Rijbewijs

‘Wat doe je als eerste als je bent ingestapt?’ vraagt Man.
‘In de spiegel kijken of mijn haar nog goed zit’, antwoordt Kind.
‘En als tweede?’ vraagt Lief geduldig verder.
‘Op feestboek zetten dat ik nu mijn eerste rijles heb.’ Als Roos het gezicht van haar vader ziet, roept ze geirriteerd: ‘Ja, ja, ik geef de man een hand en doe mij gordel om!’ Het komt er snibbig uit, wat niet aardig is als je vader alles geregeld heeft.
‘Als jij morgen je eerste rijles hebt,’plaag ik haar, ’trek ik de luxaflex in de keuken omhoog en gaan je vader en ik voor het raam staan kijken hoe je wegrijdt.’

Het moment is daar: de lesauto rijdt voor de deur. Uit de auto met bovenop de naam “De Koning” stapt een Turkse meneer. Lief heeft alleen e-mailcontact met de man gehad, en begrijpt nu waarom hij met de naam van de rijschool ondertekende, en niet met zijn eigen naam. Een verrassing, maar geen probleem.
Man maakt kort kennis, en als Roos plaatsneemt achter het stuur, vlucht hij snel naar binnen. In de keuken blijft de luxaflex hangen, en Lief en ik gaan zelfs niet voor het raam staan kijken, maar dat hoeft ook niet, want in de weerspiegeling van de ruit van de keukenkast houden we alles in de gaten.

Daar gaat ze.

Aangeslagen komt Roos thuis. Ondanks haar zomersproeten ziet ze bleek rond de neus.
‘Wattizzer?’ vraag ik verbaasd.
Nou,’… begint ze… Haar onderlip trilt. ‘Die man vind ik niks. Op de dijk moest ik per se vijftig km/u rijden, ook toen er een fietser voor me reed en er een tegenligger aankwam… Ik kon ‘m amper verstaan…hij zat maar te mompelen. Toen ik ‘m niet verstond, gilde hij: “je gaat nu zzelv gazz geven en remmen…”maar toen ik remde gilde hij: “alleen alzzik het zzeg! Luizzter wat ik zzeg! Jij moet beter je bezzt doen, meizzje!”doet Kind zijn stem na. ‘Wat een creep, die kerel,’ zegt ze teleurgesteld.

Dit hadden we ons alle drie anders voorgesteld.
Autorijden leer je natuurlijk niet door achterover te leunen, maar je rij-instructeur kunnen verstaan lijkt me een prioriteit. We gaan er niet zeurderig over doen. Het barst van de rijscholen dus een nieuwe proefles is snel besproken. Telefonisch.

En zie daar: sinds vorige week is Roos de trotse eigenaar van het roze “papiertje.” Nu droomt ze van een eigen autootje (zie foto.) Een bescheiden *uche* wens voor een studente. Blijven dromen, Roos.

Herinner jij je je eerste rijles nog?

Zweetvoeten

De lucht is tranen trekkend weerzinwekkend en voor een gewone sterveling niet te bevatten.
Als Charles ’s avonds uit de bus stapt, kunnen ze hem thuis in de eetkamer al ruiken.
Onderweg stoppen koeien met herkauwen; houden vogels op met zingen; vallen muggen bij bosjes dood uit de lucht, en lopen mannen van het riool een straatje om.
Het zorgt voor vernederende taferelen op zijn werk. Collega’s hoesten demonstratief als hij op de gang voorbij loopt, of vragen zogenaamd voor de grap of hij al een andere baan aan het zoeken is.
Hij kan ze niet mild stemmen door te vertellen wat hij allemaal al heeft geprobeerd: wisselbaden, cremetjes, twaalf maal daags schone sokken, homeopathische balsems, geurvreters, kruidenthee, ochtendurine…
Zelfs de huisarts – een heel meegaande – weet het niet meer.

Echte liefde houdt zijn vrouw op de been, totdat ook zij het niet meer trekt.
Via via komt ze achter naam en adres van een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kwalijke dampen. Helaas betaalt de verzekering niets, en is zowel de reis als de behandeling duur.
Het voorstel van zijn vrouw om zijn collega’s om een financiele bijdrage te vragen, wordt op het werk met gejuich ontvangen, en er wordt grif gegeven.
Als de piloten onderweg niet bezwijken van de lucht, maken ze een goede kans.

