Zoete herinneringen

In Rotterdam zat vlak bij school de sigarenzaak van Stuit.
Buiten hingen verschillende automaten met sigaretten.
Binnen zat meneer Stuit op een kruk achter zijn toonbank gelijk een vorst op een troon. Hij beheerde het walhalla voor de jeugd.
100-plussers herinneren het zich vast nog: duimdrop, zoute rijen, zoethout, salmiakknotsen, zwart-wit staven, limonadepoeder, schuimblokken, trekdrop, Belga’s, toverballen, borsthoning, spekkies…

Het was rennen als de bel voor de pauze klonk, want de “openbare stinksigaren” werden op hetzelfde tijdstip losgelaten en iedereen wilde als eerste bij de feestelijke winkel aankomen.
Onderweg had je al bedacht wat je wilde kopen, want je stuiver kon je maar één keer uitgeven.

Ik vond al het snoepgoed lekker, maar met name met één soort deed je lekker lang.
Meestal zei ik dan ook tegen meneer Stuit: ‘Eén pakje Bazooka’s alstublieft.’
Ik schoof mijn stuiver naar de oude man, hij deed het glazen deksel van zijn toonbank open en pakte mijn felbegeerde snoepgoed.

Zodra je de verpakking openscheurde kwam de zoete lucht je tegemoet. De kauwgom stond stijf van de roze kleurstof maar dat gaf niet want de medische wetenschap had het nog niet voor ongezond verklaard.
Het zat verpakt in een vettig papiertje waarop aan de binnenkant een piepklein stripverhaaltje van Bazooka Joe stond.

Je moest flink door kauwen om de bonk soepel te krijgen en dan kon je er gigantische bellen mee blazen. Had je zo’n grote bel gefabriceerd en liet je ‘m klappen dan zat je gezicht van kin tot kruin onder de roze gom.
Aan het eind van je pauze stopte je je bonk in het stripverhaal en in je broekzak.

Kon je thuis moeilijk afscheid nemen van je roze stopverf dan kon je hem laten overnachten in een glas water.

Dankzij Dick Swaab weten we dat (kauwgom) kauwen goed voor de hersenen is, want het houdt ze in beweging.
Zijn mijn stuivers tóch nog goed terecht gekomen.

Wat was jouw favoriete snoepgoed?

Pesten 3 – juul zonder hoofdletter

Tijdelijk woon ik in het Sophia Kinderziekenhuis op de afdeling psychiatrie. Ik ben niet gek hoor, alleen een doetje dat zich weg heeft laten pesten van school. Toen ik het vertikte nog één dag naar school te gaan, wisten mijn ouders zich geen raad en volgden ze het advies van de huisarts op: het Sophia. 

Wil je deel 1 lezen, klik hier.
Wil je deel 2 lezen, klik hier.

Omdat mijn “eigen” psychiater (Paula) met zwangerschapsverlof ging, kreeg ik een nieuwe. De nieuwe was het opperhoofd van de afdeling en het onsympathiekste mens van het Sophia. Ze liep met bazige pasjes door het ziekenhuis en werd door alle kinderen “de koningin” genoemd. Ik vond dat te veel eer en noemde haar “juul zonder hoofdletter.”

Haar kamer had niets fleurigs. De muren, kasten en vloerbedekking waren grijs. De plant in de hoek stond op uitvallen.
Tijdens ons eerste gesprek droeg juul me op zo snel mogelijk haar vriendin te worden, want “een vriendin vertel je alles.”
Ik had maar één voornemen: ik ging niet huilen waar zij bij was.
Gesprekken met juul waren interviews, overhoringen. En volgens haar gaf ik altijd het verkeerde antwoord.
Ik kroop steeds meer in mijn schulp.

 

Toen ik op een dag haar kamer binnenstapte, stond er een bandrecorder. Ik kon mijn ogen niet van het apparaat afhouden.
‘Vind je het goed dat ik ons gesprek opneem?’ vroeg juul. Tegelijkertijd zette ze ‘m aan.
Ze wachtte niet eens op mijn antwoord! Ik zag de rollen draaien en schudde nee.   ‘Kun je iets harder praten, anders kan de bandrecorder het niet opnemen.’
Het liefst was ik de kamer uitgehold, maar zij was een type dat je tegenhield.

