Picknicken

Er zijn van die zomerse dagen, dan wil je maar één ding: picknicken. Je ronselt je beste vriendin en spreekt af voor de volgende dag. Een nadeel voor Roos: moet ze wel haar wekker zetten, want wil zij om 12 uur gedoucht en gekleed voor de dag komen, dan kan ze geen gat in de dag slapen. Maar zie daar, dat heeft zij er voor over.

De dames gaan eerst samen inkopen doen. Ze kopen afbakbroodjes, die uiteraard voor consumptie eerst de oven in moeten; een karwei dat niet in je koude kleren gaat zitten. Ze maken een verse fruitsalade, vullen flessen met limonade, smeren de broodjes pakken de kleden en dan zijn de dames klaar voor vertrek. Het lijkt wel een volksverhuizing. Nog een geluk dat de reis niet ver is: de picknick gebruiken ze op het grasveld aan de overkant van Huize Kakelbont.

Wordt erop gevoetbald! Hoeven die buurtkinderen tegenwoordig niet meer om kwart over een op school te zijn? Verontwaardigd nemen de ze genoegen met een schaduwplekje aan de kant, terwijl ze zo graag bruin hadden willen worden. En eerlijk is eerlijk: de romantiek verdwijnt wel door die overvliegende voetballen. Ze laten zich niet van het veld slaan, en zetten hun tanden in de fruitsalade. Precies op dat moment horen ze een woest gegrom achter zich. Simultaan draaien ze zich om en staan ze oog in oog met een monster: de grasmaaier. De bestuurder heeft de dag van zijn leven. Nooit maakt hij iets mee en vandaag zitten er twee pronte jonge meiden op een kleedje!

De vriendinnen vinden het niet meer zo leuk met de voorbij scheurende grasmaaier. Gemaaid gras mag dan lekker ruiken, ze willen het niet op hun fleurige kleedje. Ze pakken de kleden en het lekkers weer op, en sjouwen alles naar de tuin van Huize Kakelbont. Ze schuiven wat met de tafel en stoelen en installeren zich. Alles gezellig uitstallen doen ze niet meer; ze eten nu rechtstreeks uit de plastic koeltas. Hè, hè, eindelijk rust. Totdat er iets op hun neusje valt. Ze kijken omhoog… druppels! Bruin zullen ze vandaag niet meer worden, of het moet van de roestvlekken zijn. Er rest ze slechts één redmiddel: het zonnescherm uitdraaien. Dat de lunch nog gesmaakt heeft, mag een wonder heten.

Happy Broea-day

‘Hij is moeilijk in het gareel te houden,’ klaagde ma over jou tegen de buurvrouw. Zij kon ma’s opmerking alleen maar beamen. Terwijl jij – mijn jongere broertje – niets anders deed dan doodnormaal kattenkwaad uithalen: fikkie steken; brandende rotjes in de vuilnisemmer gooien; een appel pikken bij de groenteboer; in huis met je pistool schieten. Er kwam meer rook uit ma haar oren dan uit de loop van jouw klappertjespistool.

Als kind sloegen we elkaar de hersens in, totdat ma er genoeg van kreeg, haar toffels uittrok en die naar ons hoofd gooide. Toch deden we ook leuke dingen samen. Varen in ons rubberbootje, en hutten bouwen. Of jij ging vissen en ik moest mee om de vangst van het haakje te halen. Soms kropen we bij elkaar in bed, bliezen het dekbed omhoog, en dan roken we er aan.

Hoe ouder we werden, hoe minder we vochten. Gingen we koffie drinken in de stad, muziek luisteren op jouw kamer, moorkoppen eten en sjekkies roken.
Je hebt een grote mond met het welbekende kleine hartje: de keer dat je een konijntje dood reed met je brommer kwam je huilend thuis.

Iedereen die gezegd heeft dat er niets van jou terecht zou komen, heeft ongelijk gekregen, want je  bent nooit op het verkeerde spoor terechtgekomen. Je bent computernerd, (opleider tot) machinist, beveiligingsman, fotograaf, muziekfreak, en koffieleut. Je praat in een sprinttempo, hebt gevoel voor humor, en ik kan altijd op je rekenen. In Gouda kwam je me elke week opzoeken, en op verjaardagen laat je me nooit zitten met overtollig gebak en brokken jonge kaas. Bovendien krijg ik altijd een stevige omhelzing van je.

Je hebt mannen die uit bed komen met warrig haar en een slaapshirt, en er gelijk aantrekkelijk uitzien. Daarvan ben jij er een van. Met je doortastende charme kom je overal mee weg. Ik vind je niet doorsnee, en als ik het voor het zeggen heb, kies ik jou weer als mijn broer. Er zijn maar weinig mannen die er op hun vijftigste negenenveertigste nog zo fruitig uitzien. Lieve Broea, van harte met je eh… verjaardag :0)
Speciaal voor jou je favoriete loc en een muziekje.

Met vlag en wimpel

Roos is geslaagd voor het gymnasium.

Nu is het officieel dat ze een slim ding is.

Een half uur heeft nog nooit zo lang geduurd. Toen we het verlossende woord hoorden, sprongen we van blijdschap sterren in de parketvloer. Bobo schrok zich te pletter; hij dacht dat er een kudde stampende soortgenoten achter hem aanzat, en heeft nog nooit zo snel een sprintje getrokken naar een veilige schuilplaats. Maar het is het allemaal waard.

