Het gelukskoekje

Zeven toeristen staan kleumend op een kluitje. De pontvlag klappert roekeloos tegen de mast. De enige dame van het gezelschap kijkt me aan en stapt op me af, op de voet gevolgd door haar zes kornuiten. Als dat maar goed gaat…
‘Goodday! Can I ask you something?’ vraagt ze vriendelijk.
‘Sure.’
‘Wellisdublienenoblits?’
‘Eh…sorry,’ zeg ik. Nog een geluk want ik had ‘solly’ in gedachten.
De dame articuleert wat beter: ‘Whele… is…the… blienenoblits? Vol verwachting klopt het hart van alle zeven Chinezen; hun wenkbrauwen staan als een vraagteken omhoog. En nu moet ik ze teleurstellen want wtf is blienenoblits?

‘Show me on your phone,’ zeg ik vriendelijk.
‘No pictul and no English wolds,’ zegt ze verontschuldigend.
Oké. ‘What is it?’ vraag ik. ‘A building? A place?’
De Chinese schudt haar hoofd. ‘No. It’s a blits,’ zegt ze. Ze kijkt me aan en is er van overtuigend dat  na het geven van deze duidelijke informatie het antwoord direct in me omhoog zal komen.
Een blits, denk ik… Ik tuur over het water alsof daar het antwoord te vinden is. De pont mindert vaart en houdt midden op de rivier halt om een vrachtboot voorrang te verlenen. Een blits…
Opeens weet ik het! Ik glunder alsof ik de gloeilamp heb uitgevonden. Ik draai me een kwartslag om en wijs in de verte: ‘It’s over there,’ zeg ik.
‘It is?’ vraagt de Chinese. Ze komt pal naast me staan en kijkt in de richting die ik aanwijs. Daar, ver weg over het water, staan de twee bolders van de Brienenoordbrug als stoere ridders aan de horizon. ‘It is open, now,’ wijs ik naar het rechtopstaande wegdek.

De Chinese naast me maakt een kort sprongetje en klap verrukt in haar handen. Ik dacht altijd dat Chinezen nauwelijks emotie vertoonden; zeker naar de verkeerde series gekeken.
‘I’m a engeniel,’ verduidelijkt de vrouw. ‘We all built blidges.’ Ze wijst naar haar collega’s die glimmend ja knikken.
Hoe kunnen ze bij de Brienenoord in de buurt komen? Met een taxi?
Ik stel de Waterbus voor, kunnen ze meteen doorvaren naar de Erasmusbrug.
De vrouw is uitermate verheugd en slaakt doorlopend diepe, tevreden zuchten.
Ik toets de opstapplaats van de waterbus in op haar telefoon.

Onverwacht breekt consternatie uit want alle collega’s beginnen druk in het Chinees te kakelen. De duimen van de dame flitsen over de toetsjes van haar mobiel en ze laat me het resultaat zien: een uitgepakt gelukskoekje met “good luck.” Alle zeven giechelen. Ik maak er acht van.

Het serpent

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor de maand November met als woord: spellen.

Johan staart door het raam. Hij kijkt naar buiten zonder iets te zien; zijn gedachten zijn bij zijn naderend afscheid.
Anderen kijken met verlangen uit naar hun pensionering. Ze beginnen een moestuin; nemen een hond of een verzorgpony; worden lid van een vereniging of plannen een voetreis met hun vrouw…
Hij wordt al licht misselijk als hij eraan denkt.

Persoonlijk zou hij zich graag verder ontwikkelen. Een universitaire studie volgen, bijvoorbeeld zich verdiepen in de Nederlandse literatuur en etymologie, doch bij hem thuis zal daar geen ruimte voor zijn. In Mathilda’s calvinistische wereld is geen plaats voor ontspanning.
Heel zijn leven heeft hij getracht te ontkennen wat hij diep van binnen geweten heeft. Sinds kort – noodgedwongen – durft hij de gedachte toe te laten: zijn vrouw is een serpent van een mens.

Door zich op zijn werk te storten heeft hij zich decennialang kunnen onttrekken aan haar aanwezigheid; weldra zal daar een eind aan komen. Mathilda is bezig met de aanleg van een to-do-lijst voor hem.
Een to-do-lijst! denkt hij schamper. Alsof daar geen fatsoenlijke Nederlandse woord voor bestaat!
Van verontwaardiging zuigt Johan zijn neusgaten vol lucht. Via zijn mond blaast hij langzaam uit waarbij zijn lippen een zacht, fluitend geluid maken. Het is een gewoonte die zijn leerlingen met verve geadopteerd hebben.
Hoe bestaat het dat hij zich meestentijd ergerde aan die pubers en hun aanwezigheid binnenkort zal  missen?