 

In haar bijzijn heb ik maar één keer gelachen en nog niet eens voluit.
Tijdens een van haar opvoedkundige monologen overviel me de gedachte: hoe het zou zijn als ik een toetje in haar schoot gooi? Die gedachte was zo absurd. Alsof iemand een luikje in mijn hoofd had openmaakt en die gedachte erin had gestopt. Krampachtig deed ik mijn best niet te lachen. Ggggg, kwam er uit mijn keel.
‘Wat is er?’ vroeg juul.
‘Niets.’
‘Heb je een binnenpretje?’
‘Sorry?’
‘Waarom moet ik altijd alles herhalen? En je let weer niet op wat ik aan het vertellen ben!’
Ik durfde haar niet aan te kijken.
Stilte.
Die immense stilte.
Ze zuchtte.
Dat zou ik ook wel willen.
Ze keek op haar horloge.
Kon ik de wijzers maar vooruit duwen.

 

Toen kwam de dag dat ze tegen me loog.
In plaats van een gesprek in haar eigen kamer, moest ik met haar naar de grote kamer met de spiegelwand.
‘Zitten er mensen achter de spiegel?’ vroeg ik.
‘Ik verzeker je dat dat niet het geval is,’ gaf juul als antwoord. Ze praatte graag ingewikkeld.

Wat denk je? Na afloop van ons gesprek, ging de deur van de kamer achter de spiegel open en kwamen er mensen met blocnotes in hun hand uitlopen. Ik stond aan de vloer vastgenageld. De mensen keken allemaal naar mij. Met z’n allen hadden ze door de spiegel naar me zitten loeren. Misschien hadden ze zelfs grapjes over me gemaakt…

Huilend op mijn kamer dacht ik: ik ben toch niet van school weggelopen op met me te laten sollen? Om met juul opgescheept te zitten?!
Ik wilde geen therapie meer van haar.
Maar hoe vertelde ik het? Ik was als de dood voor haar.

 

Op mijn vaste tijdstip liep ik naar haar kamer en bleef in de deuropening staan.
Ik keek haar aan.
Kort.
Veel te lang.
Snel zochten mijn ogen de vlekken op het tapijt; ik telde ze alle zes.
Ik keek naar de plant in de hoek waar altijd blaadjes naast lagen. Zelfs de plant hield het niet uit bij haar.
Ik zei: ‘Ik wil niet meer met u praten. Ik wil een andere dokter.’
‘Dat kan niet,’ zei ze, ‘dat bepaal jij niet.’
‘Toch kom ik niet meer,’ zei ik.
Ze lachte en antwoordde: ‘Ik ben het hoofd van de afdeling. We zullen zien wie er aan het langste eind trekt.’

Niemand had verwacht dat ik mijn woorden in daden zou omzetten en dat ik zou weigeren naar juul te gaan.
Voor straf moest ik de tijd die ik anders bij haar doorbracht – twee keer per week á anderhalf uur – met mijn armen over elkaar aan de eettafel in de huiskamer zitten.
Ik mocht niets doen en met niemand praten.
Eerst móest ik praten en nu mocht ik niet praten. Ik vond het beslist een verbetering.

Iedereen probeerde me over te halen weer naar juul te gaan, maar het idee dat zij met een triomfantelijke blik tegen me zou zeggen dat ik aan het kortste eind getrokken had, maakte dat ik het niet over mijn hart verkrijgen kon.

Uiteindelijk heb ik mijn zin gekregen en kreeg ik een nieuwe psychiater. Een man. Hij was aardig. Net een gewoon mens.

Marrakesh

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand april met als woord: evenaren.

Regen valt met bakken uit dramatisch gestapelde wolken.
Tevreden ligt Silvia bruinverbrand op de bank in de schaars gemeubileerde kamer. Ze neemt een slok van haar groene thee met munt en bladert voor de zoveelste keer door het fotomapje. Alle foto’s zijn op chronologische volgorde in de hoesjes gestoken, en bij elke foto weet ze iets te vertellen.

