Patatje oorlog

Het summum van je rijbewijs hebben, is naar de MacDrive rijden en daar je bestelling plaatsen. Althans, volgens Roos.
Alle drie vinden we de patat van Mac maar zo-zo, dus gaan we voor onze frites naar Bram Ladage. Mensen komen van heinde en verre om daar de gruwelijkst lekkerste patat te kopen. De patat eten we op in de auto en daarna rijden we – pardon: Roos –  voor ons toetje naar Mac.

‘In wie z’n auto mag ik rijden, pap? In die van mama of van jou?’
Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten. Ik glimlach alsof ik het antwoord al weet.
Pap laat een betekenisvolle stilte vallen.
‘Hij vertrouwt me niet!’ sist Roos in mijn oor.
Mannen en auto’s, hoe vertel je het je dochter?
Ooit zong Tammy Wynette: “Stand by your man.” Als zij een man was geweest, had Tommy “Stand by your car,” gezongen.
‘Je mag wel in mijn auto rijden,’ bied ik aan.
Gelukkig vindt Roos dat ook cool.
Het moet wel snel gebeuren, want het rijbewijs brandt in haar zak.

Helemaal hieperdepiep kruipt Roos achter het stuur.
Ik ga naast haar zitten. Pap mag op de achterbank waar hij met zijn benen hoog opgetrokken de situatie voorin in de gaten houdt.
Roos kijkt ineens als een konijn dat gevangen gehouden wordt door de koplampen van een auto.
‘Eh…ik weet niet meer wat de rem en het gaspedaal is,’ piept ze. (Even voor de duidelijkheid: Roos heeft gelest in een schakelauto en mijn auto is een automaat.)
‘Hij staat toch op de handrem? Trap ze dan allebei maar in,’ dirigeert Pap van de achterbank. Goh, wat ben ik blij dat we een man bij ons hebben, zeg.
Roos trapt op het gaspedaal en zucht opgelucht: ze weet het weer!
Haar zenuwstelsel is rechtstreeks verbonden met het gaspedaal waardoor de auto soms een beetje hapert, maar Lief en ik verkeren geen moment in doodsangst.

Achter het stuur, lurkend van een aardbeienmilkshake, slaakt Roos zelfgenoegzame zuchten. Tijdelijk is dit haar gelukkigste plek op aarde.

Het parkeren thuis moet een paar keer over. Ik wil de auto dicht langs de stoeprand hebben zodat er niet weer iemand een deuk in rijdt.
Bij de vierde keer parkeert ze raak.
‘Skills!’ roept Roos trots. Leve het zelfvertrouwen van de jeugd.

Helaas…we zijn vergeten foto’s van onze schranspartij te maken. Eén troost, mochten we de sfeer weer willen proeven: de friteslucht hangt nog zeker een week in de auto.

Op de foto

Ik moet op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wil houden. Dus hop, naar de fotoshop.
Van tevoren de boel gepimpt: overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar.
Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijvoorbeeld de linker- of rechterkant van hun gezicht. Dat heb ik ook.
Bij mij doet vooral de achterkant het goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Flirten met de camera? Not.
Wat in mijn voordeel werkt bij de rijbewijspasfoto, is dat ik er niet lachend op hoef komen te staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de fotowinkel val ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen.
De eigenaresse heeft haar twee koeien van honden meegenomen. De beste beesten doen geen kat kwaad; ze liggen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben ook nog dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer waardoor ik één van de acht hondenpoten over het oog zie. Bijna zet ik mijn voet er bovenop. Bliksemsnel trek ik ‘m tijdig weg. Desondanks springt de eigenaar van de poot gealarmeerd overeind. Ik bots tegen het hondenlijf, raak uit balans en land op beide knieën op de grond.
Hond nummer twee maakt van de gelegenheid gebruik om mijn kruis te besnuffelen. De elegantie is weer ver te zoeken.
Gelachen dat we ze hebben.

Ik mag op het pianokrukje komen zitten.
‘Kijk,’ zeg ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, in de richting van mijn oren (ik had thuis uitgebreid geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’ vraag ik.
‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’ zegt ze fotomevrouw tactisch. Ze laat er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wil? Kijk maar even in de spiegel, daar hangt-ie.’
Ik sta op en snap het. Mijn wilde haren zijn op de fiets tot leven gekomen en hebben er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar…
Komt onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak, een lik aan mijn hand geven; dat kriebelt, ik lach, klick!
De hond wordt weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar.
Springt er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet), ik proest klick!
Ze kunnen tegenwoordig alles fotoshoppen, maar omhoog krullende lippen krijgen ze niet omlaag.
Met een ijzeren wil en een gepantserde blik kom ik uiteindelijk met een doodgraversgezicht op de foto.

