, en warme reacties op mijn blog. Jullie appjes, kaarten, e-mails en cadeautjes. 
Ga daar vooral mee door.  Dat we lief zijn voor elkaar in het nieuwe jaar, en dat het beste van 2020, het slechtste mag zijn in 2021!

David Bowie-kalender hangt. 2021 wordt in keuken kleurrijk jaar.  

Las oud interview.
“In de week van Sonja Barends tachtigste verjaardag: vragen die ze ooit stelde aan haar gasten, nu door haarzelf beantwoord.
‘Word je op je oude dag mild?’ (aan Annie M.G. Schmidt, Sonja op zaterdag 1991.)
‘Annie zei toen precies hetzelfde als wat ik nu zeg: vooral níet doen. Vooral je overal mee blijven bemoeien, je ontzettend blijven opwinden. Ik vroeg haar hoe je oud wordt. ‘Doorroken en vreemdgaan,’ was haar antwoord. Annie Schmidt was als beste in staat om elke vraag met humor te beantwoorden. Zó ontzettend leuk. Ik hou sowieso van leuke, verstandige, opgewonden oude mensen.'”
Besloot terplekke om leuk, verstandig, opgewonden, oud mens te worden. Goed begin voor rest van m’n leven!

Onverwacht doken op wandelpad in Koeienbos drie pubers op één scooter op.
Rosa liep schuin voor me.
‘Ik rijd over je hond heen!’ riep bestuurder.
‘Steek ik m’n paraplu in je voorwiel!’ beloofde ik. Het was een kwestie van dertig centimeter met de tweepersoonsstormparaplu. Voelde me in m’n eentje de drie musketiers.
Bestuurder maakte slalom om Rosa heen. Achterste puber gleed net niet van scooter af.
Ze scholden me verrot.
Ik kon alleen maar lachen.

Foeterde: ‘Shit.’
‘Doe je?’ vroeg Man.
‘Trek lipje van rits van overschoen stuk.’ Inspecteerde restant. Pakte ijzertangetje en wikkelklos ijzerdraad uit keukenlade.
‘Knip je niet in je rug?’ plaagde Joris.
Rukte ijzertje uit overschoen, en knipte ijzerdraadje af.
‘Lukt je niet,’ aldus Man.
Vatte dat op als aanmoediging. Wurmde tweemaal draadje door rits, draaide ze als rondje om elkaar, en trok rits omhoog.
‘Dicht!’ riep ik triomfantelijk.
‘Zo kan je niet over straat,’ zei Joris. ‘En het gaat roesten,’ ging hij verder.
‘Doe je vandaag een rotte appel na?’ vroeg ik, terwijl ik tang plus klos in z’n handen duwde. Stapte op fiets en klikte in pedaal. Echtgenoot zwaaide me na. Dat dan weer wel.

Liep AH uit.
‘Zo Mirjam, sinds wanneer ben jij een meeloper?’ snoof J.
J., te lui om uit haar ogen te kijken. Haar dochter zat bij Roos in klas lagere school. Nimmer assisteerde J. bij pannenkoeken bakken voor kerstontbijt; begeleiden spelletjesochtend in sporthal; meelopen naar zwemles. Wél altijd commentaar. Een wel-lullen-niet-poetsen-type. Met de hersencapaciteit van een amoebe.
‘Buiten hoef je geen mondkapje op,’ riep J. ‘Doe dat ding af en snuif de wintervitaminen op!’
Dacht dat ik in tweeën brak van de lach. ‘Vitaminen hangen niet in de lucht, die krijg je binnen via je voeding. Is die ene hersencel die je had nou ook kapot?’
‘Mondkapjes hebben geen nut. Dat is de waarheid!’ riep J. zwaaiend met een wijsvinger.
‘Weet je wat jij moet doen? Solliciteren bij de Jehova’s getuigen. Daar zitten ze te springen om domme volgers zoals jij.’
Had voordeel dat J. geen mondkapje droeg: zag haar onderkaak op stoep vallen.

Aan overkant – in Kruidvat – ontving ik waar voor mijn geld. Medewerker lachte hard toen hij tekst op m’n mondkapje las.

