Hondentrouw

Moet je zien hoe ze erbij zit! Met een papieren zakdoekje dept ze haar opgedirkte ogen droog, en de advocaat trapt er nog in ook. Hij piekert er niet over zijn hond aan zijn ex mee te geven; hij likt nog liever de Kliko schoon.
Ze was eeuwig te beroerd dat beest uit te laten.

Hij kan haar aanstellerige gedoe niet langer aanzien. Hij loopt naar de deur van de spreekkamer, praat kort tegen iemand, en met een gezicht dat zegt dat het leven een zware beproeving is, duwt hij haar een riem met hond in de handen.

‘Hier,’ zegt-ie, ‘Ik heb erover nagedacht: je mag hem hebben.’ Het beest besnuffelt haar, zwaait wat met zijn staart, en laat zich naast haar stoel neerploffen.
Haar blik is ondertussen veranderd van verbazing naar ongeloof. Hij geeft haar haar zin? Zomaar? Alhoewel… ze heeft altijd geweten dat hij de ruggengraat van een tuinslang heeft. Triomfantelijk kijkt ze de advocaat aan, en maakt aanstalten de spreekkamer te verlaten.

‘Moment,’ zegt hij, en staat voor de tweede keer op. Hij opent de deur, en een hond rent enthousiast de kamer binnen. Het beest spring tegen zijn baas op, likt hem in zijn gezicht. en keurt de vrouw geen neus waardig.

‘Zie je,’ zegt hij tegen het verbaasde gezicht van de advocaat, ‘mijn ex herkent niet eens haar eigen hond.’Ontdaan kijkt zij van de ene naar de andere hond. ‘Wat…hoe…snap ’t niet,’ hakkelt ze.
‘Heel eenvoudig,’ zegt hij, ‘de hond die jij vasthoudt is het zusje van Boomer.’
Met hysterisch glinsterende ogen hapt ze naar adem.
‘Dit is niet je geluksdag, hè?’ zegt hij mild. Hij staat op en loopt de spreekkamer uit. Halverwege tilt Boomer zijn achterpoot op, en watert spontaan tegen een plastic kamerplant in de hoek. Wat is geluk toch simpel.

Vlek

‘Wat vind je van het nieuwe recept?’ vraagt ze aan haar man. Zelf vindt ze het best lekker.
‘Ik trek net zo lief een bal gehakt uit de muur,’ zegt hij kortaf. Ze had het kunnen weten. Wat ze ook doet, ze doet het nooit goed. Dagelijks zaagt hij één voor één de poten van haar stoel. Hij is een totale beginneling als het om gevoel gaat.

Elke dag loopt ze zijn moeder na. Ze brengt haar eten, verschoont haar en wast haar vuile onderbroeken. Hij noemt dat haar “verrotte plicht.”
Vanmiddag is ze naar de kapper geweest.
‘Was-ie gesloten?, vroeg hij toen ze thuiskwam, en voegde er neerbuigend aan toe: ‘Kappers… weggegooid geld voor vrouwen van jouw leeftijd, Vlek.’

Vlek. Ze heet helemaal geen vlek. Ze heet Marit. Hij noemt haar Vlek omdat ze een wijnvlek over het grootste gedeelte van haar linker gezichtshelft heeft.
Woede borrelt in haar omhoog. Ze verslikt zich in haar laatste hap rijst, schuift haar keukenstoel naar achteren, en laat een glas vollopen onder de kraan.

Ze kijkt op hem neer zoals-ie daar aan tafel zit. Zijn kolossale buik; zweetdruppels op zijn bovenlip; zijn dunner wordend haar; en zijn hand die steevast om een blikje bier geklemd lijkt. En wie haalt dat bier voor hem? Ze voelt zich een kleurloze huissloof, een onopgemaakt bed.
‘Wat sta je daar te staan, mens? Ruim liever af!’ snauwt hij haar toe.
Ze voelt ze zich doodmoe. Alsof ze wordt omgeven door een zware, loden deken die op haar drukt, en haar de adem beneemt. Alleen al het idee aan de dagen en nachten die ze nog met hem moet doorbrengen, in de wetenschap dat hij nooit zal veranderen… Ze wil het niet, maar in haar ogen wellen tranen op. Hij ziet het en grijnst.
‘Ren maar weer jankend naar je moedertje,’ schampert hij, ‘daar ben je goed in.’

Ze trekt haar jas niet aan. Dat is niet nodig voor zo’n klein stukje.
In de schuur pakt ze op de tast wat ze zoekt, en loopt terug naar de keuken, de keukentafel, en de keukenstoel. Het lachen vergaat hem als hij de elektrisch zaag in haar hand ziet. Die avond komt ze een heel eind.

Mike’s oma

‘Mike’s oma gaat dood,’ zegt Kind.
‘Welke Mike?’ vraag ik. Roos heeft geen tijd om antwoord te geven, want haar mobiel rinkelt.

Ik zoek op mijn inwendige harde schijf en kan maar één gezamenlijke Mike bedenken: de Mike waarmee Roos acht jaar op de basisschool heeft gezeten.
Roosje-in-de-knop vertelde menigmaal tussen twee happen van de middagboterham door, dat Mike “Hetzelfde ruikt als de wc op school,” of dat-ie weer had zitten ruften en boeren in de klas.

Ik vond hem altijd een sneu kereltje. Zijn vader was gokverslaafd en nooit thuis. Zijn moeder werkte overdag in een boekwinkel, en ging s’avonds door met de verkoop van boeken op internet. Zijn oma fungeerde als voor- tussen- en naschoolse opvang.

