Gelukspillen

Als je van jezelf niet vrolijk bent, word je ’t in de dokterspraktijk zeker niet. Er staan strijk en zet  drommen mensen te wachten en het personeel is achter bezig. Waarmee? Joost mag ’t weten.  Stelletje helpdesk-horken.

Links van me klinkt het geluid van een lekke band. Rechts klaagt een vrouw: ‘Ik sta hier al twintig minuten, en er gebeurt he-le-maal niets.’
Een oudere man wordt het wachten teveel. Hij klampt zich vast aan de kapstok, maar dat is een  belabberd wiebelding en de man kapseist. Een meneer met Popey-armen schiet hem te hulp. Als de tobberd weer staat, hijgt hij als een stoomlocomotief en verzucht hij: ‘Ik hep son paain in me poat. Ik ken ur nie mir op staon.’ Nergens een lege stoel voor de man…Oh, maar wacht eens…in de douche staat een krukje! De douche is er om  overmatig transpirerende assistentes afkoeling te bezorgen, en wordt nooit gebruikt. Doet het krukje in elk geval nog dienst.

‘Mevrouw!’ roept een assistente ineens snibbig, ‘het is niet de bedoeling dat iemand op dat krukje gaat zitten!’ Merkwaardig dat ze ineens in de gaten heeft wat er om haar heen gebeurt. Dat heeft ze anders nooit. Haar commentaar haalt weinig uit, want de grijsaard zit al en niemand die hem van die kruk krijgt. Popey verkondigt luid tegen de assistente: ‘Doktersadvies, mevrouw! Meneer mag niet te lang op z’n zere been staan.’ Iedereen gniffelt. Eindelijk een reden om te lachen. De assistente is duidelijk geirriteerd. Bij wijze van triomf roffel ik met mijn nagels op de balie.

Hallelujah, ik ben aan de beurt.
Ik krijg een papieren zakje aangereikt en controleer de inhoud.
‘Er zit-ten te wei-nig pil-len in, me-vrouw,’ zeg ik. ‘De do-se-ring is ver-hoogd.’ Ik praat luid en  langzaam, want de assistente is erg blond. Ze kijkt me verwijtend aan.
‘Ik kan even niet bij het recept,’ zegt ze koeltjes. Ik tover een kopie van het recept tevoorschijn. Nee, alléén kijken. Ze bestudeert de dosering van mijn chemische gelukspillen. ‘Tja,’ zegt ze dan, ‘moet u morgen maar even terugkomen voor het restant.’ En weer een half uur wachten? My ass!

Als ik moe ben, wil ik nog weleens primair reageren, dus zeg ik niets. Dat hoeft ook niet want mijn gezicht is een open boek. Op mijn voorhoofd staat dat ik blijf wachten, desnoods tot zonsondergang. Ze leest het. Zie ik daar iets van berusting? Ze haalt diep adem, sjokt naar achteren en komt vijf minuten later met het restant. Er kan geen glimlachje van af. Zelf zou ze ook eens zo’n doosje gelukspillen op moeten eten. Zal haar goed doen. Ik pak het doosje van haar aan en  bedank haar beleefd. L a n g z a a m, dat wel.

Een apart mensch

De deur zwaait open en een meneer in een lange, witte jas roept verheugd: ‘Mevrouw Kakelbont, daar bent u weer!’ Hij spreidt er zijn armen bij alsof ik de verloren gewaande zoon ben. Lachend loop ik naar ‘m toe.

Binnen in de spreekkamer geef ik hem een cadeau in liquide vorm.
‘Alstublieft,’ zeg ik, ‘nog van harte met uw 80ste verjaardag.’
‘Ketel 1! Hoe weet u dat dat mijn favoriete merk is?’ roept hij blij. ‘Ik ga niet zeggen dat u dat niet had hoeven doen, haha! Dank u wel, mevrouw, ik zal ‘m leegdrinken op uw gezondheid.’

Terzake.

Mijn vermoeidheid wordt veroorzaakt door een depressie. Het probleem is dat bij mij medicijnen onvoldoende werken.
‘Ongelofelijk,’ zegt de arts, ‘dat van deze hoge dosering zo weinig in uw bloed is terug te vinden. U bent een apart mens. Maar ja, hier komen alleen mensen waar de wetenschap geen raad mee weet.’