Het is nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn.
‘Moet je nog boodschappen doen?’ vraagt de fotografe.
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’
Na dat eerste rondje is het fotoapparaat nog niet opgestart. Hij wil niet.
Na het tweede rondje nog steeds niet.
Na nog meer van dergelijke rondjes strijk ik duizelig op het pianokrukje neer. Het apparaat blijkt defect. De fotomevrouw begrijpt er zelf ook niks van. Ze heeft mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut weigerde het apparaat dienst. Héél vreemd, ja.
Of ik morgen even terug kan komen?
Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!

Billentikker

Breien, borduren en haken had ik op mijn 25-ste reeds lang onder mijn creatieve knie. Wat betreft kleding naaien, was ik een totale beginneling, terwijl me dat juist zo handig leek.
Zo waren korte rokjes standaard te kort omdat mijn benen zo’n eind doorlopen. Maar het liefst van alles wilde ik iets hebben wat nergens te koop was: een bruine billentikker.

In een keurig damesweekblad waar mijn moeder abonnee van was, stond het adres van een mevrouw die naailes gaf.
Op gezondheidsschoeisel, in een enkellange rimpelrok en tuthola-bloes ontving ze mij en vier andere cursisten. De juf bleek van goede gereformeerde komaf, en het leek haar een goed idee dat ik zou beginnen met het maken van een lange rok.
‘Een korte rok,’ stelde ik voor, ‘want ik draag geen lange.’
Nee, een lange rok was beter.

Onder begeleiding van de  Muzikale Fruitmand van de EO begon ik aan het uitraderen van een patroon. Behalve de muziek was ook de lerares dodelijk serieus. Tijdens de les mocht er niet gepraat worden, laat staan gelachen.

Ik hield me overeind met de gedachte dat het geheim van zigzaggen en locken op de naaimachine weldra aan mij geopenbaard zou worden, en daarna kon ik vast thuis aan de slag.
Helaas had ik geen rekening gehouden met mijn moeder. Ik woonde nog thuis en zij had een deugdelijk naaimachien, maar die mocht ik niet gebruiken omdat ze was bang dat ik ‘m  zou vernielen…

Ik nam mijn kleedje op en ging naar mijn tante die op loopafstand woonde. Groots werd ik onthaald. Behalve het gebruik van haar naaimachine, kreeg ik koffie en mocht ik de trommel met zelfgebakken boterkoek leegeten.

Spoedig bleek dat ik niet voor rechte zomen stikken in het ledikant ben gelegd. Ik had mijn doorzettingsvermogen kunnen aanboren, maar de christelijke muziek tijdens naailes gaf de doodsteek. De lange rok verdween in de schoenpoetsmand en van het idee van de billentikker heb ik afscheid genomen.

In plaats van sneu in een hoekje te gaan liggen, besloot ik naar Italiaanse les te gaan. Het was de tijd van Eros Ramazzotti, ik was aan het sparen voor een Italiaanse racefiets van Ernesto Colnago, en ging fietsen op Sardinie. De cursus was niet tevergeefs: op vakantie kon ik in vloeibaar Italiaans Campari met ijs bestellen.

Hebben jullie weleens een cursus voor je lol gevolgd? 

Rekel

Op mijn zesde verjaardag kwam ik in het rijke bezit van een platenspeler. Zeer tot ongenoegen van mijn Broertje, want hij had ‘m liever gekregen.
Ik draaide vooral singletjes. Daar moest ik voor sparen, en om dat leed te compenseren, kreeg ik er enkele van ooms en tantes. Puur omdat ze er zelf vanaf wilden, hoor. Zo kreeg ik een kinderkoor dat: “Hoor daar zingt de nachtegaal…” zong. Je reinste kindermishandeling!

Broertje kreeg ook plaatjes en die draaide hij dan op mijn pick-upje.
Een nummer dat we vijftig tinten grijs hebben gedraaid was: “Huilen is voor jou te laat” van Corry en de Rekels. Tot mijn Broertje het zo zat was, zijn ieniemienie zakmes pakte en een kras op het vinyl maakte. Daardoor bleef de plaat op hetzelfde punt hangen en zong Conny steeds alleen het woord “huilen,” waarbij ze een snik in haar stem had. Zo hadden Broertje en ik Corry nog nooit horen zingen; we vonden het beslist een verbetering.

Omdat Broertje en ik altijd net een verschillend plaatje wilden draaien, en niet op onze beurt konden  wachten, zorgde dat voor een dagelijkse oorlogvoering. Ten einde raad kochten mijn ouders voor hem ook maar een platenspelertje.
Toen begon het gedonder pas goed, want hij en ik wilden qua geluid boven elkaar uitkomen.