Drama’s en een wonder

Keek op de week (120)

Dacht: kort rondje fietsen – 50 kilometer – in twee uur uit en thuis. Liep anders. Reed lek bij Gouda. Wederom langs IJssel. Was ineens finaal uitgekeken op rivier.
Eenmaal binnenband verwisseld, kwam er geen zucht meer uit m’n pompje. Dood. Slechts fatsoen weerhield me pomp in rivier te smijten.
Moest toevallig passerende wielrenner om hulp vragen. Ellendig was dat. Ongevaarlijk ogend exemplaar verleende eerste hulp.
Reed tweede keer lek onder vermaledijde brug der zuchten. Terwijl ik binnenband verving, hoopte ik op pompwonder. Bleef uit. Koud, nat, geen wielrenner te bekennen…Schoot van ergernis foto.
Moest iets doen uit categorie Nog-Nooit-Gedaan. Belde Joris of hij me met fiets wilde ophalen. Hij was midden in polder aan wandel met Rosa.
Echter, het geluk was met mij: Roos was thuis.
Deed gloedvolle oproep; mijn smeekbede werd opgepikt. Kwam mij in haar vaders auto (!) ophalen. Toch nog sprake van wonder.

Volgende dag: een pakje. Voor mij! Langwerpig; lag aangenaam zwaar in de hand.
‘Wanneer heb je dit besteld?’
‘Vijf dagen geleden. Werkt op batterijen,’ voegde Man eraan toe. Hij had er duidelijk lol in.
‘Te zwaar voor een tandenborstel,’ constateerde ik.
Joris’ grijns werd breder.
‘Word ik er blij van?’
‘Heel, héél blij,’ lachte Man. Eerst schudde z’n hoofd, daarna z’n hele lijf. ‘Hoe langer je het gebruikt, hoe warmer je het krijgt. Dat krijg je van dergelijk speelgoed.’ Na blik op mijn gezicht, stikte hij bijkans van plezier. Kreeg woorden nauwelijks uit z’n mond. Dit stadium kende ik. Slechts seconden verwijderd van rollend oogvocht.
Rukte verpakking open en viel flauw van begeerte.
‘Mag jij jokken?’ vroeg ik, schuddend met cadeau. ‘Dit heb jij geen vijf dagen geleden besteld. En hier zitten ook geen batterijen in!’
Man kón niet meer.
Wie lachte het laatst? Ik, ik, ik! Mét nieuwe, futuristische pompje.

Balen, die lockdown. Geen gezamenlijke kerstdis. Geen familiequiz. Had revanche willen nemen op Joris die vorig jaar won. Onverdiend uiteraard. Slijp alvast messen voor volgend jaar.

Hoorde Roos diverse malen streng ‘Uit de keuken!’ roepen tegen hond.
Kind bereidde tongstrelend toetje en had weinig trek in belangstellende hond. ‘Mam! Rosa luistert niet naar me,’ deed Kind haar beklag.
Wierp blik in keuken. Hond strekte voorpoten, slaakte zucht en legde kop op poten. ‘Logisch,’ zei ik, ‘Rosa denkt: woon jij hier of ik?’

‘Buren daar,’ wees ik naar huis bij plaatselijk verharde boerenweg, ‘hebben boom buiten volhangen met vuurpijlen,’ spuugde ik thuis m’n gal. ‘Aanslag op volksgezondheid. Ze verkleuren van rood, oranje van groen naar geel, en spuiten wit weg. Daarna begint feest overnieuw. Krijg er kortsluiting van in m’n hersenen.’
‘Daar is weinig voor nodig,’ grijnsde Joris. ‘Heb je gezien wat er in hun huiskamer tegen de muur hangt?’
Zei geëgerd: ‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Schaterend zei Man: ‘Moet je doen! Het zal je bevallen.’
Reed dag later voorbij en gluurde naar binnen. Tegen achtermuur hing knipperend neon-festijn in vorm van fiets.
Man wachtte me bij voordeur op. Z’n ogen glinsterden. ‘En?’
‘Je stelt me teleur.’
‘Ik wilde het je volgende kerst cadeau geven,’ schaterde hij. Het water stond wederom in Joris’ ogen.
‘Zet ik er 220 volt op. Op jou!’ riep ik.
Echtgenoot ging stuk: ‘Ik wist het!’
‘Wat zit er laatste tijd door jouw rode wijn?’ vroeg ik. Zuchtte er dramatisch bij. Man was onbereikbaar voor commentaar.