Hij had nog voorzichtig geopperd dat hij er best een aantal dienstjaren aan wilde vastplakken, maar de directie had mild het hoofd geschud.

Het is niet anders.

Johan kijkt weer naar de laatste regel van het opstel dat op zijn lessenaar ligt, haalt met zijn rode pen fel uit over de letter t, en bedenkt hoe hartgrondig hij het eens is met de laatste regel: ik wordt niet goed.

Roedelleider

Tot een maand of twee geleden was Joris Rosa’s favoriete mens.

Bij het uitlaten, keek elke passant Rosa in aanbidding aan. Joris deed er zijn voordeel mee. ‘Ik heb in mijn leven nog nooit zoveel aanspraak met vrouwen gehad,’ merkte hij glunderend op.
Uiteraard met mijn volledige goedkeuring. Anders kon ik zelf met Rosa naar buiten.

Nu – eindelijk – is de hond verstandig geworden en heeft ze mij tot roedelleider verkozen.
Alsof ik een bos verse mergpijpen aan mijn kont heb hangen, loopt ze mij in aanbidding achterna. Ze likt de grond onder mijn voeten en achtervolgt me zelfs tot op het toilet. Zit ik daar, dan kijkt Rosa me met een innige blik aan: wat hebben we het goed, hè baasje?
Alles in het leven is betrekkelijk: loopt ze los in het Koeienbos en spot ze een andere hond, dan kan ik blaffen tot ik een ons weeg, de roedelleider is ze op slag vergeten.

Ondanks dat ze met een 9,6 voor haar puppy-examen is geslaagd, schat ik Rosa wat dommig in.
Ze jat stukken winterpeen uit Saartjes etensbak. Het is voor een hond alleen lastig stiekem een peen op te vreten. Ze jat uienschillen uit de afvalbak waarbij ze met haar kop klem komt te zitten in de klep en door een van ons verlost moet worden. Daarna kijkt ze ons beschuldigend aan. Als we iets eetbaars weggooien, kunnen we het toch net zo goed aan haar geven?

Het onwaarschijnlijke feit doet zich voor dat wanneer ik een deuntje neurie – waarbij normaliter iedereen het huis uit rent – Rosa zachtjes indut in de bench.
Het kan zijn, aldus Man, dat het komt omdat de hond zo snel mogelijk van mijn muzikale ondersteuning verlost wil worden, en aangezien ontsnappen uit de bench onmogelijk is, is slaap haar enige redmiddel.

Hoe dan ook, Rosa is een blij beest en een allemansvriend. Iedere bezoeker – en zeker Opa – wordt met een vreugdeplasje begroet. Een verdediger van huis en haard zit er niet in. Dat is niet erg; daar hebben wij geen hond voor nodig…

Hier liggen twee heel dikke vriendinnen ♥

 

Ik houd van…

De afgelopen week was een zware: korte onderbroken nachten en lange dagen, met nog minder energie dan anders. Ik heb niet eens fut om fatsoenlijk op blogs te reageren.
Op internet las ik een opsomming van dingen waar een zeker persoon zich aan ergert. Ik ergerde me hartelijk mee, tot ik me halverwege bedacht dat de weg van de meeste weerstand beter bij me past. Dus draai ik het om: waar ik van houd.
Doe me een lol en vul mijn lijstje aan!

