Klapvee

Met mijn wagen volgeladen reed Roos naar Hilversum. Via het koor had ze een uitnodiging gekregen, aanwezig te zijn bij een muziekshow waar zij en drie kornuiten als klapvee mochten dienen. Onverwoestbaar goedgehumeurd zouden ze zich laten onderdompelen in een avondvullend programma.

‘Bij binnenkomst werd het publiek in tweeën verdeeld. Jonge mensen – van mijn leeftijd – vooraan. Ouderen verder naar achteren.’ Gniffelend vervolgt Roos: ‘Een mevrouw in prinsessenkleding werd achter een dikke pilaar gedirigeerd.’

In de studio was het héét, niet te harden, maar ja, gratis dus dit was niet het moment kieskeurig te zijn. Ze kregen lach- en klapinstructies. Bij een klein grapje, graag zacht lachen en kort klappen. Even oefenen: een, twee, drie, zo ja. Prima! Bij een écht goeie grap alles graag langer en enthousiaster. Een, twee, drie….niets meer aan doen!

Roos’ torenhoge verwachting werd getemperd toen bleek dat Jan Smit het programma presenteerde. Ze kreeg aandrang te vertrekken – ik maak meelevende geluiden – maar haar nieuwsgierigheid naar wat ging komen, was groter.
‘Het was wel tof dat het publiek kon deelnemen aan de muziekquiz want iedereen kreeg een stemkastje,’ aldus Kind.

Monter begon Roos aan de quiz. Helaas ging het uitsluitend om Nederlandstalige liedjes. En oud! Stuk voor stuk van vóór haar jaartelling.
Er traden meerdere artiesten op. Van de meesten had Roos nog nooit van gehoord, dus konden het ook geen BN’ers zijn.
Oké, Frans Duits zong een paar nummers maar ‘Zo iemand telt niet mee.’

Tussen de nummers door kregen ze versnaperingen in liquide vorm. Er was zelfs keus. Ongewild krijgt een mens toch bewondering voor de ganse happening.

‘Alleen, ja, alleen…’ zegt Roos met een verbeten trek om de mond, ‘had ik aan het eind van de avond maar drie punten gescoord via dat kastje.

Na afloop was het buiten stikmistig. Op de snelweg hield ik de meest rechtse baan aan en reed 70 km/uur want ik zag zelfs de belijning niet. Een lange sliert auto’s achtervolgde me, terwijl ik zo hoopte ingehaald te worden, zodat ik achter een ander aan kon rijden.’
Ellendiger kon het niet worden toen de Mac dicht bleek. Ze vergingen zowat van de honger.
Een wonder dat ze ondanks de mist en lege maag haar thuis heeft bereikt.
‘Maar,’ snoeft Roos, ‘ik heb altijd al een tv-opname willen meemaken en het is mijn persoonlijke verdienste dat ik dat voor elkaar heb gekregen.’
‘En de verdienste van mijn auto.’
‘Dat ook,’ zegt Roos genereus.

Nu is het wachten op de uitzending. Eén ding weet ze zeker. Roos komt op tv want ze zat helemaal vooraan.

Hormoonheks

In mij woont een hormoonheks. Met haar valt alleen te leven als ze voldoende hormonen binnenkrijgt. Omdat ze een hebzuchtig kreng is, wil ze steeds meer pillen en dat was een gevaar voor mijn volksgezondheid.
De huisarts somde de bijwerkingen van de overdosering op: trombose, longembolie, borstkanker…
Oud nieuws want in een vlaag van verstandsverbijstering had ik de bijsluiter gelezen.

Wat ik kon krijgen, interesseerde me geen ruk, want zonder genoeg pillen slaap ik niet, krijg ik ’s nachts hallucinaties en hoor ik overdag geluiden die er niet zijn: rinkelende telefoons, kerkklokken, claxons, een waterfontein…
Echt, na drie dagen ben je je eigen grootste vijand en wil je dood. Waarom wachten als het toch een keer moet gebeuren?

Ik ben jarenlang gek verklaard door artsen omdat ze nog nooit van mijn probleem hadden gehoord. Hun advies was steevast: zoek een goeie psychiater.

Het was een (z)ware zoektocht naar de juiste specialist en twee weken geleden kreeg ik eindelijk erkenning. Een gynaecoloog zei dat ik gewoon een vrouw ben die veel extra hormonen nodig heeft, en ze kwam met de oplossing: pleisters. Doordat de hormonen via de huid worden opgenomen kan de dosering twintig maal lager dan oraal.
‘Plak op elke bil een pleister,’ adviseerde ze. ‘Na drie dagen vervangen en rouleren van plaats.’ De arts keek nog eens kritisch naar mijn lengte en gewicht en zei dat het ook wel op m’n heupen mocht.

