De woe-hond

Keek op de Week (147)

Koeien op de Zaag

Kwam terug bij auto na rondje Rosa over Natuureiland de Zaag. Roze flatsen erop, niet normaal! Auto leek wel bonte koe. Een ware attack. Ongetwijfeld van reiger met obstipatie van hele week die in één keer zijn darmkanaal had gereinigd. En waarom roze? Vogelpoep is toch wit? Had reiger garnalen gevreten? Of was-ie gekruist met een flamingo?
Naast mijn auto stond witte @udie geparkeerd. Die had er ook flink van langs gekregen. Deed me goed dat reiger – of was het een tweeling? – geen onderschijt maakte tussen mijn rijdende hondenhok en luxe elitebak.

Man gooide vraag in groep: ‘Hoeveel denken jullie dat dit bakje – plusminus 150 gram – makreelsnippers bij visboer op markt kost?’
Roos en ik hingen allesbehalve aan Joris’ lippen. Ik werd opgeslokt door nieuwste boek van Karin Slaughter en Kind keek languit op bank naar film op smartphone.
Op verveelde toon bood Roos 4,50 euro.
Joris keek zuinig.
Ik stak vijf vingers op.
Zelfde zuinige blik
Bij gebruik aan verdere belangstelling zei Man: ‘Zal ik het dan maar zeggen?’
Roos en ik hielden onze adem in.
‘6,50 euro! Is toch schandalig? Koop ik voortaan niet meer.’
Zei: ‘In de vorige eeuw gaf je het uit aan shag/sigaretten. Kun je er beter vis voor kopen.’

‘Mevrouw, wilt u wat voor me doen? U bent zo lang…ik kan er niet bij…wilt u me blikken kersen aangeven?’
Soms kan ik meegaand zijn. Soms was nu, dus zei ik: ‘Ja hoor.’
‘Vindt u het fijn dat u zo lang bent?’ vroeg oudere dame.
Zeg, willen we conserven of een diepte-interview? ‘Hoeveel blikken wilt u?’
‘Drie. Ik wil er drie. U hoeft niet op de datum te letten.’
Deponeerde blikken in vrouw haar winkelwagen onderwijl vragend: ‘Lengt u ze aan met likeur?’
Vrouw lachte zo hard, druppels van pret gleden langs haar wang.
‘Nee-hee-hee,’ zei ze.
‘Kunt u de rest van uw boodschappenlijst alleen af?’ informeerde ik.
‘Ik red het ver-her-der wel,’ schaterde ze.

Fietste in Linschoten over landelijke weg waar zelden auto’s rijden. Midden op slingerende pad – dicht bij boerderij – zat zwarte hond.
‘Woe, woe, woe, woe!’ blafte beest. Had hij de F ingeslikt? Was het een bouvier? Heb daar geen innige band mee. Zou ik voeten uit pedalen klikken en benen horizontaal omhoog houden? Doe dat ook wanneer ik door diepe plas rijd. Zag tijdig dat kust veilig was: hond was familie van Rosa! Een labrador, maar dan 15 kilo zwaarder.
Stopte naast woe-hond. ‘Ha vriend, wat is er aan de hand?’
Nou, niets. Meneer wilde alleen aandacht. Krabbelde achter een oor. Van gelukzaligheid deed hond ogen dicht. Daar ging ik weer. ‘Doe je voorzichtig? Ze rijden zo je staart er af.’
Hond bleef wachten op volgende dierenliefhebber.

Rosa heeft een orthopedische hondenmand. Met een kleedje. Wanneer kleed niet goed ligt, legt hond kop op mand en wacht berustend tot gedienstige lakei activiteit onderneemt. Deze keer was ik de sigaar.
‘Heb je zo’n moe hoofd?’
Eindelijk iemand die het ziet.
Drapeerde kleed over mand.
Rosa zuchtte diep. Des ochtend om 04.15 uur ontbijten gaat je niet in je bruine hondenvacht zitten.
Die blik van hond als ze na een uur draven, zwemmen, en mollen graven een dut doet: Baas, hoepel op met die telefoon. Ik lig hier te chillen.