De specialist legt uit dat het om een zware ingreep gaat, maar dat hij veel ervaring met de specifieke operatie heeft en dat de prognose goed is. De littekens zullen thuis mooi helen. Het revalideren zal wel lang duren, drukt de arts hen nadrukkelijk op het hart.
Hij zal een tijd lang op krukken moeten lopen, maar bijkomend voordeel van de behandeling is dat hij geen last meer zal hebben van zweetvoeten, ingegroeide teennagels, en eksterogen. De invoelende blik en geruststellende woorden van de arts klinken het echtpaar schoon in de oren, en met vertrouwen zien ze de behandeling tegemoet.

‘De operatie is geslaagd,’ fluistert zijn vrouw hem in zijn oor. Met gloeiende wangen staat ze naast zijn bed. Ze ziet eruit als een blije doos. Wat wil je? Reikhalzend kijkt ze uit naar het moment dat de wereld weer aan hun voeten ligt, en zijn nooit meer sokken van hem zal hoeven wassen.

!Si

‘Suzanne en ik willen deze zomer samen op vakantie,’ deelt Roos mee tijdens het avondeten.
Lief en ik knikken simultaan dat het goed is.
‘Op één voorwaarde,’ zeg ik.
Roos neemt onmiddellijk aan dat er een ramp op komst is en kaatst in de chagrijn-stand: ‘Moet ik zeker in Nederland blijven?’
Ik steek mijn tong naar d’r uit. ‘Je mag overal naar toe zolang je maar binnen Europa blijft. Je gaat niet naar een of ander gaar land dat de vrouwenrechten niet respecteert. Turkije of zo.’
Roos’ gezicht klaart meteen op.
Is dat alles? Oehoehoe.
Ze wil niet eens naar Turkije!

Een paar dagen later doet ze haar kamerdeur open net als ik de trap op kom lopen. ‘Suus en ik gaan een stedentrip doen, mam, en we beginnen in Londen.’
‘Londen…’zeg ik met een blik naar buiten. Het regent al uren. ‘Ik zou lekker naar Barcelona gaan… Cultuur, mooi weer en het ligt aan zee.’

Merkwaardig. Roos vindt mijn ideeen altijd zo-zo maar ik heb het woord ‘zee’ nog niet uitgesproken of ze is van reisbestemming veranderd.
Ze appt haar vriendin en wacht op antwoord.

Ping!

Roos kijkt op haar schermpje en gilt: ‘Si!’ De adrenaline schiet door haar heen en ze springt dansend heen en weer op de trap.
‘Niet op de trap!’waarschuw ik. Maar twee keer op één dag het advies van je moeder opvolgen is uiteraard teveel gevraagd.
‘Ga je nou reisgidsen halen?’ informeer ik.
Reisgidsen? Die zijn toch van papier? Dat is voor theemutsen met krulspelden. Laat dat nou maar aan haar over.

De feestvreugde groeit bij de aanblik van het aanbod op internet.

Twee weken later hebben de vriendinnen geboekt.
Roos dreunt op: ‘Eén week, een hotel in het centrum, logies, ontbijt, en we vliegen vanaf Brussel… Wacht!’ roept ze met een snelle blik naar mij, ‘Ik weet al wat je wil zeggen, maar ik ben nog niet uitgepraat! Dat scheelt 200 euro per vliegticket, en met onze studentenpas betalen we voor een treinkaartje naar Brussel maar 26 euro.’
Die Roos….Heeft ze toch niet voor niets economie in haar examenpakket gehad.

Nu moet ze gevoelsmatig tientallen jaren wachten tot het 19 juli is. Maar dan hééft ze ook wat: vakantie zonder begeleiding. Groter geluk is ondenkbaar!

Niet parkeren

Doorgaans wordt hier op een fluistertoon gesproken maar nu luidruchtig gekakeld en gegiecheld.
Ik hoor het wel maar registreer het niet. Ik sta te iene-miene-mutten welk boek van James Rollins ik wil lenen. Ik schiet pas wakker als iemand zegt: “Het zal je auto maar zijn.”
Het zal je auto maar zijn…echoot het in mijn hoofd.
De laatste keer dat ik dat hoorde, was na een domme niet zo heel snuggere actie van mij.
Verontrust kijk ik op: zes bezoekers en het voltallige personeel klontert samen op een kluitje voor het brede raam van de bieb.

Ik loop in hun richting. ‘Mis ik iets?’ vraag ik.
De lach van een bieb-dame vult de hoge ruimte. ‘Onze buurman van de overkant wil de auto uit zijn garage rijden, maar dat gaat niet, want er staat een geparkeerde auto voor. Het is elke week hetzelfde liedje en dan komt-ie op hoge poten naar ons. Hij denkt altijd dat het een klant van ons is die zijn garage blokkeert.’ Ze schatert alsof ze de man heel dom vindt.

