Fancy huurauto

Afgelopen zondag vertrok Joris voor een weekje naar Nice. Voor het werk, dus niet voor het plezier. Althans, dat zei hij. Maar eenmaal in Zuid-Frankrijk ging hij Roos en mij een beetje lekker zitten maken via WhatsApp. Kind kreeg spontaan zin haar vader op de kast te jagen. Alleen moet je van goede huize komen om daarin te slagen.

Roos kreeg een briljant idee.
Ze pakte een oud dekbedovertrek uit de zolderkast en legde die beneden languit op de grond. Rosa liet zich gewillig in de dekbedhoes proppen en met behulp van een paar verantwoorde snoepjes bleef ze braaf liggen. Roos drapeerde het dekbed zodat het echt leek, en maakte een foto.

Ze verstuurde de foto via WhatsApp en schreef: “Kijk papa, hoe lief Rosa gisteren in bed lag. Het mocht van mama een keertje omdat het dierendag was.”
Ze verstuurde de foto en toen was het wachten op commentaar. Het kon niet anders of haar vader zou flinke stress krijgen.

Onze telefoons pingden simultaan: “Het is toch niet waar!”
‘Laat ‘m maar even in zijn sop gaar koken, mam, dat is goed voor ‘m,’ gaf Roos mij als instructie.

Na tien minuten rinkelde de landlijn en aan het riedeltje hoorden we dat het Joris was.
‘Hoi pap!’ riep Roos opgetogen. Ze had echt zin in dit gesprek.
(…)
‘Heel goed, en met jou?’
(…)
‘Op mijn bed? Dat kan toch niet? Ik lig in een hoogslaper. Als Rosa daar uitvalt…dat wil jij écht niet.’
(…)
‘Op jullie bed natuurlijk.’ Met haar duim omhoog gebaarde Roos naar mij dat het gesprek precies de goede kant opging.
(…)
‘Wat is daar nou vies aan? Rosa lag óp het dekbed, niet erin! En het was maar voor één nachtje.’
(…)
‘Mama vond Rosa ’s nachts een beetje te zwaar worden en heeft haar toen op jouw helft gebonjourd.’
Roos stikte bijna van de lach. Ze kón niet meer en proestte: ‘Doe nou maar effe rustig, pap, het is maar een grapje.
(…)
‘Het is maar een grapje!’
(…)
‘Het. Is. Maar. Een. Grapje! Echt!’
(…)
‘Zie je dat niet eens? Het is een hartstikke oud dekbedovertrek!’
(…)
‘Eigen schuld. Jij ons een beetje gek maken met je een fancy huurauto, dat het minstens twintig graden en korte-mouwenweer is, je op een terras zit en straks lekker uit eten gaat. En maar volhouden dat het niet voor je plezier is. Maar we houden nog wel van je.’
(…)
Jij ook. De groeten terug!’

‘Zo,’ zegt Roos voldaan. ‘Hij kon maar niet geloven dat het een grapje was. Straks komt-ie thuis en zegt-ie dat-ie het heus wel doorhad maar dat hij ons een pleziertje gunde. Trap er niet in, mam! Koffie?’

Dokter Bibber

In de ggz kreeg ik een psychiater toegewezen. Ik noemde hem dokter Bibber omdat alle patiënten de zenuwen van ‘m kregen. Hij was kortaf, lomp en kwam regelmatig gemaakte afspraken niet na. Had iemand woensdag een gesprek waarin hij te horen zou krijgen of hij de andere dag definitief naar huis mocht, liet Bibber verstek gaan.

In Bibbers kielzog liep een gevolg: een psych en een arts in opleiding, een stagiair en een notulist.
Tijdens mijn opname moest ik hem toestemming geven om mijn medische dossier (en met name de uitslag van de psychologische onderzoeken) van het Sophia Kinderziekenhuis op te vragen.
Ik zei dat ik de dossiers ook graag wilde inzien.
Dat was niet zijn gewoonte.
Ik zei niets en dacht: dan niet.
Hij keek nors, knikte kort en ik tekende. Hij trok het papier onder mijn handen vandaan.

Een paar dagen later werd ik ontboden. Allen in zijn spreekkamer staarden mij zwijgend aan. ‘U moet weer tekenen want iemand in het Sophia heeft zitten slapen!’ blafte Bibber. Welke verdomde tikgeit had het in haar hoofd gehaald zijn fax met een jantje van leiden af te handelen?
Ik speelde het spel mee en tekende.