…In het vliegtuig boven de wolken.
De aankomst in Casablanca en de binnenlandse vlucht naar Marrakech, de stad waarvan de meeste huizen rood zijn geverfd.
De Medina die door Unesco tot Werelderfgoed is verklaard.
De bazaar met zijn pittoreske steegjes en kraampjes met zakken vol felgekleurde specerijen, vruchten en noten.
De slangenbezweerders.
De tocht per Jeep van 400 km dwars door de Sahara over prachtig uitgewaaierd woestijnzand.
De dagenlange trektochten op het schip der woestijn. (Haha, die kamelenkop! Net Jochem van de productieafdeling.)
Het slapen in bedoeïenententen; het smakelijke eten uit aardewerken stoofpotten en de gastvrijheid van de bewoners…

Voldaan klapt Silvia het mapje dicht.
Ze verkneukelt zich bij het idee hoe haar verhalen bij haar collega’s over zullen komen. Die gaan elk jaar luxueus naar Zuid-Afrika, Oman of Hawaii, terwijl zij gelukkig wordt van een “zimmer frei” in Zeeland.
Het is niet dat zij zich schaamt dat ze geniet van de kust vlak bij huis.

Ze komt helemaal tot rust van de branding, de zilte zeebries en het schuimend water.
Ze is alleen de degenererende opmerkingen beu. Voor één keer wil ze ook wat bijzonders te vertellen hebben.
Van tevoren heeft ze zich ingelezen over de reis naar en door Marokko. Ze heeft romans gelezen die zich afspelen in dat land, en ze heeft zoveel foto’s bekeken op internet, dat ze zelf begint te geloven dat ze er werkelijk geweest is.

Hulp!

Het is weer dinsdag en dan komt onze hulp. Dat betekent dat er eerst puin geruimd moet worden.
Kinds kamer is er het ergst aan toe. Roos – de stakker – moet haar bed afhalen en dat valt niet mee als je er net onder vandaan kruipt. Of dat nog niet vermoeiend genoeg is, moet ze het beddengoed samen met haar vuile sokken in de wasmand op zolder gooien. Daarna opent ze voorzichtig het raam.
Schoenen die naast het schoenenrek liggen, gaan de kast in; tijdschriften en kranten gaan op een stapel, en snel veeg ik met veger en blik wat losse keutels van Saartje op. Het blijft genant iemand jouw persoonlijke rommel op te laten ruimen.

Daar is onze rots in de branding!

Yargul heeft een lieve man en vier kinderen.
‘Waarom heb jij maar één kind?’ was haar eerste vraag aan mij.
‘Mogen jouw dochters trouwen met wie ze willen?’ vroeg ik aan haar.

Op haar achttiende is Yargul getrouwd en uit Turkije naar Nederland gehaald. Na drie maanden was ze zwanger. Ze begreep niet hoe het kind erin was gekomen, laat staan hoe het geboren moest worden. Ze sprak geen woord Nederlands, en had hier geen kennissen of familie.

In Turkije is ze wel naar school geweest, maar er was daar een tekort aan leraren. Als er al les werd gegeven, gebeurde dat in het Turks terwijl zij Koerdische is en Koerdisch spreekt: een taal die in Turkije nog steeds officieel verboden wordt.

Toen haar oudste naar de lagere school ging, is Yargul mondjesmaat Nederlands gaan leren. Ze heeft een tijd op Nederlandse les gezeten, maar dat vond ze te moeilijk. Nu leren haar kinderen haar Nederlands lezen met behulp van kinderboekjes uit de bieb.
Omdat haar man moeite heeft met de praktische kant van zijn integratiediploma (onbegrijpelijk, want hij spreekt vloeibaar Nederlands) kunnen ze niet op vakantie naar Yarguls ouders in Turkije.

Yargul heeft nog het meest wel van een poetsend, mollig kaboutervrouwtje.
Ze klopt en ze veegt en ze zuigt.
Ze neemt zelfgemaakte yoghurt mee en die mag ik dan opeten.

Ze is een lieverd, altijd vrolijk en ze heeft een geweldig gevoel voor humor.
We praten over alles: de kinderen, hoofddoekjes, Sinterklaas, Kerst, Ramadan, het Suikerfeest, hun moestuin, haar jeugd op de boerderij van haar ouders in Turkije…
We begrijpen elkaar niet altijd, maar met handen en voeten komen we er toch uit. Wat ook enorm helpt is lachen om jezelf!