Rosa

De gelukkige huisman

Keek op de week (146)

Nieuw hoekje

‘Die gescheiden collega waarover ik vertelde,’ zei Joris. Hij schaterde bij voorbaat om wat komen ging. ‘James, zestig, kaal met bierbuik. Heeft een T1nd3rprofiel aangemaakt.’
Man kreeg scheurbuik van het lachen. ‘En hij,’ hikte hij, ‘hij heeft ons zijn -hahaha – zijn profielfoto laten zien. Hij staat met zijn bui-hui-huik achter zijn nieuwe motor in hou-hou-houthakkershemd. Zoekt vriendin jonger dan 45. Gewoon zielig.’
‘Is dat zo’n man wiens eigenwaarde permanent in bloei staat?’ vroeg ik.
‘Precies. Met een beroerd gevoel voor humor. Frank vroeg: is dit je derde jeugd of ga je voor de derde leg? Vond James niet leuk.’ Man veegde tranen uit ogen en zei: ‘Nu is het wachten op een slachtoffer.’
Joris slikte. Kreeg glazige blik. ‘Stel je voor…een jonge meid en een blinkende motor…’
Ben positief ingestraalde vrouw, dus benoemde ik Joris’ pluspunten. ‘Schat, je bent lang en slank, hebt al je haar nog, maar niet het geld.
‘Nee,’ zuchtte Man. ‘Wij hebben dit voorjaar hele huis verbouwd. En ik heb jou-hou-hou…’gierde hij.
Ik nam nog een pure bonbon. Het is ongelofelijk maar waar: heb nieuwe doos gekregen.

Inhalende automobilist maakte ongelukkige manoeuvre en ik belandde in berm (the story of my life.) Fietspedaal sloeg tegen linker scheenbeen. Voelde geen pijn. Wel dat er iets over been liep. Bloed. Stroomde in straal richting schoen. Trok snel sok omhoog. Wat er boven gat in mijn been zat! Een bult ter grootte van krielei. Dacht aan reclameslogan: “Een ei hoort erbij.” Dan liever gebakken. Trok schone boerenzakdoek uit achterzak fietsshirt en knoopte die om been.
Thuis veegde ik been schoon en liet Rosa uit. Bij terugkomst was bult bijna weg. Jaja, wandelen doet wonderen. Na douchen deciliter jodium op gat en pleister geplakt. Onderbeen is nu blauw. Mijn favoriete kleur.

Vouwde boven in slaapkamer was op. Beneden zoog Joris woonkamervloer. Hoorde borstels schrapen. Boven motorgeronk galmde Joris’ stem een zelfverzonnen aria.
Wat je noemt een gelukkige huisman

Wilde na gebruik van zelfscan, pinnen bij buurtsuper toen pinapparaat met snoekduik voorover lazerde. Hangend aan kabel deinde het laag boven vloer.
Gaf apparaat duwtje en het katapulteerde tegen achterwand. Hield snel pas ernaast en hoorde: piep!
Attendeerde iemand van klantenservice over haperend stuk techniek. Bleek het apparaat speciaal bestemd voor mensen in rolstoel…

Was bijna in Oudewater.
Links provinciale weg, rechts boerderijen.
In de berm ramde een gemeentewerker een verkeersbord in grond. Zou er met bewondering naar kunnen kijken maar werd afgeleid door gemeentewagen dwars op fietspad.
Dat werd racefiets over vangrail tillen en stukje over provinciale weg lopen. Ach, in Luxemburg fietste ik eens over snelweg…
Onverhoeds reed gemeente-auto rechts het erf op.
Toeval in mijn bestaan? Stel dat chauffeur zich bedacht en plankgas achteruit reed? Zou ik worden geplet. Zonde van mijn fiets.
Naast de tot stilstand gekomen auto verscheen een man. Zijn tanden bloot lachend, wenkte hij mij met zijn arm.
Reed er een BN’er achter me? Keek achterom. Fietspad was verlaten.
Aardige mensen. Je verwacht het niet, hè?
Riep in voorbijgaan: ‘Dank u wel!’

Handen jeukten. Pakte snoeischaar, deed knipknipknip in tuin en fietste naar ecologisch tuinierende vriendin. Wikkelde krans. Ligt op oude emaillen fornuis (gekregen van Carolien) in tuin.