Ondertussen ben ik wel ziek van de bijwerkingen. Op verzoek som ik mijn klachten op en een mistige wolk drijft voor mijn ogen. Ik moet naarstig mijn neus snuiten, heb geen zakdoek bij me en zit aan de zoom van mijn tuniek te denken, maar de dokter is me voor.
‘Hier, neemt u mijn zakdoek maar. Die neem ik speciaal mee voor verdrietige meisjes.’ Normaal gesproken vind ik dergelijke opmerkingen denigrerend, maar van deze man kan ik het hebben. Aarzelend pak ik de schone snotlap aan. ‘Kom kind, snuit ’t eruit,’ moedigt hij me aan.

Ik ga akkoord de dosering van mijn medicijn voor de laatste keer op te schroeven, ook al wordt dat doorbijten thuis.
Tot slot mag ik nog even bloed laten prikken door een assistent. Arm in arm loopt de dokter met me mee naar het prikhok en terplaatse vleit hij me in een stoel. ‘Uw zakdoek krijgt u de volgende keer schoon terug,’ beloof ik, maar oh nee, daar wil de beste man niets van weten. ‘Geef maar terug mevrouw. Uw neus is mijn neus.’ Hij pakt de zakdoek aan, propt ‘m in zijn broekzak, en verzekert me dat alles goed komt. Ik geloof hem nog ook.
Buiten schijnt de zon. Daar ga ik om te beginnen maar eens een voorbeeld aan nemen.

Aangereden hond

Nou, ik ga maar gewoon verder bij waar ik gebleven was: de vakantie.

De eerste nacht in den vreemde schoot ik rechtovereind in bed. Buiten – ergens dichtbij – hoorde ik een hevig gekerm. Het klonk als een jammerend dier. Het kon niet anders zijn dan het gehuil van een aangereden hond. Niet dat ik een dergelijk geluid eerder heb gehoord, maar zo zou een aangereden hond ongetwijfeld klinken.

Het gejank klonk hartverscheurend en sneed door mijn merg en mijn been. Arm, arm beest… Zou zich iemand om hem bekommeren? Ik was in staat het vakantiehuis te verlaten, de dorpsbewoners te mobiliseren en het nummer van de plaatselijke dierenambulance te bellen, maar aangezien ik daar geen hond kende, en minimaal Frans spreek, sloeg dat nergens op. Gedesillusioneerd bleef ik zitten in bed.

Onverwacht ging het gejank over in een raspend gereutel en zware hoestgeluiden, die me deden denken aan oude mannetjes. Ik vond het allemaal een beetje ingewikkeld worden in mijn slaaphoofd. Totdat een zware rochel gevolgd werd door een luid en duidelijk: iii-aaa! iiiI-aaa! iii-aaa!
Was dat niet…? Ja, dat was het geluid van een ezel. Het gebalk hield aan, en een tweede ezel zette in, als ware het een canon.

Nom de dinges! Had ik me in de luren laten leggen door dat stelletje prehistorische rendieren van de buren. Hadden die ezels ’s nachts niets beters te doen? Slapen of zo? De korstjes brood konden ze wat mij betreft op hun harige buik schrijven.
Ik liet mezelf weer achterover vallen. Gerustgesteld, maar vooral klaarwakker…

Over de rooie

Het gebeurt in de vakantie.
De deur van het winkeltje gaat open en er stapt een mevrouw binnen. Net op dat moment vis ik een jurkje uit een rek met kleding, en onderga een aanval van koopzucht. Het jurkje is zó hemelsblauw, het kan niet anders of het heeft hier al die tijd op mij liggen  wachten. Sjonge, kijk toch eens, wat een juweeltje en voor zó weinig!

Er ontstaat een gesprek in mijn hoofd. In mij wonen namelijk nog meer ikjes. Het zal je verbazen, maar ik heb ook een verstandig ikje (een heel kleintje maar, hoor).  Sjemig, Kakel, wat moet jij nou met een júrk? Voel eens effe aan je voorhoofd, want laten we wel wezen, een júrk… die draag je nooit! Nee, want een jurk tocht. Je kan er nog zulke blikdichte panty’s onder en vesten over dragen, het blijft een tochtige lap. En de laatste keer dat jij een jurk droeg, was dat niet achttien jaar geleden?

