Auteur archieven: Mirjam
Broodnodig
‘Dat brood wilde ik net pakken,’ zegt een zeurderige stem.
Geïnteresseerd draai ik me om en kijk in het verbaasde gezicht van een man die het laatste exemplaar van een Pain de Boulogne in zijn handen houdt. Hij is modieus gekleed en dat zie ik graag, zolang hij maar wel op een armlengte afstand blijft.
De stem – die klonk als die van een dreinend kind – behoort toe aan een volwassen vrouw. Ze trekt een ongelukkig gezicht. Is ze werkelijk zo gebakken op dat speciale brood?
Ik eet bijna geen brood meer, maar áls ik het eet, is dit ook mijn favoriete brood. Heel donker, een knapperige rand, en met een lik roomboter en een plak kaas smaakt het naar een gebakje. Wat wil een mens nog meer? Een heel brood.
De man twijfelt. Er ligt nog brood voor een heel weeshuis in de schappen, dus waarom doet de vrouw zo moeilijk? Hij bekijkt haar wat beter. Ze ziet er gezond van geest uit, type Hollandse boerin met kleur op haar wangen en brede schouders, en met een gezicht als een zuurpruim maar dat is logisch met zo’n neus.
De man besluit de vrouw te negeren en zich te concentreren op zijn boodschappenbriefje. Heel verstandig.
De vrouw echter geeft nog niet op en herhaalt als een kapotte grammofoonplaat dat zij dat brood wilde pakken.
Zou ze gedronken hebben? Dat kan natuurlijk ook nog.
Ik treuzel bij de gevulde koeken, want ik wil weten hoe dit afloopt.
De man is onzeker over de te volgen strategie. Langzaam gaan zijn handen in de richting van het heel bruin, en hij stelt voor: ‘Zullen we allebei een halfje nemen?’ Zijn handen met het brood gaan al richting de medewerkster van de broodafdeling.
Wat een aardige, tolerante man!
De vrouw zegt brutaal: ‘Mag ik het hele brood?’
Eén moment is de man bevroren. Dan wordt zijn gezicht zo rood dat ik vrees voor zijn bloeddruk.
Als hij geen “nee” durft te zeggen, wil ik dat wel voor hem doen.
Maar het kan hem allemaal niets meer schelen: of ze nou kierewiet, beschonken of extreem onintelligent is, hij legt het brood terug in z’n karretje en gaat er plankgas vandoor. Binnensmonds mompelt hij wat hij van de vrouw vindt.
De bakkersvrouw verbergt haar lachende gezicht achter een grote stapel versgebakken appeltaartjes. Je houdt altijd baas boven baas, natuurlijk.
Eeuwige sneeuw
De winter is zelden zo hardnekkig geweest. Hadden ze de sneeuw eerst in centimeters geteld, weldra waren dat decimeters geworden, waarna de sneeuw hen boven het hoofd was gevallen. Het is dat ze geen koelkast hebben anders hadden ze die opengezet om de kamer te verwarmen.
Er rest hen niets dan het houten geraamte van het huis. Daarbinnen is alles opgebrand. Katinka heeft eerst de poten van het bed afgezaagd waarna de onderkant er aan moest geloven. Een voor een heeft ze de weinige boeken prijsgegeven aan het vuur van de potkachel. Gods woord deed er niet langer om over as te worden dan de lettergrepen van Tolstoi of Konsalik. Na de houten tafel en stoelen, verstookte ze hun enige wodka-vat. Het belangrijkste is dat de temperatuur van het huisje boven het vriespunt blijven, anders zijn hun uren geteld.
Aleksandrj ligt ineengedoken onder een stapel dekens. Sinds hij in de oorlog een been is verloren, is er weinig beweging in de man te krijgen; alsof hij langzaam is uitgedoofd.
Katinka probeert haar man zoveel mogelijk bij het dagelijks leven te betrekken, maar kan zelden op zijn steun rekenen.
Knorrig van de kou staart ze naar het steeds kleiner wordende vlammetje. Ieder moment kan de dooi inzetten. De wind is gedraaid en waait nu uit de goede hoek. Er zijn zelfs smalle reepjes blauw zichtbaar in de lucht en zodra de zon maar even schijnt, is het met de ergste kou gebeurd.
De warmte tussen haar en haar man is verdwenen en de honger en nietsontziende winterkou heeft er nog een schepje bovenop gedaan. Er is één laatste kans om het vuurtje levend te houden, maar hoe vraagt ze het Aleksandrj? Wat verwacht hij eigenlijk van haar? Dat ze net als hij sneu in een hoekje gaat liggen? Doodgaan ziet Katinka niet zo zitten.
Ze staat op, priemt haar wijsvinger tussen de stapel dekens tot ze een reactie hoort, en spreek op gebiedende toon: ‘Aleksandrj, wees een vent!’
Onder de dekens beweegt een bult die zichtbaar wordt als twee handen de berg dekens opzij duwen. Boven een verwilderde baard kijken de ogen van haar man haar gealarmeerd aan. Hij weet dondergoed wat er van hem verlangd wordt.
Katinka’s strenge gestalte torent boven hem uit. Haar gezicht – kouder dan het ijs buiten – verzacht als ze beseft welk offer ze van haar man vraagt. ‘Je móet me helpen het vuurtje brandend te houden, Aleks,’ pleit ze.
Haar man kruipt onder de berg vandaan; zijn adem in stevige stoten. Ondanks de traan die over zijn stoere gezicht biggelt, kijkt hij zijn vrouw woedend aan. Dan zuigt hij zijn longen vol lucht – een dappere prestatie in de stinkende kamer – maakt de gulp van zijn broek los, vervolgens de knoop en trekt zijn broek moeizaam naar beneden. Met grote tegenzin pakt hij zijn houten been en overhandigt het aan zijn vrouw.
