Hoe vier je het leven? Hij is het kwijt.
Hij ziet de schuchtere bloemblaadjes in het voorjaar niet, noch hoort hij de zingende merels.
‘U heeft wel gevoel,’ zegt een therapeut die hij bezoekt, ‘maar u kunt er niet goed bij. Waar bent u het verloren?’
Op de begrafenis van zijn vrouw.
Die ochtend was hij met een gebroken hart wakker geworden: in elke hand lag een helft. Sindsdien voelt hij zich als de kamerplanten in het raamkozijn. Door de aandacht van zijn vrouw hadden ze gebloeid; na haar overlijden zijn ze verschrompeld.
‘U moet vaker leuke dingen doen,’ adviseert de zielendokter. Dat is nou juist de pest: hij vindt niets leuk. Zelfs geen klein beetje. Niets voelen vindt hij trouwens fijner dan verdriet hebben.
Op een koude voorjaarsdag waarschuwt het KNMI voor een zware storm.
Hij moet er bijna om lachen; om over zijn gevoelstemperatuur maar te zwijgen. Hij trekt zijn jas en laarzen aan en loopt naar het strand. Daar laat hij zich achterover vallen in de woedende adem van de wind, net zolang tot het woeste water hem op de hielen zit. Tranen rollen over zijn wang. Hij likt ze op, ze zijn zout. Of is het de zee die hij proeft? Hij zal zich laten verzwelgen door het kolkende water. Niets doet er meer toe.
Plots hoort hij een stem: ‘Lief mallootje van me.’
Hij schrikt ervan. Het is haar stem! Hij kijkt, maar ziet haar nergens.
‘Mijn hart klopt nog steeds voor jou,’ praat ze verder. ‘Ik wacht op je aan de overkant. Maar tot jouw tijd gekomen is, moet je iets voor me doen: zoek de liefde in je leven.’
‘Ik wil geen andere vrouw!’ Hij buldert het; bang dat ze hem anders niet kan horen.
‘Jouw liefde voor mij, die eens je hart ontstoken heeft, moet sterk genoeg zijn om de liefde terug te vinden in jezelf.’
Binnenin hem woedt een storm.
Steeds sneller lopen zijn voeten over het lege trottoir. Zijn handen voelen als bevroren. Met moeite krijgt hij de huissleutel in het slot.
Binnen neemt hij niet de moeite zijn laarzen en jas uit te trekken, en loopt direct naar zijn kant van het tweepersoonsbed. Hij heeft honger naar haar woorden en haar handschrift. In een la vindt hij wat hij zoekt: een stapel verkleurde liefdesbrieven, bijeengehouden door een henneptouwtje.
Hij herleest ze en piekert zich suf: hoe kan hij nou net zoveel van zichzelf houden als van haar?
Hij kan er niet van slapen, maar deze keer is het niet de leegte die hem wakker houdt, maar zijn hersenen die een oplossing proberen te vinden.
Langzaam voelt hij zich wegzakken, maar nog net op het randje van waken en slapen, schiet hem iets te binnen wat zijn ontmoeting met haar en haar advies voor altijd markeert. Zo simpel en eenvoudig, maar zo doeltreffend. Voor altijd.
Morgen zal hij hun beide namen zijn arm laten graveren.
Als een einde maar ook als een voorzichtig begin.