De kromme jongen

Drie mannen keken ongeinteresseerd naar de poursuivants van de Tour de France op het grote flatscreen. Het was het enige wat bewoog in de kroeg.
De meest linkse van het stel – tevens de dikste – sloeg het restant van zijn bier achterover en liet een boer.
De barman – een stevige man met een Jezus-tattoo op zijn linker bovenarm – liet zijn ogen van het flatscreen naar de de boerende klant dwalen.
De boer gebaarde naar zijn glas en werd op zijn wenken bediend.

Een dame liep vanuit de keuken het café in.
De boer keek met grote belangstelling naar de komkommer die ze in haar hand hield.
De vrouw pakte een mes uit een la, gaf een snee in het plastic waarin de kromme jongen verpakt was, en trok het plastic er met een geroutineerd gebaar af.
De boer duwde met zijn elleboog tegen de arm van de maat naast hem; een grijns op zijn lippen.
De dame hield de komkommer nu onder de kraan en maakte stevige veegbewegingen.
Beide mannen maakten verheerlijkte geluiden. Ze kreunden steeds harder terwijl de vrouw de groente afdroogde.
De derde man deed niet mee. Hij tuurde met slaapogen door zijn brilletje naar het tv-scherm alsof hij aanvoelde in welke stemming de vrouw verkeerde.

De bardame nam de afgedroogde komkommer in haar hand, hield ‘m bij het kromme uiteinde vast en maakte er een schietbeweging mee naar de twee mannen die haar handelingen op de voet volgden.
De derde man knikte instemmend in zichzelf: zó’n stemming dus.

Met het mes maakte de vrouw gehakt van de komkommer, en toen ze klaar was, keek ze de zojuist nog lachende mannen een voor een kort aan, draaide zich om en verdween door de klapdeuren de keuken weer in. Onduidelijk was waarom ze de komkommer niet gewoon in de keuken gesneden had.
Eén ding was wel duidelijk: geen van de mannen voelden zich geroepen het haar te vragen. Noodgedwongen zetten ze de achtervolging in op de poursuivants.

! Olé

Roos heeft haar biezen gepakt voor een weekje Barcelona.

Ruim een week stond haar koffer opengeklapt op de grond in haar kamer.
Leeg.
Na een meeslepend betoog kon ik haar overreden een paklijst te printen en in een vlaag van enthousiasme gaf Roos gehoor aan mijn verzoek. Daar bleef het bij.

‘Ik weet gewoon niet welke kleren ik wil meenemen,’ mokte ze in een flodderig huispak vanaf de driezitsbank.
Ik noemde wat zomerse kledingstukken op en sloot af met het advies: ‘Neem niet teveel mee, zodat er genoeg ruimte overblijft om cadeaus voor je vader en mij mee terug te nemen.’
‘Cadeaus?’ riep ze smalend, ‘ik ben toch zeker Sinterklaas niet!’
Waarna ze op luchtige toon vervolgde: ‘Suzanne en ik willen wel broodjes voor onderweg meenemen. Kan ik onze bestelling al doorgeven?’

Dat ze lukraak tijdig de benodigde attributen in haar koffer heeft gesmeten, mag een wonder heten.

Soort zoekt soort.
Dat geldt ook voor Roos en Suus: beide zijn kampioen in het kwijtraken van persoonlijke bezittingen. Zonder dat we het van elkaar wisten had ik voor een decolleté portemonnee voor ze gekocht, en Suzannes moeder smalle heuptasjes voor onder hun kleding.

Hoe dan ook: de dames zijn zojuist veilig in hun hotel aangekomen.
Roos’ salaris is gestort; de retourvluchten zijn betaald en over een week is vast hun geld op, dus komen ze ongetwijfeld terug naar huis. Roos kennende met een rolkoffer vol verhalen.

Spierballen

Ergens tegen een uur of drie ’s middags. Ik sta op de pont. Het waait debiel hard en de boot ligt dwars in het water om een containerschip voorrang te verlenen. Best lekker dat onstuimige deinen. Doet me aan het schip van de Efteling denken.

Zeven pubers kluwen samen in een hoekje. De langste torent binkerig boven de rest uit. Een jongen is duidelijk de klos: zes voorwielen bonken tegen de zijkant van zijn fiets. Eén meisje probeert het stuur uit zijn handen te trekken, en een derde rochelt op zijn schoen.

Het slachtoffer kijkt niet blij. Zijn rug lijkt in te zakken onder het gewicht van het geplaag. Hij knipt onzeker druppels weg, onderneemt geen poging iets te zeggen, en kijkt wat onzeker naar mij.
Ik ben op voorhand geirriteerd als ik oneerlijke geduw en getrek zie, maar zes pubers…hoe krijg je die aan het lachen? Ik ga het proberen.

‘Hé! Nokken jongens! Anders gooi ik jullie fietsen over de reling!’ Er staat zoveel wind, ik schreeuw bijna mijn keel uit de kom.
Hoongelach stijgt op uit zes kelen. Logisch. Met een beetje geluk – als ik de deining mee heb – kan ik net één fiets in de Lek gooien, laat staan zes.
‘Wel als jullie me er even bij helpen. Dit is je kans om je spierballen te laten zien!’
Ze lachen nu nóg harder.
Was ik Pippi maar: zij tilt moeiteloos haar paard op.