Bedankt voor jullie lieve kaarten!

Gloeiwijn, kakies en een nijlpaard

Keek op de week (119)

Fietsgroeten uit Gouda

‘Poets je alweer je fiets?’ vroeg buurman verbaasd.
Staarde nog verbaasder terug. ‘Het regende. De weg is nat; tussen m’n ketting en derailleurwieltjes zit zand. Eerst alles schoon voordat ik ga douchen.’
‘Eerst je paard verzorgen en dan pas de herberg in?’
‘Ja, precies!’
‘Hoe vaak heb je je auto dit jaar gewassen?’
‘Eh…nul. Een schone auto vind ik niet…essentieel.’
‘Essentieel is wel het woord van de week, hè?’ vatte buurman strenge lockdown samen. ‘Wat zat er in je bidon?’
‘Gloeiwijn,’ zei ik.
‘Watteh?’ Zijn wenkbrauwen trokken een brede, diepe streep.
‘Glühwein,’ lachte ik.
Wat denk je? Geloofde hij me niet.

Wilde fiets wegbrengen voor winterbeurt; blijkt fietsspecialist niet onder essentiële winkels te vallen. Vreemd. Héél vreemd.

Kwebbelden er als vanouds op los. Op afstand.
‘Zo loop ik niet,’ zei ik wijzend naar kudde vrouwen met roedel honden.
Simultaan sloegen Baas en ik zijpad in. We riepen Rosa en Puck.
Baas mopperde: ‘Ongelofelijk! We zitten in lockdown en zij laten met z’n tienen de hond uit. Aan de anderhalvemetermaatregel hebben ze schijt.’
‘Kennelijk zijn ze niet gehecht aan hun gezondheid en die van hun naasten. Vorige week omzeilde ik ze met een grote boog, en vroeg er eentje: ben je bang voor ons?’
‘Wat zei je.’
‘Ja, ontzettend.’
‘Op dezelfde verveelde toon?’ proestte hij.
‘Uiteraard.’
‘Vreselijk, die zeikwijven,’ luchtte hij z’n hart. ‘Je kijkt of ik dat niet mag zeggen,’ schaterde hij.
‘Trek u van mij niets aan, andersom doe ik dat ook niet.’
Baas lag dubbel. ‘Van mijn vrouw mag ik geen wijven zeggen. Laat staan zeikwijven.’ Hij wees: ‘Er staat altijd één man tussen. Die met die Dalmatiër.’
‘Is me nog nooit opgevallen.’
‘Hij geeft honden kluiven uit een pak, en vrouwen krijgen kakies.’
Wij keken naar tafereel aan overkant vijver. Blijkbaar waren hondenkluiven verdeeld, want kerel deelde kaakjes uit een pak. Bij sommige vrouwen stopte hij er zelfs een in de mond.
‘Dit trek ik niet,’ zei ik. ‘Ik denk dat ik thuis maar even ga liggen.

Roos kwam paar dagen naar huis. Ik stond bij thuiskomst naast Rosa te kwispelen. Goed dat Kind kwam, anders was kerstboom nu nog niet opgetuigd. Man haalde ding voor 23-ste achtereenvolgende jaar van vliering. Telkens versteld dat er wederom twaalf maanden waren omgevlogen.
Ik mis een loslopend dwars huiskonijn dat met haar neus ballen uit boom tikt, onder boom door tijgert, en blijft proberen of nepdennennaalden te vreten zijn.
Kunnen nu wel ingepakte cadeaus onder boom leggen. Zónder dat papier eraf wordt gerukt met voortanden, of we volgende ochtend speurtocht naar verplaatste cadeaus moeten starten.