Omdat zakgeld dun gezaaid was, bleven we alles doen om aan gratis platen te komen.
Onze Oma had een lieve buurvrouw die ons wel een pleziertje wilde doen. Zij gaf ons lp’s van Tante Leen en Johnnie Jordaan. Dat trok ons Rotterdamse hart niet. Broertje en ik besloten ze als sjoelschijven te gebruiken. Over het gladde zeil van de gang in het bejaardenhuis, schoven we het vinyl onder de deuren door.
Tot Broertje een beter idee kreeg: “Kom mee naar buiten, dan gaan we ze daar als frisbees door de bosjes scheren!”
Ik geef het toe: het was ondankbaar, maar buurvrouws: “Veel plezier” was in elk geval niet tegen dovemansoren gezegd.

Vreemde vogelaar

Het is oranje en het zit op de schutting.
Sinds wanneer zie ik ze vliegen? Maar twee zintuigen die een loopje met me nemen is zelfs voor mij uitzonderlijk.
Ik sta oog in oog met een oranje kanarie.
Dat beestje heeft natuurlijk geen overlevingskansen buiten. Zal ik hem proberen te vangen? Hij zit vlakbij. Ik kan het toch proberen? Voorzichtig loop ik naar het vogeltje toe. Bijna ben ik bij hem…bijna…floepens, mis! De vogel is gevlogen. Wel heb ik een gat in mijn hand door een roestige spijker. Weer eens wat anders dan tijdens het shoppen.

Een mij tegemoetkomende meneer heeft het oranje zangtalent ook gespot.
‘Misschien staat er ergens een deur van een volière open,’ zegt de man tegen mij. ‘Kijk daar staat er eentje.’ Hij kijkt mij aan, zo van: regel jij dat even.
Soms ben ik de rotste niet.

Ik trommel een mevrouw met twee keffende hondjes uit huis. Het is niet haar kanarie, maar ze zal een vangnet pakken.
De kanarie vliegt verder en zit nu op het stuur van een kinderfietsje. De man loopt naar het vogeltje.
‘Misschien wil-ie op mijn vinger komen zitten,’ zegt hij.
Nou…als ik dat vogeltje was… De man ziet eruit als een sjappie, met ontploft haar, en een onverzorgd uiterlijk.
‘Kunnen we niet beter op het vangnet wachten?’ opper ik. Mijn idee wordt lauwtjes ontvangen.
De oranje fladderaar vliegt een hoge boom in. Einde verhaal.

Teruglopend naar mijn fiets, word ik achtervolgd door de spotter. Hij werpt me een poeslieve blik toe. Hij knikt naar me op een manier, zoals mensen die een geheim delen elkaar begroeten.
‘Hallo,’ zegt hij en raakt mijn hand aan.
Dat is míjn hand, denk ik.
Hij vertelt op blijde toon: ‘Ik heb ook een vogeltje. Een heel bijzonder vogeltje.’
Er bekruipt me een gevoel van lichte verwarring en onpasselijkheid. Wat heb ik nou weer aan mijn fiets hangen?

De man vertelt verder en raakt mijn arm aan.
‘Mijn vogeltje houdt ook van vrijheid,’ zegt hij met glimmende ogen.
Moeder Maria, denk ik, als hij het nu maar niet over zijn privévogeltje zonder veren gaat hebben.
‘Mijn vogeltje wil er elke dag een paar keer uit.’ De man kijkt naar beneden in de richting van zijn (s)navel.
Of ik wil of niet, ik kijk met hem mee. Zal hij een standvogel of een trekvogeltje hebben? Ik houd het voorlopig op het kleinste vogeltje van Nederland: het winterkoninkje.

De man zet een gezicht op alsof hij een buitengewoon fijne verrassing voor me heeft en doet een stapje dichterbij. Hij raakt mijn schouder aan en zegt vurig: ‘Mijn vogeltje is op zoek naar een nestje…’
Sjezus, straks doet hij zijn nog gulp open. Dank je de koekoek, van die aanblik blijf ik liever verschoond.

‘Wil je je vogeltje de rest van je leven nog blijven gebruiken?’ zeg ik dreigend, ‘dan zou ik ‘m maar in m’n broek laten zitten als ik jou was.’
Met een deerniswekkende gezicht kijkt de man me aan. Interesseert zijn vogeltje mij dan niets?
Nee, geen fluit!
‘En nou opzouten, anders fiets ik gewoon over je heen!’
In luttele seconden fietst deze vrije vogel de straat uit.