Zo heb je niets en zo heb je iets. Danste mijn moeder vorige week nog met mijn vader de tango, uitgerekend in kerstnacht maakte ze thuis een slippertje. Ze kon niet meer op of neer van de pijn, maar wilde van geen dokter weten. “Laten we het nog even aankijken,” hield ze mijn vader voor, “misschien wordt de pijn straks minder.” Na een uur vond m’n vader het welletjes, belde de HAP en anderhalf uur later werd m’n moeder – voorzien van een dosis lachgas- in een ambulance geschoven.
In het ziekenhuis werd een foto gemaakt en concludeerden ernstig kijkende mannen dat ze haar heup gebroken had. Nog dezelfde dag werd ze geopereerd. Ze heeft geboft: de dijbeenkop is niet afgebroken zodat er “alleen maar” twee schroeven in haar bovenbeen gedraaid hoefden te worden.
Vers uit de verkoeverkamer en groggy van de pijnbestrijding, lag ze afgepeigerd in het ziekenhuisbed. Wat zag ze er broos uit. Haar gezicht zo wit als de deken waar ze onder lag.
‘Hoe gaat het?’ vroeg ik.
‘Niet zo lekker, hoor,’ zei mijn vader.
Het mensje is ook zo’n ongeluksvogel. Ze hoeft maar ergens naar te kijken of het springt in haar oog.
Meteen de volgende dag werd ze al uit bed geplukt om oefeningen te doen. Achter een looprek schuifelt ze voetje voor voetje een stukje over de ziekenhuisgang. Ze houdt zich kranig, maar de pijn slurpt al haar natuurlijke vrolijkheid op.
Heel de familie Kakelbont duimt dat ze snel weer naar huis mag, en niet naar een revalidatiecentrum hoeft. Het jaar struikelt zich naar een einde en mijn moeder kan de oliebollen thuis bij wijze van spreken al ruiken… Gelukkig is ze niet het typje dat lang het hoofd laat hangen. Haar glas is altijd halfvol, en is het eens een keertje wat leger, dan giet ze het over in een kleiner glaasje. Laat haar maar schuiven! De tijd moet er alleen nog een beetje overheen… Lieve mam, zet je beste beentje voor!