Een ijskoude belofte

Keek op de week (102)

Waarom zijn Ferrari’s altijd rood? vroeg ik me af toen ik bolide op passeerplaats zag wachten voor tegenliggers. Word overigens niet warm of koud van zo’n kar.
Dacht: als Daniel Craig (klik) achter stuur zit, vraag ik lift.
Bedacht me onmiddellijk want zat op racefiets en die paste niet in auto. Zelfs niet wanneer ik beide wielen uit frame haalde. Waardeloze wagen!
‘Waardeloos!’ gilde Man thuis. Bijkans struikelend over z’n woorden, riep hij: ‘De goedkoopste tweedehands kost een ton! Voor dat geld kun je twintig Colnago carbonfietsen kopen.’
‘Ik heb er al een,’ wierp ik tegen.
‘Zelfs vijf Colnago Ferrari’s.’ Joris grijnsde. Zo, behalve van cijfers had hij ook nog ergens anders verstand van.
‘Je denkt toch niet dat ik op fiets ga rijden waar de naam van een auto op staat? Bovendien is Colnago Ferrari rood óf zwart, en wat is mijn lievelingskleur?’
‘Blauw,’ zei Man. Hij zweeg.
Zo hoor ik ‘m het liefst.

Vorig jaar hadden Joris en ik meningsverschil. Hij wilde airco; ik niet. Is tegen m’n principe: aarde warmt op, door nog meer apparaten te gebruiken, gaat CO2-uitstoot verder omhoog.
Deze week begon echtgenoot wederom over koelsysteem. Klaagde dat het “ondraaglijk warm was in werkkamer.”
‘Ga je op de zaak werken,’ opperde ik.
‘Dáár staat airco altijd aan!’
‘Dat zeg ik!’
‘Ik werk liever thuis. Beetje achter m’n vrouw aanzitten.’
‘Als je dat maar laat…En geen airco,’ sprak ik streng.
Volgende dag ging deurbel. Wuifde als dank naar bezorger. Stond groot pak voor voordeur. Ging daar m’n handen niet aan vuilmaken.
‘Schat, kun je iets van de mat rapen? Is voor jou.’
Joris snelde trap af. Z’n ogen glinsterden.
Ga airco zo hard zetten dat man vastvriest aan stoel. Zo wordt huwelijk nooit saai.

In polder raapte kerel met lange grijparm rommel van grond en wierp het in afvalzak.
‘Dank u!’ riep ik.
‘Dat moet niet, hoor.’
‘Als het moet, zeg ik het niet.’
‘Beetje eigenwijs misschien?’
‘Oh, dit is nog niets.’
‘Ik ben blij dat ik niet met u getrouwd ben,’ grapte onbekende.
‘Mijn man is ook blij dat ik niet met u getrouwd ben.’
Hij lachte.
‘Doet u dit vrijwillig?’ interviewde ik.
‘Ja, hier doe ik mezelf plezier mee. Vind dit heel ontspannend.’
Stak als afscheid m’n duim op. Dat mocht.

Word kippig. Zelfs Rosa heeft het door. Als hond buiten in hoge gras bal neerlegde, zag ik ‘m niet en vroeg: ‘Waar is je bal?’
Keek Rosa me meelijwekkend aan en snoof. Baas, je draagt toch je bril? Kijk er dan door! Waarna huisdier bal oppakte en meteen weer liet vallen.
Hedendaags pakt ze het verstandiger aan en legt ze bal midden op pad. Lopen we langs brede sloot, plonst ze erin en kijkt achterom: schiet eens op met die bal!
Wie is hier nou het (h)baasje?

Postcrossing:
Ontving kaart van Christa uit Santa Cruz, Californië. Blijft bijzonder dat vreemden rekening houden met jouw ansichtwensen. Afzendster koos kaart omdat ik van vuurtorens en van blauw houd. “I live about ten minutes from the ocean and really like listening to the Beach Boys.