Ja, maar dit is niet ècht een jurk. Ik kan er toch zo’n geval onder dragen, een legging? Oh, zo’n broek die ze in de winkel een 7/8 model noemen? Zo’n ding dat bij jou altijd net over de knie valt omdat je benen een heel eind naar boven door lopen? Ja maar, wat zal Lief dit leuk vinden! Zou je denken? Volgens mij schrikt hij zich eerder te pletter. Nou en? Ik wil ‘m, ik wil ‘m, ik wil ‘m! Punt. Hopelijk is de maat goed, want hij hing eenzaam en verlaten tussen de rest van de jurkjes.

Een mevrouw met wel vier, vijf, zes jurkjes over haar arm, loopt naar me toe en zegt:“Pardon, waar heeft u dat jurkje vandaan?” Althans ik vermoed dat ze dat vraagt, want ze spreekt Frans en mijn kennis daarin is minimaal. “Plus,”zeg ik, met een handgebaar van: jammer, maar helaas, dit is de enige.

Zou ze het jurkje even mogen bekijken? Kijken? Ja hoor. Maar met de ogen dan hè, niet met de handjes. Haar hand met duur gemanicuurde nagels, probeert het hangertje uit de mijne te trekken, maar ik houd het stevig vast. De mevrouw draait zich om naar de verkoopster, en vraagt iets. Op dat moment ben ik afgeleid, de dame madam rukt het jurkje uit mijn handen en verdwijnt er mee in het pashokje. Met een ruk trekt ze het gordijn dicht.

Wat een lef, zeg! Is ze nou helemaal van de pot gerukt? Ik loop naar het gordijn en ruk het met dezelfde snelheid weer open. De madam slaakt een gil. “Joh, stel je eigen niet zo aan,”zeg ik, en ruk de blauwe jurk van het haakje en loop naar de verkoopster. Die jurk zal ik hebben ook! Al is de maat niet goed en moet ik er thuis de glazen mee afdrogen, Hij Is Van Mij.

Ik pak mijn pinpas uit m’n portemonnee. Nee, zegt de verkoopster, ik kan hier niet pinnen, alleen contant betalen. Daar aan de overkant, wijst ze, kan ik geld opnemen. Oké, dan doe ik dat. De verkoopster stopt de jurk in een plastic tasje en legt het onder de toonbank.

Ik loop naar de betaalautomaat, wacht tot ik aan de beurt ben (dat is mijn goedopgevoede ikje), neem geld op, steek weer over en word bijna ondersteboven  gereden door een rode auto. Een Ferrari. Ik ben totaal niet autogevoelig, maar deze auto herken ik. De persoon achter het stuur heeft iets vaag bekends, maar wat?

Terug in de winkel loop ik naar de verkoopster achter de toonbank en geef haar het biljet. “Plus,”zegt ze. Plu? Hoezo plu? Oh…plus? Heeft ze het jurkje niet meer? Non. Hoe kan dat dan? Wát! Verkocht? Echt waar?

Aan die… ah…nu valt het kwartje… Aan die bekakte badmuts in de Ferrari, natuurlijk. Ik moet me beheersen om niet te gaan schreeuwen. Verkocht aan die kakmadam, zeker omdat ik maar een luizig toeristje ben, hè? De verkoopster zegt dat ze nog wel genoeg andere leuke jurkjes heeft. Ja aan me hoela, veeg daar maar je mond aan af. Ik wens haar een afzichtelijke bult toe van hard werken en verlaat de winkel.

Stel, dat jij nu in België bent, en je ziet een blonde troela in een hemelsblauw jurkje voorbij scheuren in een vreselijk lelijke, rooie Ferrari, dan weet je dat ze MIJN jurkje aan heeft! Het inhalige, achterbakse, grofstoffelijke,verwende pestloeder.

Zo, lekker, dat is eruit.

Tourpakket

 

Zeg nou zelf: wat is geld op de bank als je er fijne dingen mee kunt kopen? Gisteren viel met een gelukzalige BONK! het Tourpakket op de mat.
Ik stop met schrijven, want ik moet lezen.