Vierenveertig

Licht misselijk druk ik op de bel. De deur zwaait open, een man, een hand. ‘Kom verder, ik ben Leo.’ Ik stap over de drempel en mijn voet schopt per ongeluk tegen een verfblik. Van schrik raken mijn ledematen de weg kwijt en struikel ik half voorover. In het voorbijgaan vang ik in een glimp op van mezelf in een spiegel: verre van elegant. Drie tellen binnen en de man ziet meteen wat voor onhandig vlees hij in de kuip heeft. Hoef ik ook niet meer uit te leggen dat ik hulp nodig heb om mijn chaotische, vermoeide leven op een rijtje te zetten. Met opgeheven hoofd probeer ik mijn imago een beetje te redden.

Leo wijst: een stoel, ga zitten, en ik leg mijn ingevulde formulieren bovenop een stapeltje paperassen op zijn bureau. Langzaam komt de stapel in beweging, en schuift het hele zaakje op de grond. De stress schiet als een raket omhoog. Waarom spannen de natuurkrachten altijd samen wanneer ik mijn best doe een goede eerste indruk te maken?  

Leo heeft vorsende ogen en kijkt niet weg. Ik ook niet. Twee jaar in het Sophia kinderziekenhuis omdat ik van school ben weggepest, en ik ben levenslang veroordeeld tot labiel psychiatrische weekdier. Overal moet ik bewijzen dat er geen steekje aan me los zit.

Hij vertelt wat over zichzelf. Een mirakel, want van therapeuten ben ik gewend dat ze je hun schoenmaat nog niet toevertrouwen. Hij is de rust zelve, zo erg zelfs dat hij alsmaar zit te geeuwen. 
‘Verveel ik je?’ vraag ik.
‘Nee, hoor,’ zegt-ie, ‘ik ben gewoon heel erg ontspannen.’ Doe mij daar een onsje van, denk ik, en het mag best ietsje meer zijn.  

Na het kennismakingsgesprek van een uur, dat aanvoelde als een jaar, mag ik weer naar buiten. Ik ben er nog niet uit of Leo een aardige man is, of een man is die aardig doet. Zijn schoenmaat is in ieder geval vierenveertig.

Hebben ouderen een toekomst?

Ben ik daar gek! Zij gaat geen boterhammen meenemen. Het kaartje kost 600 euro (wat wij er niet voor betaald hebben – redactie), dan zit er toch wel een lunch bij? Zo niet, dan loopt Roos wel naar de studentenkantine. Haar hoef je na acht meeloopdagen niet meer te vertellen waar je bij het Erasmus de mosterd haalt.
Zonder brood stuift ze hieperdepiep het huis uit.

08.25 uur.
“Ik ben een half uur te vroeg,” klaagt ze op whats app. Ze zal toch niet bevallig op een stoel moeten gaan zitten wachten? Dat is niet te doen voor iemand die het liefst een zitzak nadoet.
“Zoek een plekje en ga mensen kijken,” typ ik. Geen reactie. Mijn advies vindt ze kennelijk niet om over naar huis te schrijven.
“Je eerste congres!” jut ik haar op.
“Ik zie nog wel,” tikt ze knorrig.

17.30 uur.
“Heb ik weer: rookontwikkeling in de metro,” foetert ze per app. En ze moet rekening houden met vertragingen, terwijl ze al aan de geeuwhonger ligt. De hitte slaat door haar telefoon regelrecht de mijne in.

Sneller dan verwacht, stapt ze allesbehalve vrolijk het huis binnen. Het congres was geslaagd: ze heeft 18 vellen aantekeningen voor haar profielwerkstuk gemaakt! De lunch was lekker; broodje na broodje zakte weg in de diepte, maar de pauze…die duurde een uur. Een uur! Zij had niets beters te doen dan te kijken wat haar digitale kameraden aan het uitvreten waren.
Dit is niet het uitgelezen moment te zeggen dat ze thuis niets liever doet.   

“Hoe was het?’ belt haar vader.
‘Mijn profielwerkstuk is voor de helft klaar,’ roept Roos. Man moet dit in stilte verwerken: negentig uur werk in één dag. Hij wordt weer ouderwets in de maling, en dat sluit naadloos aan bij de titel van Kinds profielwerkstuk: Hebben ouderen een toekomst? 

Kind zit nergens mee. Ze pakt Bella op, geeft haar een knuffel en zet de tv aan. Behaaglijk gaan Kind en konijn naast elkaar op het kleed liggen. ‘Mijn hersens zijn gaar gestoomd,’ jammert Roos, ‘er kan vandaag helemaal niks meer bij.’ Gelukkig hebben we veel chocola in huis.

Stoornissen

Spam? Gék word ik ervan! Ondanks alle voorbehoedsmiddelen, regent het mailtjes die ik helemaal niet krijgen wil. Neem nou deze mail. De toon is vriendelijk. Belangstellend informeert de afzender naar mijn gezondheid. Ik voel me gevleid: wie vraagt er heden en ten dagen nog of je je wel helemaal lekker voelt? En hij noemt me ook nog vriend, terwijl ik helemaal geen vrienden heb. Alras wordt zijn vraag specifieker. Is het mogelijk dat ik last van stoornissen heb? Wie? Ik? Wat voor stoornissen dan? Ongerust lees ik verder…

E.rectiestoornissen. Nauwelijks heb ik dat woord gelezen of ik voel een siddering door mijn lijf trekken. Van het bovenste puntje van m’n ruggenmerg tot mijn stuitje aan toe.
Maar daar blijft het niet bij. Nieuwsgierig informeert hij of ik mijn lieve vrouwtje wel tevreden kan houden, en alsof dat nog niet genoeg is, vraagt hij onbeschaamd hoe groot mijn PEN IS. Nou, daar heb ik geen liniaal bij nodig!

