Licht misselijk druk ik op de bel. De deur zwaait open, een man, een hand. ‘Kom verder, ik ben Leo.’ Ik stap over de drempel en mijn voet schopt per ongeluk tegen een verfblik. Van schrik raken mijn ledematen de weg kwijt en struikel ik half voorover. In het voorbijgaan vang ik in een glimp op van mezelf in een spiegel: verre van elegant. Drie tellen binnen en de man ziet meteen wat voor onhandig vlees hij in de kuip heeft. Hoef ik ook niet meer uit te leggen dat ik hulp nodig heb om mijn chaotische, vermoeide leven op een rijtje te zetten. Met opgeheven hoofd probeer ik mijn imago een beetje te redden.
Leo wijst: een stoel, ga zitten, en ik leg mijn ingevulde formulieren bovenop een stapeltje paperassen op zijn bureau. Langzaam komt de stapel in beweging, en schuift het hele zaakje op de grond. De stress schiet als een raket omhoog. Waarom spannen de natuurkrachten altijd samen wanneer ik mijn best doe een goede eerste indruk te maken?
Leo heeft vorsende ogen en kijkt niet weg. Ik ook niet. Twee jaar in het Sophia kinderziekenhuis omdat ik van school ben weggepest, en ik ben levenslang veroordeeld tot labiel psychiatrische weekdier. Overal moet ik bewijzen dat er geen steekje aan me los zit.
Hij vertelt wat over zichzelf. Een mirakel, want van therapeuten ben ik gewend dat ze je hun schoenmaat nog niet toevertrouwen. Hij is de rust zelve, zo erg zelfs dat hij alsmaar zit te geeuwen.
‘Verveel ik je?’ vraag ik.
‘Nee, hoor,’ zegt-ie, ‘ik ben gewoon heel erg ontspannen.’ Doe mij daar een onsje van, denk ik, en het mag best ietsje meer zijn.
Na het kennismakingsgesprek van een uur, dat aanvoelde als een jaar, mag ik weer naar buiten. Ik ben er nog niet uit of Leo een aardige man is, of een man is die aardig doet. Zijn schoenmaat is in ieder geval vierenveertig.