Fijnproevers

‘De kruidenboter is op,’ zegt de vrouw en schuift het bakje in Margots richting. De vrouw – gehuld in een jurkje met panterprint, zware parfum en veel goud – is een chagrijn in het kwadraat, en weigert Margot aan te kijken als ze tegen haar praat. Haar ijskoude blik bewaart ze voor de vaste bediening.
‘En ik wil nieuw ijs voor de champagne,’ bromt de echtgenoot. Margot pakt het bakje en de ijsemmer.
‘Is alles verder naar wens?’ vraagt ze.
‘Geen klachten,’ antwoordt de man. Rare vogels, die snobs, denkt Margot. Met een spectaculaire hoeveelheid alcohol spoelen ze het lekkerste eten weg, maar een tevreden glimlach, of een “het was lekker,” ho maar. De luie lunch die het echtpaar tweewekelijks eet, is nog overvloediger dan Margots avondeten.

Ze recht haar rug en snuift de zeelucht op. De touwen van de vlaggenmast klapperen in de wind, en de Hollandse driekleur staat strak. Een echtpaar baant zich een weg tussen het stijve helmgras door dat over de stenen trapt hangt, die  vanaf het strand naar het paviljoen leidt. Ze opent de deur en verwelkomt ze.
‘Ik kom zo bij u,’ belooft ze vriendelijk.

Margot haast zich naar achteren. Dit is de laatste werkdag van haar vakantiebaantje en het had geen dag langer moeten duren. Ze is moe en heeft een bonkende hoofdpijn. Vanochtend heeft ze een aanvaring met haar bazin Pien gehad – die ze in gedachten Pin noemt; een naam die volledig de lading dekt – omdat haar salaris nog steeds niet is overgemaakt. Pin geeft haar de vervelendste klusjes voor een uitermate karig salaris. Overuren worden niet uitbetaald, ze deelt niet mee in de fooienpot, en het vaste personeel doet net zo bekakt als het merendeel van de gasten.

Op het zeuren van een bromvlieg na is het stil in dit gedeelte van de keuken. Margot kiept de ijsemmer leeg in de gootsteen, vult ‘m met verse ijsblokjes, en pakt uit de koelkast de emmer met kruidenboter en een schoon bakje. De vlieg tikt en bromt tegen het raam. Dat irriteert haar. Ze pakt de vliegenmepper en geeft de vlieg een pets. Voldaan kijkt ze hoe de vlieg op de grond valt, en met friemelende pootjes rondjes op zijn rug blijft liggen draaien. Margot bukt zich. Ze raapt de vlieg op, knijpt ‘m fijn tussen haar duim en wijsvinger, en prakt ‘m met een vork door de kruidenboter. Ze voelt zich meteen een heel stuk beter.

De pelgrim

De fiets is beladen met rode tassen, en op elke achtertassen prijkt een grote schelp. Het is zo klaar als een klontje waar de eigenaar van deze fiets naartoe gaat.
‘Gaat u naar Santiago de Compostela?’ vraag ik naar de bekende weg. De pelgrim knikt. Hij kijkt er niet alleen trots bij, maar ook een beetje alsof hij het zelf nog niet helemaal kan geloven. ‘Waar bent u vertrokken?’ informeer ik ongegeneerd verder. ‘Ik ben eergisteren begonnen in Haarlem en vandaag ga ik de Moerdijk over.’ Hij kijkt al wat opgetogener. Alsof met het passeren van elk water de tocht reeeler wordt.

Zijn goretexjack flappert in de wind en blaast er lucht onder, wat de man breder doet lijken dan hij is. Blijkbaar heeft hij koude voeten, want hij probeert ze warm te stampen.
‘Hoe lang bent u van plan erover te fietsen?’
‘Zo lang mogelijk,’ antwoordt hij. Ik kijk verrast. ‘Eigenlijk…,’ hij doet een stapje dichterbij, ‘eigenlijk zou ik samen met mijn vrouw naar Santiago gaan, maar vorig jaar is ze overleden. Aan die rotziekte.’ Hij kijkt in de verte. Ik zwijg. ‘Is dat de Brienenoord?’ wil de man weten. Ik knik.
‘Sorry van uw vrouw,’ zeg ik. De man knikt geemotioneerd.

‘Weet u,’ vertrouwt hij me toe, ‘thuis zitten maakt me gek. Ik kan niet tegen die stilte. Helemaal niet als je thuiskomt, en je ergens geweest bent waar het gezellig was.’ Ik knik weer en denk aan mijn schoonmoeder die dezelfde woorden sprak.
‘Misschien fiets ik ook wel terug,’ zegt hij schouderophalend, gevolgd door: ‘Wat kost de overtocht?’
‘Ik betaal wel voor u. Ik heb een rittenkaart.’
‘Dank u wel.’

Als de kaartjesverkoper zijn hielen heeft gelicht, foetert de man: ‘Ik wou dat ik niet van die natte, kouwe po… eh voeten had.’
Ik lach en zeg: ‘U mag van mij wel poten zeggen, hoor.’
‘Kon ik om die natte poten ook maar lachen.’
‘Diepvrieszakjes,’ geef ik hem als tip.
‘Diepvrieszakjes?’ Hij herhaalt het alsof hij het woord voor het eerst hoort.
‘U doet een diepvrieszakje over uw sok, en stapt er mee in uw schoen. Het uiteinde van het zakje frommelt u in uw sok.’ Er gaat hem een licht op.
‘Dat ik daar zelf niet opgekomen ben,’ zegt hij. Ik vertel maar niet dat ik duizenden kilometers in de regen gefietst heb.
De pont legt aan, en de bomen zwaaien open.
‘Goede reis,’ wens ik de man toe.
En veel bijzondere ontmoetingen, denk ik er achteraan.