Herfstkrans

De asfaltering

Keek op de week (145)

Foto van Dien

Werd op smalle polderweg in Achterbroek voorbij gescheurd door zwarte SUF. Twee tellen later stond auto scheef op weg.
Ik wachtte. Tralalala. Bestuurder (vrouw) had waarschijnlijk per ongeluk rijbewijs gehaald. Na vier keer steken kon ze oprit woning nog niet oprijden.
‘Iets meer naar link,’ gebaarde ik.
‘Bemoei je er niet mee!’ riep vrouw nijdig.
Wat zij wil. Laat mijn dag niet vergallen door automobielhufters.
Er kwam buurvrouw aanlopen die doodleuk praatje hield met bestuurder.
Stapte af. Slalomde met fiets langs auto en over oprit, en stapte op.
‘Hé! Dat is privéterrein!’ snauwde bestuurder. Dacht: krijg de asfaltering, negeerde vrouw en fietste weg.
Zag plots in achteruitkijkspiegeltje aan mijn bril dat Sufferd dichterbij kwam. Zette ze achtervolging in? Was sprakeloos van ontzetting. Kon nergens heen: links stekelstruiken, rechts sloot. Geen bedenktijd. Dat was het dan.
Vrouw sjeesde ra-ke-lings langs en trapte op rem.
Ik week uit naar links. Auto naar links.
Ik naar rechts, auto naar rechts.
Weer naar links. Sufferd blokkeerde weg.
Raam omlaag. Vrouw in zondagse dracht. Schatte haar eind dertig maar ze zag er uit als vijftig. Hoed op passagiersstoel. Achterin drie jongetjes. Stropdasjes om. Scheiding in haar.
Vrouw verwenste me naar de hel. ‘Jij hebt over mijn tuinpad gelopen! Dat is privé! Je bent in overtreding!’ Ratelde aan lopende band. Toen ze adem haalde zei ik: ‘U gebruikt uw auto als wapen en dat is een misdrijf. Met drie kleine kinderen op de achterbank! En ook nog op de dag des Heere.’
Ziedend was ze.
Anders ik wel. Trok trillend mijn pistool telefoon uit achterzak wielershirt en riep: ‘Ik bel de politie!’
Politie was toverwoord. Raam omhoog. Gas op de plank. Kon net mijn voorwiel wegtrekken.
Stopte pas met trillen in Hekendorp.

In Woerden begon het te miezeren, in IJsselstein te pissen. Te warm voor regenjasje. Stopte in Lopik bij overdekt (en gesloten) tankstation om te eten. Stond wielrenner met pech. ‘Heb je toevallig inbussleutel bij je? Mijn klikpedaal is kapot.’
Peuterde er drie uit zadeltasje. Laatste paste.
Wielrenner vertelde flauwe moppen. Zo gelachen.
In Lopik zag ik schaap met appeltjes op het hoge. In Vlist werd het droog. Bijna thuis ving ik een verlegen zonnestraal. Eind goed, al goed.

Joris kwam thuis met rood-wit vierkant doosje. ‘Alsjeblieft.’
‘Zijn die voor mij?’ vroeg ik verrukt. Opende bovenkant en staarde begerig naar inhoud: puur pure bonbons. Niet pralines van Leonidas, maar van Berkhout. Is me raadsel waarom kaasboer bonbons verkoopt, maar krengen zijn van uitstekende kwaliteit en zo groot dat ze amper in één keer in waffel passen. Kan zuinigjes twee happen nemen, maar ik wil propvol gebit.
Heb kleine mond. Orthodontist constateerde dat vijftien jaar geleden. Als feit!
Man en alle bekenden weten uiteraard beter…
Chocolade lang-zaam laten smelten en dan ontploft inhoud tegen inwendig plafond. Ben voor vijf minuten volkomen analfabeet. Zou dat reden zijn dat Joris ze heeft gekocht?

Deed korte boodschap in AH. Erin en eruit. Bij buitenkomst bleek parkeerplaats bevolkt met vier agenten die controleerden op aanwezigheid van parkeerschijf in auto. Zag moeder van (mijn overleden vriendin) Carolien bij Huppelslager naar binnenstappen. Haar auto twee auto’s naast mijne. Gluurde naar haar dashboard. Geen blauwe schijf. Liep huppelslager in en waarschuwde haar.
‘Zo snel loop ik niet meer!’
‘Daar heeft u toch personeel voor?’
Zij overhandigde mij autosleutel; ik legde parkeerschijf neer en stelde tijd in. Bracht sleutel terug en gaf haar een zoen. Ze is zó dapper…

Schaap – Lopik

Meneer Jonas

Keek op de week (144)

Kinderdijk

Zat om 03.45 uur aan ontbijt. Joekel van spin – zo’n zwarte met harige poten – rende over keukenvloer in mijn richting. Ik deed voeten omhoog en weer omlaag. Spin rende heen en weer. Heen en weer. Zenuwlijer. Pakte theedoek, arresteerde spin, opende tuindeur en wapperde doek uit. Door aanfloepen buitenlicht zag ik spin wegrennen. ‘Ga jij je moeder maar pesten,’ riep ik haar na.