Een week later.
Joris kwam onverwacht langs en zat naast me in een lege spreekkamer, in afwachting van Bibber.
Daar was het gezelschap.
Mij liep hij met een nietszeggende blik voorbij.
Joris stond op om hem een hand te geven maar zijn hand werd genegeerd.
‘Wat is uw functie hier!’ eiste Bibber.
Joris zei onbewogen: ‘Ik hoor bij m’n vrouw.’
Ik keek naar de notulist. Viel er iets te schrijven, deed hij het niet.
Bibber brieste: ‘Het Sophia is uw dossiers kwijt!’ Zijn vlezige hoofd met onderkinnen leek te exploderen.
Joris veegde met zijn hand over zijn gezicht. Ik moest per ongeluk glimlachen.
‘Enige idee hoeveel tijd ik daar ingestoken heb?’ spuugde hij.
Nog voor ik iets kon antwoorden, vertrok het clubje alweer in ganzenpas.

‘Kom,’ zei ik tegen Joris, ‘laten we koffiedrinken op het platje.’
We waren de enigen. De rest had muziektherapie; de stakkers.
De zon scheen, zwaluwen scheerden door de lucht, eenden dobberden in de sloot.
‘Leuk, hè?’ zei ik.
Lief glimlachte voldaan en zei: ‘Wat had die man er de pest in!’
We waren trots op het Sophia. Ze waren hun belofte aan mij nagekomen: tien jaar na mijn ontslag hadden ze mijn medische dossiers vernietigd.
Zwijgend dronken Joris en ik onze koffie. We voelden ons meer verbonden dan ooit.

Een doosje voor 21 dagen

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand oktober met als thema: nadenken.

‘Pap…ik wil niet dat je weggaat!’ zegt Stijn met de meest trieste blik die hij in huis heeft.
‘Het is voor mijn werk, knul.’
‘Ja, maar…21 dagen… Ik weet niet hoe lang dat duurt.’
Vader tilt Stijn op, draagt ‘m naar de keuken en wijst naar de kalender. ‘Kijk, iedere avond zet je een streep door de dag, en dan weet je dat je één dagje dichter bij mij bent.’
Langs Stijns wang biggelt een traan.
‘Wil je dan elke avond een dropje?’ stelt vader voor.
Stijn snikt: ‘Als ik uit bad kom, heb ik mijn tanden toch al gepoetst?’
Tegen zoveel kinderlogica kan vader niet op.

Ze kroelen een tijdje.
Vader probeert te verzinnen wat de duur van zijn afwezigheid tastbaar kan maken.
Hij duwt zijn neus in Stijns nek en gaat in gedachten de inhoud van de keukenkastjes na. Het moet iets zijn wat het eind van een dag markeert.

‘Ik heb een idee,’ zegt vader plots en zet Stijn op de grond. ‘Blijf hier staan en niet kijken, hoor!’
Vader trekt een keukenkastje open, pakt er iets uit en telt 21 stuks af. Ondertussen houdt hij in de gaten of Stijn niet stiekem door zijn wimpers gluurt.
Hij pakt een handje van zijn zoontje, legt het pakje erop en zegt: ‘Eerst voelen voordat je je ogen opendoet.’
Stijns hand schiet omhoog: het pakje weegt niets. Hij pakt het met zijn andere hand vast en zegt verbaasd: ‘Het is een doosje.’ Zijn vingers voelen gladde en ruwe zijkanten. Zonder het doosje open te maken weet hij wat erin zit.
Hij opent zijn ogen en kijkt zijn vader in verrukking aan.
‘Oh…pa-hap…!’
‘Iedere avond mag je er samen met mama eentje afsteken. Buiten op het stoepje of binnen boven de gootsteen. Net zolang totdat ik terugkom.’
Dat vindt Stijn een super idee.

Mentaliteit

Door het keukenraam kijk ik uit op een zijstraat. Midden op straat ligt een dode, zwarte vogel. Eén langgerekte poot steekt omhoog. Qua grootte schat ik dat het om een kauwtje gaat.
In ons dorp mag je maximaal 30 km/u rijden, hetzelfde geldt voor de Tiendweg, de aanrijroute naar het dorp. Dat neemt niet weg dat de weg regelmatig geplaveid ligt met dode egels, katten en eenden. Waarom nemen bestuurders niet de moeite te remmen?

