Een nerveus uitziende man klampt me aan.
Met een zucht kom ik tot stilstand. Zie ik er uit als een vrouw die een vreemde man graag een pleziert doet? Ik ben al op voorhand geirriteerd, want ik heb uit gelubberde armen van het sjouwen, moet piesen, heb dorst en wil zsm naar huis.
Waarschijnlijk trek ik een gezicht alsof ik strafwerk heb, want de man verontschuldigt zich onmiddellijk. ‘Sorry mevrouw….Ik…ik…’ Hij valt stil en laat zijn schouders zakken.
Ik word overvallen door een knagend gevoel. Het duurt even voor ik het herken. Het is…het is…ahh… ik weet het weer: het is mijn zelfcorrigerend vermogen!
‘Wat kan ik voor u doen?’ vraag ik en laat mijn tassen op de grond zakken.
‘Zou u…even op mijn boodschappen willen passen? ‘Want…’ de man kijkt zenuwachtig naar het trottoir achter zich, ‘…ik weet niet of ik daar langs kan lopen. Ik ga even kijken of het kan en kom dan terug om mijn tassen op te halen, begrijpt u?’
Ik snap er geen reet van. Volgens mij is dit de verborgen camera. Blijven lachen.
‘Waarom denkt u dat u daar niet kunt lopen?’ Ik wil niet op tv, maar wel intelligent overkomen op de cameraman.
De man snuift afkeurend dat ik het niet begrijp. ‘Omdat die hekken er staan!’ zegt hij. Hij wipt op zijn voeten heen en weer en staat te springen om weg te kunnen lopen. Zou hij zijn intelligentie kwijt zijn?
Het langs de hekken lopen duurt vast maar even, dus stem ik toe.
Spoedig verdwijnt de man uit zicht.
Mijn moeder heeft me geleerd dat ik van andermans spullen moet afblijven, maar kijken mag wel. Het eerste waar mijn doorgewinterde oog op valt, zijn de lekkernijen in één tas: kokosmakronen, spritskoeken, stroopwafels, gevulde koeken, boerencake, ontbijtkoek…
Daar steken mijn ongezoete boodschappen van de reformwinkel maar kleurloos bij af. De andere tas is minder interessant: losse aardappelen en een bloemkool.
Wat blijft de kerel lang weg! Even is al lang voorbij. Sta ik hier opgescheept met andermans eten. Zal je zien dat er straks een te langzaam rijdende auto voor me rijdt en ik mijn pies nog langer moet ophouden.
En het barst hier van de mensen; klampte hij uitgerekend mij aan!
En dan zijn er nog mensen die zich afvragen of het allemaal wel waar is wat ik in mijn stukjes schrijf. Alsof ik een ongeloofwaardig groots en meeslepend leven lijd leid.
Er komt een fietser op me af rijden.
Hij stopt, zet zijn fiets op de standaard, en wijst naar de tassen. ‘Ik kom de boodschappen voor mijn broer ophalen.’
Zijn broer? Dat lijkt me stug. De boodschappenman had de kleur van een mokkaboon en deze meneer die van een roetzwarte espresso.
‘Ik ben echt zijn broer,’ verzekert de fietser me als hij mijn twijfelachtige blik ziet. ‘Mijn broer…hij… kan niet tegen veranderingen,’ legt hij uit, ‘hij kreeg stress van die hekken. Aan het eind durfde hij niet meer terug te gaan, is naar huis gelopen en heeft mij gebeld.’
De broer pakt de tas met aardappels. Hangt die aan het fietsstuur en draait zich om om de andere tas te pakken. Kedeng! De fiets van de niet zo snuggerige man valt om. De bloemkool en aardappels rollen over straat. Voorbijgangers helpen met oprapen.
De hoogste tijd er tussenuit te knijpen!