Voer over naar Kinderdijk. Fietste in omgeving Schoonrewoerd berm in vanwege trekker met roterende bladen. Rechts in weiland stond oudere man gemaaid gras bijeen te harken.
Wij groetten elkaar.
‘Flinke klus!’ riep ik.
‘Ben hobbyboer en heb heel de dag de tijd,’ zei man. Hij had wijduitstaand wit haar en gulle lach. ‘Vanavond draagt het paard het naar de schuur. Voor haar is het te warm.’
‘Voor u niet?’
Hij maakte wegwerpgebaar en leunde met oksel op hark. ‘In voorjaar liep ze ineens kreupel. Een ontsteking. Nu gaat het weer. Ben zuinig op beest; ze is een ouwetje. Ik ben het werkpaard.’ Hij schaterde.
Hoorde links gehinnik.
‘Dat is ze!’ riep eigenaar. ‘Ze hoort mijn stem.’
Keek opzij. Zag geen paard, wel met zorg onderhouden boerderij met naam. ‘Heet u Jonas?’ informeerde ik vrijpostig.
‘Naar mijn vader. Boerderij was van hem. Mijn vrouw en ik kregen alleen dochters.’ Weer die lach. ‘Dus heb ik het paard maar Jonas genoemd.’
‘Ze is een merrie?’
‘Jahaha! En ze luistert beter naar me dan mijn vrouw.’

Dacht aan vakantie in Wallonië. Eerste nacht in den vreemde schoot ik rechtovereind in bed. Hoorde buiten hevig gekerm. Klonk als jammerend dier. Was het een aangereden hond? Arm, arm beest. Was in staat vakantiehuis te verlaten, dorpsbewoners te mobiliseren en dierenambulance te bellen. Detail: mijn Frans was in staat van ontbinding.
Onverwacht ging gejank over in gereutel en hoestgeluiden. Na een rochel volgde luid: Iii-aaa! Iii-aaa! Was dat niet…? Ja, het geluid van een ezel. Gebalk hield aan, en tweede ezel zette in als ware het een canon.
Nom de dinges! Had me in luren laten leggen door stel prehistorische rendieren van buren. Hadden ze ’s nachts niets beter te doen? Slapen of zo? Liet me gerustgesteld achterover vallen.

Man tilde boven deuren uit scharnieren om ze in garage te kunnen verven.
Kwam thuis van rondje Portengen fietsen en ging douchen. Zonder deur. Kreeg heel apart gevoel vanbinnen. Vooral toen tijdens poedelsessie Rosa op douchemat ging liggen en onbevangen naar me keek. Is dat nou wat Grote Baas je Adamskostuum noemt? Jemig Baas, jij bent kaal! Doe als ik, neem haar. Wat hebben we het gezellig, hè?
Verveling sloeg snel toe en hond ging dutten. Was alles in leven maar zo gemakkelijk oplosbaar.

Broer is treinmachinist goederenvervoer. Appt me regelmatig foto’s en filmpjes vanuit loc-cabine. Mag ik raden waar hij zich bevindt. Staar ik in nachtelijk duister op filmpje. Hoor wel maar zie geen fluit. Dorp tegen heuvelwand met lichtjes. Perron zonder plaatsnaambord.
Kan ik ook. Kom ik tijdens fietsrit tot stilstand bij gesloten spoorwegovergang – midden in polder – mag hij raden. Portengen? Harmelen? Zwammerdam? Arkel? Leerdam? Hij weet het niet, hè? Dan ook geen punt. Zijn keihard voor elkaar.
Maar ook – er zij licht! – filmpje rijdend over spoor Moerdijkbrug.
Appte Broer foto van mozaïekbank in Papekop. Papekop is drukst bereden stuk spoor van Nederland. Hoorde twee dagen later – was weer wakker, zat beneden – om 03.30 PING!
Broer: “Rijd langs je bankje. Ben onderweg naar Basel. Auf wiederschnitzel!”
We reizen wat af samen.