Volgens de afzender is mijn redding nabij, want als ik een verpakking voor grootverbruikers aan V.iagra bij hem afneem, krijg ik een kwantumkorting die zowel mijn betaalrekening als mijn lieve vrouwtje zal bevredigen. Ongetwijfeld moet ik van zijn aanbod plat achterover op mijn rug vallen, alleen lees ik deze mededeling rechtop zittend op een stoel. Dat geleuter over V.iagra heeft echter wel tot gevolg dat ik me opgewonden begin te voelen. En héét dat ik het ervan krijg.

‘Wat zie jij er verhit uit,’ zegt Man, die onverwacht de kamer binnenloopt. ‘En je hebt rode oortjes. Wat ben jij aan het doen?’
‘Eh…tja, ik zit spam te lezen,’ beken ik, ‘en daar krijg ik het zo warm van. ‘Hier, moet je lezen,’ zeg ik. Man leest over m’n rug (ahum) met me mee.
‘Ik krijg het hier zo’n trek van,’ zeg ik, ‘heb jij dat nou ook?’
‘Ja,’ zegt Man met een koortsachtige blik in zijn ogen, ‘dat heb ik ook!’
‘Daar weet ik wel iets op, hoor, ‘zeg ik, ‘kom maar met me mee,’ en ik pak Lief bij zijn hand.
In de keuken eten we samen de trommel met chocoladekaakjes leeg.
Spam: als je op dieet bent, kun je het maar beter meteen deleten!   

Vies

Schrijfopdracht WE-300 van Plato, met als thema: oplossing.

Haar jeugd was een onpersoonlijke, koude toestand. Haar moeder was nooit te beroerd haar dwars te zitten, en had een groot gebrek aan geweten. Regelmatig snauwde ze met haar door drank aangevreten stem: ‘Als je een hond was, had ik je verzopen!’ Daar krijg je als kind een vies gevoel van.

In de loop der jaren heeft ze er mee leren leven, maar het blijft schrijnen.
Ze heeft een beetje gevoel van rechtvaardigheid gekregen toen haar moeder ziek en hulpbehoevend werd. Plichtsgetrouw voldoet ze aan haar eisen; alles in overleg met de thuiszorg.

Niets dan lof over de jongen meiden die haar draak van een moeder verzorgen. Sommigen durven  amper bij haar naar binnen uit angst wat ze nou weer te klagen heeft. Hád ze maar iets te klagen.
Verrekt, denkt ze, dit is mijn kans, en ik heb alle tijd om het ten uitvoer te brengen!

Het is een eitje het middel aan te schaffen, om over de te verwachte uitwerking maar te zwijgen, en ze verkneukelt zich reeds van leedvermaak. In vergelijking met een fairtrade chocolaatje zal de smaak tegenvallen, maar afgezien daarvan is het een beestachtig goed drankje dat elke zenuw bij haar moeder zal prikkelen.

De ouwe taart heeft weinig kracht om tegen te sputteren. Ze probeert het brouwsel wel uit te spugen, maar als ze merkt dat haar dochter het er met dezelfde snelheid weer ingiet, ziet ze in dat verzet zinloos is, en geeft ze zich over. Dat is nou nog eens lief!

Zo, het middel zit erin. Voldaan kijkt ze op de klok: 21.15 uur. De thuiszorg is geweest, en zal haar als eerste de volgende ochtend vinden. Niet te vroeg, hoopt ze. Na acht lepels levertraan zal haar moeder in haar eigen vuil de nacht doorbrengen. Viezer kan ze het niet maken.

Vieren

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand april, met als thema: vieren.

Taxerend bekijkt ze zichzelf in de spiegel. Haar ogen blijven hangen op de puistjes op haar voorhoofd. Haar pony valt er gedeeltelijk overheen, maar ze heeft ook nog averechts krullend haar dat nooit zit zoals zij het wil. Haar vriend zegt dat hij overal omheen kijkt, omdat ze zo lief lacht. 

Van haar ouders heeft ze nooit complimentjes gehad, terwijl juist zij daar zo’n behoefte aan had.   Nog niet eens zozeer de complimenten, maar vooral de aanmoedigingen had ze goed kunnen gebruiken. Maar haar ouders wilden haar niet voortrekken ten opzichte van haar broer en zus, en van complimenten ging ze maar naast haar schoenzolen lopen, en als ’t tegenzit zou ze ook nog drukte krijgen. Nou, over dat laatste hoefden ze niet in te zitten. Met haar hazenlip is ze getekend voor het leven. Natuurlijk hebben chirurgen alles keurig “aan mekaar genaaid” zoals haar vader dat zo plastisch weet te formuleren, maar het litteken zal haar de rest van haar leven vergezellen.

Gisteravond was ze voor de eerste kennismaking naar haar schoonouders geweest. Ze was erg nerveus geweest, maar dat was nergens voor nodig. De ontvangst was allerhartelijkst, zijn familie toonde oprechte belangstelling voor haar, en ze voelde zich snel op haar gemak. Het gevoel van warmte tussen zijn ouders en haar was wederzijds.

Het grootste compliment kreeg ze een half uurtje geleden van haar vriend te horen. Zijn moeder had tijdens het ontbijt tegen hem gezegd: “Weet waar je aan begint, kind, een mooie vrouw heb je nooit alleen.” Nu ze er weer aan denkt, ziet ze wat haar vriend bedoelt: haar spiegelbeeld straalt haar tegemoet. Met een grijns van oorbel tot oorbel, besluit ze dat voortaan elke dag de moeite waard is om geleefd te worden, en het de hoogste tijd is voor een feestje.