Ging een hek naar de ortho

Keek op de week (99)

Vond leren hondenhalsband op wandelpad in polder. Eentje die vaak was gedragen. Dat zijn de mooiste. Was van ene Fleur met 06 van baasje op penning. Stuurde WhatsApp en eigenaar reageerde dat hij zich rot had gezocht en blij was met vondst.
Haalde volgende ochtend band op. Als dank bracht hij vier kakelverse eitjes van eigen teelt mee. Inclusief klein bruin veertje. Voelde me koningin te rijk. 

‘Doet u mee aan actie voor gratis kledingcheque ter waarde van 450 euro?’ vroeg kassamedewerker Kruidvat.
‘Ja, graag!’ zei ik.
Achter me bromde vrouw: ‘Ik doe niet mee; ik win toch nooit wat.’
‘Als u nergens aan meedoet, niet,’ zei ik vriendelijk.
Vrouw keek me woedend aan.
Zag dat vrouw jokte; ze had wel degelijk iets gewonnen, ware het niet de hoofdprijs. In haar gezicht zat bruine wrat met haren.

Eerste week lockdown kreeg ik spleetje tussen voortanden. Daarna schoven tanden ernaast als witte Griekse huisjes over elkaar heen en knapte – pang!- retentiespalkje (ijzeren draadje) achter ondergebit.
Zat ik maanden later als oud hek weer in orthopraktijk.
Jongeman keek naar m’n gebit.
Vroeg me af: moet jij niet naar school, of college volgen via internet maar hij bleek ortho te zijn.
‘Vindt u het goed als ik trucje toepas?’ vroeg hij.
‘Als het een goed trucje is wel.’
Heb nu ijzeren plakkertje op twee tanden met stevig elastiek ertussen.
Met mijn mond dicht zie je er niets van.

Drie kleine huilende meisjes. ‘Mevrou-hou, we du-hur-hur-ven er niet langs.
Midden op pad stond zwaan met roedel jongen. Zelfs Rosa was onder indruk.
In afscheidsmusical van lagere school, speelde ik rol van hippie die in ooievaar werd veranderd. Die acteerervaring kwam me van pas.
Bond Rosa’s riem vast om lantaarnpaal, spreidde armen, maakte vliegbewegingen en blazende geluiden. Nee, geen broekhoest.
Sprak flemend: ‘Hup, met je dotjes het water in. Ik doe jullie niks.’
Zwaan snavelde kroost het kroos in en bekeek mij wantrouwig.
Ik haar ook. Het zijn net honden: laat je rug zien en ze happen in je hielen.
‘Opschieten, anders laat ik de hond los!’ riep ik dreigend. Dat hielp. Blazend koos ze uitgebroede eieren voor haar geld en glipte sloot in.
‘Lief hè, kleine zwaantjes?’ zei een van de drie meisjes. ‘Maar alleen als ze zwemmen,’ voegde ze er aan toe.

Weer gefietst. Benen doen eindelijk weer wat ík wil. Wist nog precies waarom ik liever op zadel zit dan op een stoel.
Zag onderweg van alles. Twee duttende geiten op houten vlonder boven sloot. Duikende visdiefjes. Fuutjes onder moeders vleugels. Zwevende zwaluwen. Kudde koeien met alle koppen dezelfde kant op.
Moest uiteraard weer piesen (the story of my life). Het klotst ook zo op een zadel. In Stolwijk – heb nog naar je gezwaaid, Marthy! – zag ik langs kaarsrecht pad twee wilgen staan. Dichterbij twee mensen eronder op een bankje.
Kansloze missie.
Om de bocht wenkte wuivend gras me maar geroeste afvalbak gaf doorslag. Plaste net lekker toen ik geluid boven me hoorde. Een drone! dacht ik geschrokken. Bleek sportvliegtuigje te zijn.
Later, langs brede sloot met vissende vrouw, vloog ding weer laag over.
Omhoog wijzend, riep ik naar haar: ‘U moet bukken!’
Vrouw kon waarschuwing wel waarderen.
Bijna thuis zag ik twee hollende hazen door weiland rennen. Leken te zweven boven gras. Kwamen dichterbij en sprongen over sloot. Ik remde en stopte. Moest wel; ze kwamen van rechts.

