Gehaast opent Hermanus de winkeldeur en loopt naar binnen. Hij inhaleert diep. Zonder licht aan te steken, loopt hij een rondje door de zaak. Zijn zaak die overmorgen geopend zal worden.
“De vierde pruikenmaker in dezelfde ruimte, daar komt ellende van,” had zijn vrouw kribbig gezegd. Het is waar, de vorige drie zijn in rap tempo failliet gegaan en toch heeft Hermanus hoop. Goede hoop.
Het belletje van de winkeldeur klingelt.
Hermanus’ opent zijn mond om ik ben gesloten te zeggen, maar de figuur die binnenstapt straalt zoveel aristocratie uit dat hij zwijgt.
‘Excuseer dat ik u op dit tijdstip stoor. Ik kan dit maar eens per jaar doen en mijn keus is op u gevallen.’
’s Mans stem kraakt een beetje. Hermanus kan niet anders dan knikken. Vragen buitelen door zijn hoofd met op de achtergrond de dringendste: zal hij nog op tijd bij zijn schoonfamilie arriveren?
‘Later zult u blij zijn dat ik u gekozen heb,’ spreekt de man raadselachtig verder. ‘Mag ik even in uw kasten kijken?’
Hermanus veert op als een gedienstige lakei. Hij pakt een gaslamp, steekt deze aan, zet ‘m op de grootste kast en geeft de vreemdeling te kennen dat hij alle laden mag openen.
De bezoeker haalt twee witte handschoenen uit de zak van zijn lange jas, zet een lorgnet op zijn neus en trekt de onderste lade van de kast open. Hij pakt drie hoedendozen en zet ze naast elkaar op de kast. Hij neemt een pruik in zijn handen en ruikt eraan. Hij bekijkt ‘m nauwgezet: de haarinzet, de afwerking, de glans van de haren… Met respect legt hij de pruik terug in de doos en plaatst alle dozen terug in de kast.
‘Hoeft u de andere pruiken niet te zien?’ vraagt Hermanus.
‘Nee,’ antwoordt de bezoeker, ‘professionaliteit verloochent zich niet. ‘Uw voorgangers zijn niet voor niets failliet gegaan. Ik ken uw werk al langer. Ik zie alles; ik ga al generaties mee.’
Hermanus gelooft ‘m graag. Het gezicht van de man ziet er uit als gekreukeld perkament. Het zou ‘m niets verbazen als de man straks nog een toverstaf tevoorschijn haalt.
‘Nu is het wachten op de torenklok,’ zegt de man. Hij draait zich een halve slag om, om aan te geven dat elke poging tot gesprek zinloos is.
Hermanus wacht. Hij voelt een oprisping van maagzuur als hij aan zijn vrouw en de oliebollen denkt. Een slecht begin van zijn eerste huwelijksjaar, maar iets in hem zegt dat hij deze vreemdeling beter niet tegen de haren in kan strijken.
De eerste klokslag haalt ‘m uit zijn gepeins.
De vreemdeling draait zich om; zijn gezicht krijgt een officiële uitstraling. Hij kucht – de klok slaat drie – en loopt naar Hermanus. ‘Uw schoonfamilie zal uw late komst vanavond niet begrijpen. Het zij zo. Ik verzeker u dat mijn zegen uw winkel zal goeddoen.’
Een kort ogenblik staan beide mannen zwijgend tegenover elkaar.
Pas als de klok voor de twaalfde keer slaat, spreekt de vreemdeling weer. Hij steekt zijn hand uit naar Hermanus, schudt ‘m en zegt: ‘Ik wens u een goede haarwisseling.’