Ik ken ook een heel dom iemand die rustig haar auto voor een garage met een Niet Parkeren-bordje parkeert.
Stel dat het mijn auto is 😯  Ik heb haar zo kunstig achteruit in een klein gat gewrongen dat ik alleen daar oog voor had.
In gedachten zie ik mezelf naar buiten hollen. De ogen van de biebmensen in mijn rug en een pisnijdige man aan de overkant. En ik die ‘sorry, sorry…’ prevelt, en met een afgewend tomaatrood hoofd niet weet hoe snel ik me uit de wielen moet maken.

Niet gerust op de uitkomst, wurm ik me met een stapel boeken in mijn armen tussen de kijkers voor het raam. Buiten, een meter of tien naar links, staan zes mannen op de stoep. Ik herken de man die met een grimmig gezicht mij bij de ingang omver wilde lopen. Stoom kwam uit zijn oren. Met een luide bonk liet hij de glasdeur achter zich dichtvallen. Ik sloeg geen acht op hem.
Dat is nu wel anders.

Op vijf garagedeuren aan de overkant prijken Niet Parkeren- bordjes.
Ik tel vijf auto’s aan de wegkant: twee rode, een blauwe en twee grijze.
De blauwe is van mij…
Laat ze nou precies goed staan!
‘Hoe dom kun je zijn, hè?’ zeg ik opgelucht maar met zweethanden en rammelende hartkleppen tegen de gluurders in de bieb.
Goedkeurend gemompel valt mij ten deel.

Schone schijn

‘Je ziet er goed uit,’ kirt Emerenske.
Zo voel ik me ook. Aan de buitenkant. Ik ben onzichtbaar ziek, om de term van Karin maar eens te gebruiken. Als ik van iemand nog moeer word dan ik al ben, komt dat wel door Emerenske.
Haar woorden vallen als een waterval. Emerenske oreert en ik luister. Iets terugzeggen is overbodig. Ze vertelt wat ze heeft gekocht, waar en wat het wel niet kostte…over de bouw van hun tweede huis in Portugal…

Emerenske probeert me voortdurend te strikken voor theekransjes. Ik haat theekransjes! Ik heb de situatie uitgelegd en vriendelijk doch dringend geweigerd, maar met nee neemt ze geen genoegen. Dat mens zuigt mijn hele energievoorraad in vijf seconden leeg. Onafgebroken ratelt ze door. Dáár zou Geert W. eens stickers voor moeten maken, produceert de bedrijfshyena ook eens iets nuttigs.

Kan het niet onverwacht gaan regenen? Daar kan E’s coiffure ab-so-luut niet tegen. Maar met regenbuien is het net als met de pont: als je ‘m nodig hebt, ligt-ie er niet.
‘De vrouw van de dokter komt ook,’ zegt E. ter promotie van haar theeclubje. Met glim-ogen, want ze vindt het een prestatie dat ze omgang met een doktersvrouw heeft. Ik zie de opwinding er niet van af.
‘Kun je de voornaam van dat mens nou nog niet onthouden?’ vraag ik brutaal.

Onthutst kijkt Emerenske me aan.
‘Jawel!…Ik dacht…ik dacht…’ Ze valt in stilzwijgen. E. heeft de diepgang van een platvis. Ze denkt dat ik niet weet waarom zij de doktersvrouw niet gewoon bij naam noemt.
Ik ben dat geleuter over interessant doen en theedrinken zo zat, het moet nou definitief afgelopen zijn!

Als een duikelaartje doemt het beeld van Arie op. Ik overweeg de mogelijkheden. Als ik nog vijf minuten naar E’s mitrailleurstem moet luisteren, kan ik de rest van de dag alleen nog maar op de bank zitten.

Sinds lang heb ik Emerenske niet over haar man horen praten. Vroeger wel, maar nadat hij een aantal affaires had gehad en hij een kwartetspel met minnaressen kon vullen, was Aries naam een no-go area. E. kreeg als goedmakertje een Porsche.
Ik vind dat goedkoop. Al zou ik de auto wel één dagje willen lenen om te kijken of-ie op de snelweg harder kan dan de politie.

Een voorzichtige glimlach plooit mijn lippen.
‘Heb je binnenpret?’ snerpt E’s stem.
‘Hoe gaat het met je man?’ vraag ik op de vrouw af.
Stilte.
E. heeft een incubatietijd van enkele minuten.
Dan valt het muntje.
‘Tegen jou praat ik niet meer!’ zegt ze snibbig.
Amen.