Leven als godinnen in Vlaanderen

Met Roosje-in-de-knop fiets ik de pont op. Aan de overkant wacht oma haar op, krijg ik m’n fietshelm terug en zet ik koers richting de Biesbosch. Eenmaal over de Moerdijkbrug fiets ik binnendoor naar Oudenbosch waar ik tegenover de basiliek mijn lunch gebruik. Via Rucphen rijd ik over de Kalmthoutse heide het Vlaamse land in. De voorjaarszon schijnt uitbundig. Ik fiets over smalle wegen, door boerengehuchten, langs kapelletjes en velden met beginnende maïs. Ik fiets van de kaart, verdwaal heerlijk en verlies zelfs de tijd.
Na Botermelk, Schoten, Wijnegem en Wommelgem beland ik in Ranst.

Daar moet ik dringend op zoek naar een overnachtingsadres. Over een half uur gaat het schemeren; ik heb trek en krijg het koud. Een bord langs de kant van de weg belooft een hotel. Aan een scheve gevel kleven de letters: H…el Rembrandt.

Ik stap naar binnen. Alles ziet er grauw en groezelig uit. De eigenaar zit vadsig op een stoel, krabt afwisselend aan zijn kruis en baard, en heeft een gebit als een afgebrand kerkhof.
Ik twijfel. Heeft deze man van schone lakens gehoord of moet ik mijn bed delen met wantsen en  mijten?
Ja, hij heeft een kamer, zegt hij, maar mijn fiets moet in de hal naast de ingang blijven staan.
Ik ren weer naar buiten.
Wat nu? Onder een brug slapen of stennis schoppen bij Rembrandt en overnachten op een politiebureau?

Aan de overkant gaat een deur open. Een gezette vrouw in een gebloemd jasschort loopt naar me toe. ‘Zoekt u een gerief voor de nacht?’  vraagt ze. ‘Ik heb een kamer. Ik woon alleen en uw fiets kan in de schuur op mijn binnenplaats staan. Alleen moet de schuurdeur openblijven want er nestelen boerenzwaluwen in.’
De vrouw heeft een lief, rond gezicht en ik kan haar wel zoenen.

Met haar Rottweiler raak ik snel bevriend. Ik zet mijn fiets in de schuur en tel zeven zwaluwnesten. Binnen wijst ze me een kamer en waar ik kan douchen. Alles is even proper.
Schoongewassen, zet ze me een Vlaams stoofpotje voor en een kriek. Wat een voorrecht!

Jeanne vertelt. Behalve de hond, heeft ze een varken dat elk voorjaar haar moestuin omspit; kippen en twee Vlaamse reuzen. Haar man Jules is overleden in de oorlog. Hij zat in het verzet en is gefusilleerd nadat hij een voorraaddepot van de Duitsers had opgeblazen. Iemand heeft hem verraden. Haar zoon – hun enig kind – is omgekomen bij een verkeersongeluk.
Ik vind haar een bijzondere vrouw. Ondanks haar gemis bruist ze van levenslust en is ze jong van geest.
We praten tot diep in de nacht. Het is alsof ik een lang verloren familielid heb teruggevonden.

Ik slaap een gat in de ochtend.
Het ontbijt is net zo weelderig als Jeannes boezem en na de koffie nemen we afscheid. We zuchten er beiden van. Het doet een beetje pijn maar we hebben mooie herinneringen gehamsterd.

Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden.
Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man. NOT.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets.
Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon.
Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft?
Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten?
Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater.
Nou en of!
Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.
Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Zet-ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor!
Ik ga niet blijven staan wachten tot hij vertrekt. Ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik mieters handig aangepakt, al zeg ik het zelf.

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen: ze hebben niets beters te doen dan op het bruidspaar wachten. Schaamte giert uit al mij poriën.
Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door.
In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!

Een Citroen, een tuinman en een goede ruil

Lang geleden vierden Lief en ik vakantie in Frankrijk. We hoeven veertien dagenlang alleen maar 125 kilometer bergje op en bergje af te fietsen; de rest was geregeld: hotelverblijf met  ontbijt/diner, en bagagevervoer. 

De vrouw heeft een figuur en een gezicht alsof ze driemaal daags alleen citroenen eet. Met een geleerd gezicht inspecteert ze onze paspoorten en beveelt Lief een formulier in te vullen “voor het geval ze ons moet aangegeven bij de politie.”
Man vult als werkgever “Hendrik Jan de Tuinman” in en met dezelfde creatieve inslag ons adres en telefoonnummer.
In ruil daarvoor overhandigt Citroen ons een sleutel en prijst onze hotelkamer aan alsof het een suite met vijf sterren is.

De kamer is een vierkant hok, ruikt muf en heeft een bruin tapijt vol vieze vlekken. Op de douche zou ik het liefst de brandslang zetten. Hij is niet alleen vuil en beschimmeld, ook liggen de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de vloer. Speciaal voor dergelijke gelegenheden hebben Lief en ik waterschoenen bij ons, maar helaas is onze bagage nog niet gearriveerd. Het zou me niet verbazen als Citroen die- om ons te pesten – achterhoudt in een bezemkast.

Voor een open raam tegenover ons hotel zit een oude vrouw op een stoel naar ons te kijken.
Ik zwaai en roep beleefd: ‘Bonjour!’
Ze reageert niet. Zou ze iets mankeren?

Ik trek mijn fietsschoenen uit en laat me op het tweepersoonsbed vallen. Er liggen twee doekjes op. Ik vouw ze open: er zitten luchtgaten ter grootte van mijn hoofd in. Laat me raden: hier moeten Lief en ik straks onze billen mee afdrogen. Onze vaatdoekjes thuis zijn van hogere kwaliteit.
‘Heb jij in de douche handdoeken gezien?’ vraag ik aan Lief.
Joris schudt ontkennend zijn hoofd.
Ik voel het onstuitbare wicht in me naar boven komen, vouw de lapjes op en loop ermee de hotelkamer uit.
Niemand te zien in de gang…
Ik loop de kamer tegenover de onze in, en ruil onze lapjes om voor twee roze badhanddoeken die ik daar in het voorbijgaan had zien liggen.

Terug op de kamer komen er vreemde geluiden uit de douche. Het blijkt Lief te zijn die met het douchematje muggen aan het pletten is.
‘Ik heb er al negen gevangen!’ roept hij trots.
Ik prijs zijn inzet.

Zonder kloppen gaat onze kamerdeur open en sjouwt de hotelbaas onze twee sporttassen naar binnen. Zonder een woord te zeggen, loopt hij weg en laat de kamerdeur open staan.
Ik wil me al gaan ergeren als ik onverwacht Citroen hoor roepen: ‘Aaaaah…cherie! Margot et Pierre!’ Koket loopt ze op twee voor mij onzichtbare mensen af en geeft ze een paar klinkende zoenen.
Zo onzichtbaar mogelijk sluit ik zachtjes de kamerdeur.

Ik kijk nog eens naar de overbuurvrouw. Ze lijkt wel een ijssculptuur: aan haar houding is niets veranderd. Ik wil zeker weten of ze helemaal in orde is en steek mijn tong naar haar uit. Wel twee seconden lang.
Gelukkig, ze is niet blind; ze heeft gewoon een hekel aan toeristen.
Citroen straks vast nog veel meer!