De telefoon gaat. Het is Bettie; een vage kennis van vroeger die naar Frankrijk is geëmigreerd. Meestal belt ze Greet alleen als ze een klankbord nodig heeft. Ruim een jaar geleden alweer dat ze elkaar voor het laatst gesproken hebben. Bettie weet niet eens dat Nelis chemokuren heeft gehad en sinds een week morsdood is.
Hij was geen fijne man geweest.
Toen ze nog jong was had Greet gehoopt dat het leven hem milder zou stemmen, tot ze begreep dat mensen niet veranderen. Ze had het geaccepteerd, net zoals ze het stoppen van het vieren van hun trouwdag had geaccepteerd. Uitgerekend toen zij een scheiding overwoog, kreeg Nelis slecht nieuws te horen.
Bettie wauwelt aan één stuk door.
Net als Nelis, die zeurde ook onafgebroken. Ook wanneer zij net een goed boek zat te lezen. Goh, denkt Greet verheugd, daar kom ik nu weer aan toe!
Ze hoort een luid gebrom uit de keuken komen. Het is weer eens zover! Ze loopt de keuken in en gaat met haar kont naar de koelkast toe staan. Ze maakt met haar onderlijf een beweging naar voren, gevolgd door een naar achteren, en ramt haar billen keihard tegen het oude kreng. Onmiddellijk stopt het gebrom.
Greet knikt tevreden: ze het apparaat het zwijgen opgelegd. Het wordt tijd dat ding te vervangen en ze heeft er niemands goedkeuring voor nodig!
‘Hoe gaat het met Nelis?’ vraagt Bettie.
Het is alsof Greet wakker wordt geschud. Ze weet dat Bettie geen uitgebreid antwoord verwacht; ze stelt de vraag alleen voor de vorm, ter afronding van het gesprek.
Ze bedankt er voor Bettie te vertellen van de hoed en de rand. Dat ze na het overlijden van Nelis alleen hun naaste familie heeft gebeld, en in plaats van rouwkaarten te versturen een advertentie in de krant heeft geplaatst.
Wat haar betreft spreekt ze Bettie nooit meer! Ze heeft genoeg van haar eenzijdige gesprekken.
Greet kan niet wachten met de rest van haar leven te beginnen.
Haar oog valt op de oude koelkast, en het is alsof op datzelfde moment haar de juiste woorden in de mond worden gelegd.
‘Goed,’ antwoordt ze, en ze hoort de overtuiging en tevredenheid in haar eigen stem. ‘Goed,’ herhaalt ze weer, ‘je hóórt ‘m niet!’