Melody (klik) en ik hebben een nijlpaard in Wildlands geadopteerd! (Weten nog niet wie voorste of achterste helft wil. Of het midden…) Met adoptie steunen we behalve ons nijlpaard óók neushoorns (neushoorns, ja) in het wild, zodat deze beter tegen stropers worden beschermd.
Persoonlijk zou ik geen nijlpaard in het wild willen tegenkomen want ze staan bekend als gevaarlijkste dieren van Afrika. Zou je niet zeggen als je naar de foto kijkt, hè?
Ook een dier een plezier doen? Klik HIER of lees voor meer info bij Mel.

Foto van Melody

Kunstenaarsdagboeken

Keek op de week (118)

Had anderhalf uur met Rosa in stromende regen gewandeld.
Baas, zullen we Charlotte gedag gaan zeggen?
Nam smekende hondenogen serieus. Aldus togen Rosa en ik naar epicentrum van ons dorp: de dierenwinkel. Worden daar altijd blij verwelkomd (waarvoor beslist basisgave noodzakelijk is.)
Dat was 1 decembro, dag van de invoering van de mondkapjesplicht in alle openbare en overdekte ruimten.
Na prettige babbel (met mijnerzijds beslagen brillenglazen) vroeg ik: ‘Komt iedereen gemuilkorfd binnen?’
‘Heb één mevrouw geturfd. Die was ‘m vergeten, zei Charlotte. ‘Ik ben niet van de BOA; er was geen andere klant; en we ventileren ons zowat een longontsteking, dus ik liet haar begaan. Na het afrekenen, trok ze een mondkapje uit haar broekzak en zei ze pesterig: “Ik had geen zin om ‘m op te zetten.”’
‘Zat ze maar op een schietstoel,’ zei ik hardgrondig. We schaterden, waarna we vrouw met een zeker sadistisch plezier ernstige jeuk op onbereikbare plekken plus holtorren toe wensten.
Deed aankoop en rekende af. ‘Dus,’ begon ik, ‘als ik nu naar buiten loop, mondkapje afdoe, en één stap binnen zet, turf je twee streepjes op je lijstje?’
‘Doe maar,’ zei Charlotte, ‘ik weet dat jij dat anarchistische gedrag soms nodig hebt.’
Als klap op de gelukspijl kreeg Rosa – omdat ze lief “zat” – per uitzondering twéé hondenkoekjes.
Buiten lasten ze zowaar een dweilpauze in.

Heb gestemd op Top 2000 met 35 nummers! Had er met gemak nog 35 uit m’n mouw kunnen schudden. Volgens democratisch principe: meeste stemmen gelden, wat stem jij? werd Danny Vera met Roller Coaster (luisteren? Klik hier niet) nummer 1.
Da-hag Bohemian Rhapsody! Wie had dat gedacht?
David Bowie met Heroes staat op 10. Graag gedaan! (Al heb ik zanger hoger zitten.)

Had trek in pijnstillers. Legde bij drogist pak(je) paracetamol, ibuprofen en inlegkruisjes op de toonbank.
‘Het gebruik van de pijnstillers is u bekend?’ informeerde intens vrome drogist.
‘Ja, dank u,’ zei ik, en veroorloofde me klein grapje. ‘Het gebruik van de inlegkruisjes is me ook bekend.’
‘Nou,’ zei drogist – zonder enig spoortje vermaak – ‘een grapje op z’n tijd moet kunnen.’

Kwam artikel tegen in verzameling ge-erfde spullen van Vriendin.
Dacht altijd dat ik maar wat kliederde, plakte en versierde in schriften maar blijk kunstenaar te zijn! Een ware ster in het maken van artist jounals, oftewel kunstenaarsdagboeken.  Eindelijk word ik voor vol aangezien want “Leonardo Da Vinci maakte ze ook.”  Al is mijn  verzameling quotes, tekeningen en ingevingen minder indrukwekkend dan de zijne.
Las verbaasd dat je zelfs cursussen in “art-journal” kan volgen waarbij er – hahaha, dat  moest er nog bijkomen! – geen regels zijn.
Bewaar interviews, bioscoopkaartjes, kaarten en gedichten.
Heb vitamine-C-pagina: bladzijde met stickers van verorberd fruit.
Pagina (losgeweekte) postzegels met vuurtorens.
Een tekening (van Roos) over twee pagina’s: planken vol ruggen van nog te lezen boeken.
Geplande routes voor reizen over oude landkaarten die ik bij kringloopwinkels koop. In m’n hoofd reis ik grenzenloos. Fantasie brengt je overal!
(Foto toont slechts greep uit mijn collectie…)

