O zo mooi

 

‘Kijk eens,’zegt Vriendin, die met de deur in mijn huis valt, ‘dit heb ik net gekocht.’ Ze graait in een  tas en haalt er iets uit. Oh, oh, wat ik nu toch zie, zoiets schoons en fleurigs; wat een leuk kleedje! Ik word spontaan furlieft op een stuk textiel.

Vriendin trekt het lange vest aan en loopt showend door de kamer. Wat moet het fijn zijn om dat kledingstuk te bezitten. Moet je dat grauwe muizenissige oktoberweer eens zien. Zo’n fleurig vest kleurt tenminste je dag. Ik word er begerig van.

‘Er zijn er maar twee van, hè?’ zegt Vriendin. ‘En bijbestellen kan niet,’ zegt ze met een veelbetekende blik.

‘Wat erg! Dan is er nu nog maar een van,’ stamel ik, ‘wie wil dat vest nou niet hebben?’ ‘Nou, dat valt nog knap tegen,’zegt Vriendin, ‘want het hele dorp vindt ‘m leuk, maar niemand durft ‘m te dragen. Huh, ík wel,’ vervolgt ze.
‘En ik! En ik!’ roep ik. ‘Wat kost ie?’
Vriendin laat me het prijskaartje zien.
‘Wat een smerige afzetterij! Kunnen ze wel in de creditcrisis?’ Gek genoeg wakkert dat de hebzucht alleen nog maar verder aan.

Ik moet er maar even een nachtje over slapen.

De volgende dag ga ik kijken.
Kijken is passen.
Passen is kopen.
Heel veel geld armer, maar een geweldig vest rijker. En zeg nou zelf: wat heb je aan geld op de bank? Dat staat maar te verdorren op m’n rekening. Rente? Zó onbelangrijk.

In mijn nopjes over de aankoop hang ik het vest thuis op een hanger aan de kast. Ha, daar is Man!
‘Wat hangt daar nou?’vraagt hij.
‘Dat, mijn schat, is nou een vest.’
‘Heb je dat gekocht?`
`Nee, verdonkeremaant, nou goed. Je mag best enthousiast doen, hoor!`
`Wat een lelijk ding. Meer iets voor tante Alie.’
Gekweld kijk ik ‘m aan. ‘Dus je komt op straat niet naast me lopen als ik ´m draag?’ vraag ik. Nee, inderdaad, dat heb ik goed gezien.

Misschien, dacht ik toen, misschien wordt het toch eens tijd om met Man mee te gaan naar een party op het werk. Altijd Meestal druk ik mijn snor, maar ik voel dat de tijd voor verandering is aangebroken. De hoogste tijd om mee te gaan naar een borrel tijdens de presentatie van de kwartaalcijfers, een bank-banketfeest, of desnoods naar het Sinterklaasfestijn.
En ik weet al wat ik aantrek…

 

Geef eweg k(r)ans!

Enige tijd geleden  – in de zomervakantie om precies te zijn – had ik meer dan 100.000 lezers op mijn blog gehad. Ik vond dat wel een geef eweg waard. 

Wil je meedoen om deze handgebonden krans te winnen, dan is het enige wat je hoeft te doen een reactie op mijn blog achter te laten, of een mailtje te sturen naar pippi at freeweb punt nl. Roos zal de trekking op zondag dertien oktober as. verrichten, dus graag reageren vóór zaterdag de twaalfde 24.00 uur.
Als jij de gelukkige bent, brengt tante Post de krans bij je aan de deur. Hopelijk schudt ze er onderweg niet teveel mee…

Voor de zekerheid heb ik extra materialen apart gehouden, en die zal ik meesturen. De krans is niet perfect, want de meeste materialen komen gewoon uit de tuin, maar slakken en spinnen heb ik verwijderd 😉

Je kan de krans zowel ophangen als neerleggen. Kies je voor het laatste dan kun je een pompoen in het midden leggen, of er een glazen windlicht in zetten. Het windlicht kun je vullen met bijv. een waxnelichtje of kastanjes. Ben je de krans binnen zat, dan hang je ‘m buiten op! Bind er een paar vetbollen om en klaar is je vogelkrans.

Een man èn een vriend

Ik moet je iets vertellen: ik heb een man èn een vriend.

Het zit zo: sinds kort mediteer ik. Om zelf niet van verbazing van een stoel te vallen, mediteer ik op een speciaal kussentje op de grond. Ik doe ’t nu bijna drie maanden: elke ochtend ongeveer een uur (echte yogi’s kijken niet op de klok, ahum.) Ik kan ’t nog steeds amper geloven, maar reeds na een maand voelde ik mijn innerlijke toerental teruglopen. 