Papekop

De zuipschuit

Keek op de week (143)

Uit de categorie: #RarePlaatsnamen

Reed op fietspad. Echtpaar stond aan kant, en man gebaarde mij te stoppen. ‘Mevrouw, wij zijn verdwaald.’
Daar hoeft hij mij toch niet mee lastig te vallen?
‘Waar wilt u naar toe?’
‘Naar de Meije.’
‘U fietst rechtdoor, neemt de tweede weg rechts, en aan het eind gaat u weer rechts. En dan fietst u tegen de Meije aan.’
Man keek alsof ik leugendetector had bedrogen. Alsof Meije links lag en ik hem verkeerde kant opstuurde, net zoals Rotterdammers in vorige eeuw dat met Duitse toeristen deden.
‘Hoe veel kilometers is het?’ wilde man weten.
‘Sorry meneer, dat weet ik niet.’ Woon daar maar 60 km vandaan, hè?
‘Hendrik, laat gaan! We weten nu hoe we moeten fietsen,’ riep zijn verstandige vrouw.
‘Waar komen we precies uit?’ hield kerel vol.
‘Als u op de Meije paar honderd meter naar links rijdt bij eetcafé de Halve Maan. En dáár – wees ik naar rechts – staat Pietje Potlood (watertoren van Meije.)’
Opluchting droop van kerels gezicht.

Droeg vanwege tropische temperaturen nieuw luchtig zomerjurkje. Ging koken en vis bakken.
Doe schort voor, zei ik tegen mezelf. Niet luisteren, natuurlijk.
Daar had je het gelazer. Vis was klaar, prikte deze aan vork. Blijkbaar leefde vis nog en spartelde terug in pan naast soortgenoot. Vetspetters all over the place: op kookplaat, tegels, en vloer. En op zomerjurkje. Raar maar waar. Riep hard drieletterwoord.
Terwijl ik vlekken van vloer depte, kwam Man aangesneld en riep: ‘Wat nou weer?’
Joris aanschouwde vlekkeninvasie. ‘Het is ook altijd dezelfde, hè?’ wreef hij erin.
‘Jij bakt alleen kreukelfriet.’
Onaangedaan riep Joris: ‘En oliebollen!’
Daar had hij een punt.

Pakte tang uit schap, greep er broodje mee vast en stopte dat in wasbare zakje. Broodje nummer twee viel voor mijn voeten op de grond. Raapte broodje op en legde het op broodbalie.
Zei: ‘Heb deze per ongeluk op grond laten vallen.’
Jongeman – lang, bleek, acné – keek verveeld.
Snap dat puber er opwinding niet van afzag.
Hij graaide broodje weg en smeet het richting afvalbak. Naast! Keek weifelend naar mij.
‘Geef jezelf nog een kans!’ moedigde ik hem aan.
Raak!

Opende keukenla en daarna blauw doosje: leeg. Staarde in shock naar leegte. Mijn nachtbeugel pleite. Oh mijn godin! Heb vaak nachtelijke ruzie met onding. Droom dan dat ik mond vol drop heb en/of niet kan praten. Word ik ’s ochtends wakker, ligt beugel onder kussen of op de grond. Heb er ’s nachts eens opgestaan maar hondenreflex redde me: voel ik iets onder mijn voet, véér ik omhoog omdat ik denk dat het poot van Rosa is. Hond ligt aldoor achter me. Zou bijna denken dat het liefde is.
Rende naar boven. Voelde in donker onder kussen, tastte matras af. Voelde onder bed en nachtkastje.
‘Wat ís er?’ vroeg Joris op ergerlijke toon. Hij lag reeds op een oor.
‘Ben mijn beugel kwijt.’
‘Niet joh! Die ligt in een kopje in schoonmaakazijn op het aanrecht. O, vrouwtjes!’ zuchtte hij
op tóón.
Waarom was ik daar zelf niet opgekomen? Kopje op aanrecht stond nota bene voor mijn neus.

Ben tot ontdekking gekomen dat ik zuipschuit ben. Fietste in bloedhitte 120 km. Prima te doen, zolang je niet stopt. Goddank had ik op terugweg tegenwind, anders was ik gesmolten. Heb onderweg 2 ¾ liter alcoholvrij vocht gedronken. Nul keer gepiest. En thuis direct aan het kraanwater. Koel, delicaat kraanwater.

Arme koeien