Lek langs de IJssel

Keek op de week (117)

Bonk-ka-bonk-ka-bonk. Eerst dacht ik : negeren, je rijdt door kuilen, maar m’n hersenen wisten beter: lekker achterband. Nergens beschutting langs de dijk. Wiel eruit (handen warmblazen), binnenband eruit peuteren (handen warmblazen), nieuwe erin (handen warmblazen, oppompen (handen warmblazen) en wiel erin. Hing kapotte band met knoop erin als een sjerp om m’n nek. Klaar. Ik was bijkans bevroren. Maakte van ergernis een foto van industriepand aan overkant van de IJssel. Mopperend stapte ik op. Moest ik thuis ook nog bandjes plakken. Twee andere hingen reeds te wachten in de garage.

Koud een kilometer verder: racefiets kopen en ernaast gaan lopen. Was het besmettelijk? Hing het in de lucht? Ook een platte achterband. De oudere wielrenner ernaast liep me tegemoet; zijn ziel onder zijn arm. Traanden zijn ogen door de wind?
Ik stopte. ‘Meneer, heeft u materiaal nodig?’
‘Nou…als dat zou kunnen…’ begon hij voorzichtig. ‘Heeft u plakspullen?’
‘Nee, wel een binnenbandje.
‘Ik heb geen geld bij me. Alles vergeten: m’n bidon sportdrank, bidon met reservemateriaal, telefoon, zelfs de huissleutels. Ik kan wel geld naar u overmaken.’
‘Hoeft niet. Het bandje is een thuiskomertje, eentje met vier plakkers.’
Aan de slag. Wiel eruit. Ik rijkte een voor een wippers aan. Voelde me net een operatie-assistente met ijshanden. Van kou kregen we loopneuzen. Haalden wij eerst nog op zo beschaafd mogelijke wijze onze giechel op, dra werd het onfatsoenlijk. Fietsers onder elkaar; snuiten was bovendien niet coronaproof.
Ik kreeg zijn binnenband en overhandigde hem mijn thuiskomertje.
‘Twee weken geleden is m’n beste vriend – m’n fietsmaat – overleden.’ Zijn zin kwam uit het niets.
Ik zocht naar woorden. ‘Sorry voor uw verlies. Ik snap wel dat uw spullen nog thuis liggen.’
De man knikte. In stilte werkten we verder.
‘Kunt u uw huis in?’ vroeg ik.
‘Ja, mijn vrouw is thuis.’
Zijn fiets weer compleet, zei hij hardgrondig: ‘Godsamme! Kouwe klauwen!’ Gevolgd door:  ‘Oh, pardon.’
Ik schoot in de lach. ‘Ik heb ook kouwe klauwen.’
‘Was het daar maar bij gebleven,’ lachte hij.
‘Volgens mij ontdooi ik niet meer voor Nieuwjaarsdag.’
We schaterden. Werd het toch nog gezellig. We wensten elkaar wel thuis en fietsten in tegengestelde richting weg. Prompt wist ik wat leuk was aan vier bandjes plakken: solutie snuiven.

Droomde dat ik in het huis van mijn oma en opa stond. Wakker, dreven herinneringen omhoog. Hun huis in Kralingen had een ornamentenplafond en spionnetjes aan de gevel. In de straat zat een bakker. Daar rook het naar kadetjes en appeltaart. Bij de Jood (een Geuzennaam) naar bitterballen, en bij de smid naar paardendrollen. In oma’s huis rook het naar groene zeep, en op zaterdag naar groentesoep.
De bakker verdween. Ervoor in de plaats kwam een winkel met afgeplakte boekjes en vreemde voorwerpen in de etalage.
Broertje en ik mochten niet naar de onbekende attributen kijken. Deden we dat toch dan zouden onze ogen voorgoed scheel blijven staan. Dat was de enige keer dat we oma op een leugen betrapten.