….Kind. Die me bedelft onder lieve whatsappies  ♥  het geboortekaartje van Mila Jolie  ♥  de natuur in herfstkleuren  ♥  achter mijn laptop zitten met Rosa aan mijn voeten en Saartje ernaast  ♥  de fotoshoot gisteren in de tuin. Ik heb nog nooit met zoveel plezier lachend in een lens gekeken ♥  gezellige post op de deurmat  ♥ mandarijnen zonder pitjes  ♥  Broer  ♥  David Bowie  ♥ decappuccino met een dikke schuimkraag  ♥  de geur van schone was  ♥  een cadeautje van Roos. Het kwam me alleen zo bekend voor… Klopt, ze heeft het uit het badkamerkastje gepakt en er een papiertje om gedaan  ♥  blauw  ♥ schriften  ♥ pennen  ♥  ons huis in de polder  ♥  Rosa die uit de bench brak, onze slaapkamerdeur platliep en me wakker likte. In m’n gezicht  ♥ een lege wasmand (en niet omdat de vuile was ernaast ligt)  ♥  taal! ♥  Kind die suikervrije koekjes voor me bakt  ♥  jullie reacties op mijn blogs ♥  Joris. Mijn rots in de branding  ♥ Vriendin die altijd gekke dingen zegt  ♥  pure chocolade ♥  witte rozen  ♥  mijn nieuwe boek dat bijna klaar is!  ♥  de titel is: Larie en Liefde  ♥  Het ISBN: 978-94-631887-6-0  ♥  een gereserveerd boek van de bieb lezen  ♥  de 24-uurs-service van mijn helpdesk  ♥ zonlicht dat door het raam naar binnen valt  ♥ een nieuwe doos kleurpotloden  ♥  muziek…

Speciaal voor jullie een liedje

Schaamrood

De laatste keer dat ik in deze dorpswinkel een bril kocht, zag ik het afstapje over het hoofd en kon ik me op het nippertje vastgrijpen aan de deurstang. Goddank klemde de deur waar ik tegenaan viel, zodat ik niet met de winkeldeur in huis viel. Binnen stapte ik met een kleddernatte laars bovenop de laatste nieuwe krant. Ik prees mezelf gelukkig dat ik geen mens zag en legde snel de krant op tafel. Uitgerekend op dat moment kwam de eigenaar achter een kamerplant vandaan. Aan de blik in zijn ogen zag ik dat hij alles gezien had.

Deze keer was mijn entree beter. De eigenaar knikte me vriendelijk toe en ik zei dat ik op zoek was naar een rode bril. Als ik zelf niet vrolijk zou zijn, was in ieder geval mijn bril het nog.
Het probleem bij het uitzoeken van een nieuw montuur is dat je een bril nodig hebt om te zien hoe-ie staat. Ik maakte selfies om dat tekort te compenseren maar dat werden stuk voor stuk waardeloze foto’s. Ik volgde mijn natuurlijke impulsen en vond een montuur dat in de smaak viel.

Onlangs ging ik de bril halen. Ik zette ‘m op m’n neus, lachte wat onzeker naar de verkoper en keek in de spiegel. Ik kon met gemak mijn enthousiasme onderdrukken. Wat was-ie rood! Zeg maar gerust: schaamrood. Van stress kreeg ik rode vlekken in m’n nek. Daar kleurde de bril dan weer goed bij. Mijn grootste angst waar waarheid geworden: deze bril vind je alleen leuk als je gedronken hebt. De tranen zaten tot net onder mijn ogen.

De opticien sloeg het tafereel van een afstand gade. ‘Hoe kijkt de nieuwe bril, mevrouw?’
‘Hij…hij…is…zo…rood,’ stamelde ik.
Op sussende toon zei hij: ‘De overgang met uw vorige bril is enorm groot. U moet gewoon nog wennen. Hij staat u goed!’
Ik dacht: dat zegt-ie vast omdat-ie bang is dat ik anders niet betaal.

Ik had het gevoel dat mijn nieuwe bril als een pijl in neonletters de aandacht trok. Tijdens de boodschappenronde in de buurtsuper weerstond ik de neiging mijn onderarm voor mijn ogen te houden. Je weet wel, waar bij boeven het witte balkje wordt getoond.
Ik daagde de cassiere uit me aan te kijken. Ze keek en meteen weer weg. Mijn bril zag ze blijkbaar over het oog. Engiszins gerustgesteld reed ik naar huis. Daar aangekomen, zette ik een durf-er-eens-iets-van-te-zeggen-blik op. Roos – met haar alziende blik –  zei: ‘Hij staat je leuk, mam! Je moet alleen wennen.’

Afgelopen weekend zag ik diverse familieleden. Slechts eentje viel het op dat ik een nieuwe bril heb en verzekerde me dat-ie echt – écht – leuk staat. En ze was niet dronken.
Helaas, om mijn rode bril op mijn snufferd te kunnen zien, zal je moeten wachten tot mijn boek uitkomt. En dan kopen natuurlijk :))
Ik kan jullie wel iets anders laten zien: mijn nieuwe teennagels. Waarbij ik me heb laten inspireren door de herfst.