Zoenend naar de overkant
Voor C.
‘Weet je het zeker dat je het alleen kunt?’ vraagt de vrouw die ik Dominique mag noemen.
Ze kijkt me nauwlettend aan. Ze is niet alleen bezorgd om mijn welzijn; ze wil ook geen toestanden.
Ik knik zelfverzekerd. Als zij mij zegt welke knop ik moet indrukken, lukt het wel.
Maar laat ik bij het begin beginnen.
Mijn man en ik hebben elkaar voor ons werk op de Brienenoordbrug leren kennen. Logisch dat we voor ons trouwen foto’s op diezelfde brug hebben laten maken.
Vlak daarvoor hebben we een intentieverklaring afgelegd waarin we beloofden zo goed mogelijk voor elkaar te zorgen. En die belofte zijn we nagekomen tot het gaatje. Zijn gaatje.
Mijn man had een bloedtransfusie gekregen en al na een halve dag had de kanker de helft van zijn verse rode bloedlichaampjes opgevreten. Toen de morfinepomp ook niet langer toereikend was, zei hij tegen me: ‘Ik ben er klaar mee.’
Ik gaf ‘m groot gelijk.
Zijn moeder was tegen euthanasie maar toen ze zag hoeveel pijn hij had, zei ze: “Het is goed, jongen, ga maar.”
Terwijl wij elkaar intens zoenden, heeft hij afscheid genomen van het leven. Wij waren op dat moment heel rustig. De aanwezige artsen moesten huilen.
We hebben zo’n intens leven gehad. Met modderige dalen en bergtoppen vol eeuwige sneeuw. Er is niets onbesproken gebleven. Ik ben onze verklaring met alle liefde nagekomen. Nu sta ik hier om zijn wens te vervullen. Het zwaarste laatste loodje.
In zijn Landrover heb ik zijn kist naar het crematorium gereden. Het is een mooie kist van steigerhout met touw rondom als handvatten. Robuust en sterk. Net zoals mijn man was. Uit gewoonte zette ik de radio in de auto aan en meteen weer uit, want ik vond het ongepast. Toen kwamen de tranen.
Ik adem diep in.
De bovenkant van mijn jurk wijkt een beetje. Hij is niet alleen oud maar ook iets te groot geworden.
Dan…drie…twee…één…druk ik op de mij aangewezen knop.
De hitte van de oven zal goed passen bij de kleur van mijn cerise-rode jurk. Mijn trouwjurk. Die heb ik vanochtend in een opwelling aangetrokken, want waar je aan begint, dat moet je afmaken.
Leer vloeken
Boeren kennen het gezegde: “Neem een geit en leer vloeken.”
De eerste staat namelijk garant voor het tweede.
Geloof me: met een bruine labrador kom je een ook heel eind.
Toen we Rosa pas gehaald hadden, schreef een vriend: “Weet waar je aan begint. Het zijn bruine donders.”
Had ik Rosa toen maar meteen teruggebracht, maar ik was natuurlijk eigenwijs…
In de polder mag ze loslopen. Aan het eind van onze ronde roep ik haar.
Luisteren? M’n naadje.
Wat ik ook probeer, niets helpt: doorlopen zonder omkijken, flemen, een zalvende pathos, roepen, fluiten, uitschelden in vloeiend Rotterdams – je begrijpt: hier laat iemand zich meeslepen – maar Rosa verblikt of verbloost niet.
Na een kwartier ben ik het zo zat, ze bekijkt het maar! Ik kan amper wat zien, want m’n bril is zeiknat van de regen, en ik heb het koud. Hare hoogheid is gechipt, ze weet waar ze woont, ze ziet maar hoe ze thuiskomt.
Ik stap in de auto en rijd weg.
Wat ik hoop, gebeurt: Rosa komt in allerijl uit de bosjes gestoven.
‘Bitch!’ mopper ik goedkeurend. Ze stormt op me af, ik stap uit zodat ze op haar zeil in de kofferbak op de achterbank kan springen.
Een tel kijkt ze me aan. Haar blikt zegt: fuck you, baasje, ze draait zich om en rent achter me langs een sloot in waar een stel eenden hun roes ligt uit te slapen. Als het gevogelte is opgejaagd, klimt Rosa weer op de kant, en loopt doodleuk vlak voor me langs het weggetje over naar de andere kant. Daar gaat ze door modderplassen lopen banjeren.
Ik ben in staat me wenend ter aarde te storten, maar ik vertik het.
Een half uur en talloze gebeden later, loopt ze schoon het huis binnen. Daar gedraagt ze zich als een hysterisch opgetogen hond. Terwijl ze anders na een uur rennen, bewusteloos neerstort op haar plaid, gedraagt ze zich als een adhd-puber die de woonkamer afbreekt. Ze doet alles waarvan ze weet dat het niet mag.
Mijn boosheid bonkt tegen het plafond en ik speel mijn laatste troef uit: ik sleur haar mee naar boven, prop haar in de bench, en trek de deur van het kamertje achter me dicht. Daar mag ze blaffen tot ze een ons weegt.
Na tien minuten is ze stil en mag ze eruit.
Ik word begroet als haar beste vriend die haar op het nippertje van de verdrinkingsdood redt. Blijmoedig schurkt ze zich tegen me aan, haar kwispelen weet niet van wijken. Likkebaardend loopt ze voor me uit naar de trapkast. Bedelend houdt ze haar kop schuin: een kluifje, baas?
Fuck you, Rosa!