Ik denk terug aan een gesprek dat ik vorige week bij de slager volgde.
Daar stond een vrouw met een deftig uiterlijk. Tegen een mevrouw naast haar vertelde ze dat ze haar rieten boodschappenmand niet zoals de meeste dames bij de drogist had gekocht, maar in de Provence. Het laatste woord sprak ze uit als: prrro-ván-ze, waarbij ze het zich even permitteerde een blik op mijn mand te werpen. Ik weerstond de aanvechting te roepen dat ik de mijne op de markt had gekocht. Dat plezier gunde ik de vrouw wel, maar het gesprek kabbelde alweer verder. Opeens hoorde ik de deftige dame ferm zeggen: ‘Als er eenden op de weg lopen, rijd ik er gewoon overheen. Moeten ze daar maar niet lopen. Eenden horen in de sloot.’
Ik dacht dat mijn oren er afvielen.
‘Wat is dan het volgende waar u overheen rijdt?’ kon ik niet nalaten te vragen. ‘Een poes?’
‘Eén pot nat,’ zei de vrouw terwijl ze haar schouders ophaalde.
Mijn hersenen konden het niet verwerken.
Een man naast me vroeg op scherpe toon: ‘Wat is dat nou voor mentaliteit?’
‘Een gebrèk aan mentaliteit,’ beantwoordde ik zijn vraag.
De man en ik keken beide naar de deftige dame maar de opmerkingen gleden van haar rug als water van een zeehondenvacht.

Een buurjongetje komt aanrijden op zijn crossfiets. Hij stopt naast de dode vogel.
Hij geeft het beest een zacht duwtje met zijn voet, dan een wat stevigere duw en hij begrijpt: deze vliegt niet meer. Met zijn voet schuift hij de dode vogel naar de kant, zo dicht mogelijk tegen de stoeprand aan. Hij blijft er even bij staan kijken. Kennelijk bevalt deze laatste rustplaats hem niet, want hij legt zijn fiets op de stoep en loopt terug naar de vogel.

Daar blijft hij aarzelend staan. Zou hij aan de waarschuwing van zijn moeder denken: ‘Denk erom! Nooit een dood dier met blote handen aanraken!’ Het zou kunnen, want hij trekt de mouw van zijn voetbalshirt over zijn hand, tilt daar de vogel mee op en legt ‘m verderop voorzichtig in de bosjes. Zo klein als-ie is, heeft-ie meer mentaliteit in zich, dan menig andere volwassene.

Muzikale liefde

Het leven is een reeks toevalligheden en dit is er een van.
In 1978 had een collega van een oom kaartjes voor een concert van David Bowie. Zelf kon hij die avond niet. Of mijn oom de kaartjes wilde hebben?

Zo toog ik op mijn zestiende met mijn favoriete nicht Sterretje naar Ahoy. Van opwinding werd ik draaierig in mijn maag. Van de beste zanger had ik nog nooit gehoord, maar dat vond ik een detail.
Eenmaal binnen, zittend op de tribune, verstarde ik ter plekke. Als keurig stadskind had ik nimmer zoveel vreemdsoortige types bij elkaar gezien: mensen met hanenkammen, fietskettingen, tatoeages en in leren pakken.

Ik liet me onderdompelen in wat komen ging en het gevolg was verpletterend: het was liefde op het eerste gehoor.
Wel bleek ik een totale beginneling.
‘Wat is dat voor apparaat?’ vroeg ik aan Ster. Het geluid dat Bowie uit een kastje voortbracht leek op dat van een trein.
‘Dat is een synthesizer,’ legde ze uit, ‘daar kan hij elk geluid uithalen wat-ie wil, van een stoomlocomotief tot een fluitketel.’
Ik mompelde instemmend.
Daarna vertelde ze dat onze zanger een glazen oog heeft. Overgehouden aan een vechtpartij op school. Ik slikte alles voor zoete koek.

Na het concert was ik voor eeuwig fan. Ik kocht zijn vinyl en hing posters van hem boven m’n bed. Mijn moeder dreef ik tot wanhoop door zijn naam met balpen op m’n spijkerbroeken te schrijven.
Op school liep ik uit de pas met zijn buttons op mijn jas, want de groepsstandaard was  “Grease. ”

Bowie stapte door de jaren heen als een kameleon van de ene muziekstijl over op de andere. Ik ging er gewillig in mee, al heb ik voorkeur voor zijn oude werk. Zijn stem raakt de randjes van mijn ziel en ik herken ‘m uit tienduizenden.
Ik ben naar veel concerten geweest, maar heb nooit overwogen flauw te vallen of een slipje naar z’n hoofd te gooien.

Voor ik Joris leerde kennen, had ik een vriendje dat een pesthekel aan Bowie had. Ik denk dat-ie nu nog nachtmerries krijgt als hij een nummer van ‘m  op de radio hoort.

Joris heeft Bowie gewoon geadopteerd. Toen hij in de krant las dat Bowie in Nijmegen zou optreden, stelde hij voor er een uitje van te maken. Lief is nooit hartstochtelijk fan geworden maar zingt de meeste teksten luidkeels mee. Zelfs Roos is besmet. Al vindt ze dat ik de enige ben met “zo’n achterlijke ringtone op mijn mobiel.” En dat is nou precies de bedoeling …

Wat was jouw eerste (pop)concert?