Een wonder, want mijn gedachten stuiteren als pingpongballen tegen mijn schedeldak. In mijn diepste wezen ben ik een chaoot. En ik kan wel overal rust zoeken, maar als-ie niet vanbinnen zit, kom ik ‘m buiten ook nergens tegen.

De meeste oefeningen weet ik nog van yoga. Het was alsof ik naar een nummer luisterde dat ik twintig jaar niet meer gehoord had, maar woord voor woord kon meezingen. Mijn yogajuf moest eens weten! Ze zei altijd: “Mirjam komt weer in de vijfde versnelling binnen.”

De eerste yogales wist ik niet wat me overkwam: iedereen zat te gapen zonder hand voor de mond. In wat voor aso zooitje ben ik nu weer terechtgekomen? dacht ik. Een jaar later – ik was een snelle leerling, uche – begreep ik dat de vork anders in de stil zat.

Dat mediteren op de ademhaling vond ik een saaie boel, en ik maakte de onvergeeflijke fout dat hardop te zeggen. Ken je dat, dat je een stomme opmerking maakt en Iedereen daarna meteen zijn mond houdt? “Ga maar twee minuten met je hoofd in een emmer water zitten,’ sprak de yogajuf mild, ‘eens kijken hoe je dan over je adem denkt. Je adem is je vriend!” Dat laatste was haar stokpaardje, en ik heb ‘t van haar overgenomen.

Het is keihard werken hoor, dat relaxen! En soms – wacht, kom ff wat dichterbij, dan hoor je me beter – héél soms fluistert het vanbinnen.

 

Een spin!

‘AHHHH!’
Na de harde, hoge gil vliegt er een deur open, en rent een vrouw in verregaande staat van ontkleding hysterisch naar buiten: ‘Een spin! Een spin! Zooo groot.’ Mag ze éven ergens bovenop gaan staan? 

Direct is de kapsalon in rep en roer. Het personeel kijkt elkaar aan. Bij gebrek aan vrijwilligers trekt de bazin de stoute schoenen aan, en loopt naar de ruimte waar de zonnebank staat. In de  deuropening blijft ze aarzelend staan, alsof ze elk moment kan worden besprongen.
‘Gatver!’zegt ze, ‘wat een joekel! Zo’n grote heb ik nog nooit gezien.’ Ze rilt ervan.‘Pak de stofzuiger,’ roept een klant.
‘Sla ‘m dood,’ roept een ander.  

Hierzo, waarom moet dat beest nou weer dood? Hij doet toch geen vlieg kwaad?

‘Als je een glas voor me hebt,’ zeg ik, ‘en een stukje karton, dan gooi ik ‘m wel naar buiten.’

Zodra ik de spin zie, heb ik spijt. Ze is grOOT en heeft haar op haar poten. Wijdbeens (ja, ja…) sta ik boven de spin, pak het glas en laat in één beweging het glas eroverheen zakken. Helaas: één pootje zit klem en wordt halverwege geamputeerd. Sorry spin. 

Onderweg naar buiten, glipt het harige ding tussen het glas en papier vandaan, en loopt mijn arm op. Ik ben op het randje van een appelflauwte, maar kan nog net de spin van me afslaan. Ik heb meelevend publiek: er wordt gegild en gesteund; klanten trekken hun benen op; en de stagiaire vlucht het toilet in. De spin rent voor haar leven en zoekt dekking onder een kast met shampoos, gels, en bussen haarlak. 

Ik ga weer zitten. Ik vind onder een kast een goeie plek voor een spin. Maar de kapsters en klanten denken daar anders over. Gaan ze mij aan zitten kijken… Ik geef me gewonnen en vraag om een zwabber en een theedoek. Ik kan álles krijgen.

Met de eerste zwaai met de zwabber komt de spin onder de kast vandaan. Snel gooi ik de theedoek eroverheen, maak een prop, en met een snelheid waarvan ik zelf niet wist dat ik die bezit, ren ik naar de buitendeur. Een behulpzame klant houdt ‘m voor me open; voor de zekerheid zoekt ze wel dekking achter het glas. Buiten wapper ik met de doek de spin eruit zo  in de nek van een argeloze voorbijganger.

De rust in de kapsalon keert weer.
Of zal ik tegen de mevrouw onder de zonnebank zeggen dat spinnen meestal met zijn tweeën zijn?