Mike was dik en niet vooruit te branden. Zijn trui paste maar net over zijn aanzienlijke buik, en na drie jaar schoolzwemmen had-ie niet één diploma gehaald. Het halen van zijn verkeersdiploma was ook een verhaal apart: hij vertrok als tiende van de klas, en kwam ruim een half uur na de laatste binnen. Onderweg was hij gewoon een paar keer afgestapt om wat om zich heen te kijken.

Je zou verwachten dat hij op school een buitenbeentje was; desondanks hoorde hij er helemaal bij. Bij het verkeersdiploma fietsen, stond heel de klas hem buiten op te wachten, en toen Mike eindelijk in zicht kwam, scandeerde iedereen ter aanmoediging zijn naam. Zijn oma zag het van een afstandje tevreden aan. En nu is zij dus ziek. Kortgeleden zag ik haar nog in het dorp. Een kranig vrouwtje. Wat zou ze hebben? Vast die sluipende rotziekte.

‘Wat vroeg jij? ‘ vraagt Roos, als ze haar gesprek beeindigd heeft.
‘Welke Mike,’ herhaal ik.
‘Mike van Soets,’ zegt ze.
‘Van Soets?’ herhaal ik, ‘zo heet-ie toch niet van achteren?’ ‘Van Sóets,’ zegt kind weer. Ze zegt het op een toon alsof ik blond ben. Als mijn gezicht nog steeds een vraagteken is, wijst ze op haar laptop. Ah…ze bedoelt Mike van de tv-serie “Suits.” Over een advocatenkantoor stampvol intriges, verraad, meineed, overspel, decolleté’s, bergen geld en maatkostuums. Daar steekt “mijn” Mike maar magertjes bij af, maar dat zal zijn oma beslist niet erg vinden.

 

Morning glory

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand september, met als thema: renovatie. 

Nerveus beent hij langs de kade. Nu het moment van vertrek bijna daar is, heeft hij last van koudwatervrees.

Hij heeft alles zorgvuldig voorbereid: afscheid genomen van zijn collega’s, vrienden, ex en  kinderen. De laatsten had hij een niets-aan-de-hand-jeugd willen geven, maar hij is in gebreke gebleven.

Hij stond al jaren niet meer lachend op en na zijn scheiding is zijn wereldbeeld pas goed gekanteld. Dat eenmaal beseffend,  was het alsof hij tegelijkertijd zowel de bodem van de put, als de uitgang had bereikt. Na alle onzekerheid, stress en angst, hunkert hij naar een nieuw begin.

Rigoureus heeft hij besloten dit platte land te verlaten, en zijn baas verzocht een baan bij een dochteronderneming voor hem in New York te regelen. Hij heeft de huur opgezegd, alles ingepakt en zijn bezittingen in de buik van het schip gereden. Hij heeft speciaal deze overtocht geboekt, omdat hij voldoende tijd wil hebben om afscheid van zijn oude leven te nemen. Een vliegtuig gaat te snel.

Hij ruikt in de lucht de naderende herfst. Zijn herinneringen gaan terug naar de boswandelingen met zijn kinderen, de eikels, de kastanjes, hun gelach… Hij duwt de gedachte weg; het is te pijnlijk aan hen te denken.

Kon hij maar een aanwijzing vinden waardoor hij wat meer vertrouwen in zijn nieuwe leven krijgt. Iets waaraan hij zich kan vastklampen als hij over zes weken bij ochtendgloren in New York zal uitstappen. Ongemakkelijk loopt hij naar de ingang van het imposante schip.
Plots valt zijn oog op de naam van de boot. Met trillende handen pakt hij de papieren voor de overtocht en vouwt ze open. In de papieren staat dezelfde naam als op het schip. Hoe is het mogelijk dat hij eroverheen gekeken heeft? Er is niets wat hem op dit moment gelukkiger kan maken.

Bye bye Bobo

Bobo, onze dikke huisvriend, is niet meer. Op vrijdagavond kwamen de klachten in alle hevigheid terug. Terwijl het dorpsfeest op zaterdag in volle gang was, spoedden Lief en ik ons naar de dierenarts. Die stopte een thermometer in Bobo’s kontje: koorts. Hij vond de ontstekingsbron, en beladen met pijnstillers en antibiotica tegen een blaasontsteking keerden we huiswaarts. Ondanks de medicijnen verergerde de pijn. Dan weet je als baasje hoe laat het is: de hoogste tijd.

Op maandag ging de dierenarts direct akkoord met mijn voorstel. Hij had het rapport van zijn collega in de computer al gelezen. Toch wilde hij voor zichzelf nog een diagnose stellen en vond een tumor in Bobo’s blaas.
‘Een bekende aandoening bij oude konijnen,’ vertelde hij. De  kwaal klonk als een geruststelling. ‘En zeven jaar is best oud voor een konijn,’ vatte de dierenarts het samen.

Toen kreeg Bobo eindelijk zijn verlossende spuit. Hoe gek het ook klinkt: het was mooi om te zien. Zijn hele lijfje ontspande, iets wat ik dagen niet meer had gezien.

Nu is er niemand meer die de hazelnoten uit mijn muesli eet, om een stukje brood bedelt, of ’s avonds aan Liefs voeten ligt. Toch is het goed zo. Bobo is bij ons geboren, en ligt nu naast zijn liefje Bella in de tuin. De cirkel is rond.