Een bijdehandje zegt: ‘Dat vindt mijn moeder vast niet leuk, mevrouw.’
‘Zou je moeder het leuk vinden als jij iemand pest?’ vraag ik.
Hij overweegt een antwoord, maar haalt in plaats daarvan zijn schouders op.
Toch lijkt de lol van het pesten er een beetje af.
Het slachtoffer grijpt een pakje kauwgom achter een rits vandaan.
‘Lekker,’ zegt Bijdehandje.
Bijtende honden kun je beter maar te vriend houden, dus deelt het slachtoffer uit. Het snoep valt in de smaak. Kauwend wacht het clubje op de overkant.

De pont schuift aan wal en de bomen zwaaien open.
‘Hé, mevrouw!’ roept Bijdehandje.
Nu gaat-ie iets onaardigs zeggen, weet ik, of zijn middelvinger naar me opsteken. Had ik me er maar niet mee moeten bemoeien, maar ik kan nou eenmaal niet niks doen.
‘U bent net zo gek als m’n moeder,’ en geeft me een knipoog toe.
Ik val bijna flauw.
De jeugd van tegenwoordig…ze blijft me verbazen.

Noordsingel

Griekenland mag dan zo goed als failliet zijn, daar kon deze aantrekkelijke Griek tegenover haar niets aan doen. Sterker nog: hij had er ook last van.
Ze zaten ieder aan hun derde glaasje ouzo en ze wist waar dit op uit kon draaien. Of alleen in een taxi terug naar haar hotel, of vannacht bij hem gaan slapen. Nou ja, slapen…als daar nog tijd voor overbleef.

Ze vond hem onaards knap. Donker haar, een baard van twee dagen en ogen diepblauw als de Middellandse Zee. Hij hoefde er maar mee te knipperen en ze sprong erin. Wat maakte het ook uit? Liefde is van alle landen en leeftijden.

Hij vond het interessant dat zij in Rotterdam woonde; zijn broer woonde daar namelijk ook. Aan de Noordsingel. Kende zij die straat toevallig?
Het had niet veel gescheeld of ze was in lachen uitgebarsten. Net op tijd wist ze zichzelf in bedwang te houden.
Hij vertelde dat zijn broer in een appartement met een aantal anderen woonde, en dat kost en inwoning was geregeld. Aan een baan dacht zijn broer voorlopig niet. Zij zat in dubio of ze naar het huisnummer zou vragen.

Na het vierde glaasje hield zij het voor gezien. Tenslotte wilde ze wel bij kennis blijven bij wat ze vannacht allemaal gingen doen, want ja, uiteraard ging ze met hem mee.
De nachten met hem waren geweldig, maar na twee nachten vuurwerk waren ze beiden hard toe aan nachtrust. Smeltend van geluk was ze op zijn harige borst snurkend in slaap gevallen. Dat vond hij niet erg, zei hij.

Kon het maar eeuwig duren.
Helaas kwam haar vertrekdatum met rasse schreden in dichterbij. Dat werd huilen bij het afscheid, wist ze. Zouden ze elkaar ooit weerzien?
Hij gaf haar een brief mee voor zijn broer en een doosje met Griekse delicatessen. Ze beloofde het persoonlijk aan zijn broer te overhandigen.

Ze namen afscheid in de vertrekhal. Op de vliegtuigtrap draaide ze zich nog een laatste keer om en blies hem kushandjes toe. Toen stapte ze het vliegtuig in en zocht een plaatsje.
Ze was benieuwd of zijn broer veel op hem zou lijken. Zou hij net zulke blauwe ogen hebben?
Over drie dagen wist ze het, want dan ging ze weer aan het werk op de Noordsingel. Ze wist nu al meer van zijn broer dan
haar ex-geliefde zelf. Noordsingel 115 is namelijk het exacte adres van de penitentiaire inrichting.

Perikelen

Sinds Rosa haar intrede heeft gedaan, is “Heeft ze nog wat gedaan?” de meest gestelde vraag in Huize Kakelbont. Niets kan ons gelukkiger maken dan een plasje buitenshuis. Draait Mevrouw dan ook nog een flinke drol, dan is het feest compleet.
De grootste kan op een kleine en grote boodschap is na een lange nacht.

Man treft het dan ook: ’s ochtends vroeg – vijf uur – mag hij zijn bed uit om Rosa uit te laten. Hij tilt haar uit de bench waarna ze haar warme hondenlijf tegen zijn brede borst schurkt. Daarbij wordt hij overladen met likken, waar Lief van gruwt.

Rosa stinkt niet alleen naar het voer dat ze vreet, het is ook idee dat de hond zich met verve bovenop elke losse konijnenkeutel stort die Saartje her en der in huis deponeert. Rosa vreet ze op als ware  het een delicatesse. Zijn de losse keutels verorberd dan verplaatst ze zich sneeky naar de kattenbak. Met een schuin oog kijkt ze of niemand op haar let, zo ja, dan kijkt ze je aan met een nonchalante blik van: ach, ik was hier toevallig in de buurt.

Ondanks Mans prestatie op het vroege uur, vinden Kind en ik dat het oneerlijk verdeeld is. Wij houden ons de rest van de dag met de opvoeding van Rosa bezig, en toch heeft Rosa Man tot haar favoriet gekozen.
Logischerwijs komt hij na elke werkdag vreugdevol thuis: daar wordt hij besprongen  opgewacht door drie blije “vrouwtjes.”
Wie wil dat nou niet?

Konijn en hond hebben meerdere keren neuscontact gehad. Zonder tralie ertussen, maar van vriendschap is nog geen sprake. Iets zegt ons dat het goed komt…