Thuis schrobde ik mijn achterkant, scheurde de verpakking open en haalde er een groot, ovaal en doorzichtig stuk plastic uit.
‘Waar zal ik ‘m plakken?’ vroeg Man gretig, want hem viel de eer te beurt.
‘Waar jij wil,’ antwoordde ik meegaand.
Joris koos een locatie en duwde de pleister stevig aan. Dat kun je wel aan hem overlaten. ‘Je ziet er niets van,’ zei hij. ‘Je kan er gerust naakt mee in de tuin werken,’ grapte hij en pakte pleister nummer twee.
Ja, nee, het hoefde niet meer. Een beetje geintjes maken ten koste van mijn derriere!

Nooit geweten dat pleisters op je kont zoveel impact hebben op je hoofd.
Als Joris me een corrigerende pets wil geven, roep ik: ‘Niet op mijn billen!’
Ga ik zitten, denk ik: pleisters! Zitten ze er nog? Oh ja. Adem uit.
Sta ik op denk ik aan de pleisters. Als ik buk, m’n opdrukoefeningen doe, naar de de wc ga…Mijn toch al nerveuze geest is 24/7 met die zuignappen bezig.

Een dag na het aanbrengen van de pleisters, stapte Joris uit de douche en ik erin.
Man keek aandachtig naar mijn achterwerk. ‘Goh,’ zei hij, ‘die pleisters krijgen rimpels, net als je gezicht.’
Wat was hij weer leuk! Dreigend antwoordde ik: ‘Als je nog één grap maakt, plak ik op jou ook een pleister. Driemaal raden waar.’

Tijdens de nacht zijn beide pleisters vroegtijdig overleden.
Vrouwmoedig plak ik door. Ik zal die toverkol krijgen!

Op lemen voeten

In de zon en uit de wind was het heerlijk toeven.
Mensen schoten als paddenstoelen uit hun huizen. Ook Joris en ik. We reden naar natuurgebied de Za.ag waar het wel de vierdaagse leek. Dat krijg je wanneer iets gepromoot wordt.

Een echtpaar parkeerde hun Auwdi naast onze auto en stapte uit. Allebei gehuld in zondagse kledij en akelig dure schoenen.
Joris stootte me aan en fluisterde: ‘Wedden dat die straks omkeren?’
Even later wurmden we ons door het ijzeren toegangshek. Het onverharde pad erachter lag er minder dras dan anders bij.
Desondanks schudde de Auwdi-vrouw zorgelijk haar speciaal voor rampen gereserveerde blik. ‘Hank, dit gaat ‘m niet wurden,’ zei ze tegen haar echtgenoot.

Tot onze verrassing stond er bij de splitsing naar links een bordje met “Verboden toegang.”

Iedereen liep braaf naar rechts behalve Man en ik.
Het bordje zei: “Geen wandelpad.”
Klopte helemaal! Het was een glibber- en glijpad.

Wij baggerden voort. Dan weer links, rechts, of het midden van het pad kiezend. Passeerden de autosloperij en het waterzuiveringsbedrijf. In de griend werd duidelijk waarom het geen-wandelpad-bordje was geplaatst: er werden driftig wilgen geknot. Op de achtergrond uitzicht op de Lekdijk.

Voorbij de roestige Beverbrug wrongen we ons tussen de houten palen het natuurgebied in.
De lucht blauw; knoppen aan de bomen: hier waren we voor gekomen.

Rosa – die aan een ernstige vorm van zelfoverschatting lijdt- probeerde een hele boomstam mee te sjouwen. Goed dat er geen andere wandelaars waren want die had ze van het pad gemaaid.

Joris zag het met zijn haviksogen als eerst: een zelfgemaakte hut. Wie droomt er niet van?

Onze ogen puilden uit toen we de verzamelde hoeveelheid (bouw)materialen aanschouwden. Hardop speculeerde Man – gek op getallen – hoeveel keer opa en oma heen en weer waren gelopen. In het gunstigste geval konden ze de spullen in een zeepkist over het baggerpad gesleurd hebben, waarna alles over het houten hek van het natuurgebied getild moest worden en dan nog een kilometer over hobbelig gras.
Op het bruine bord naast de ingang stond met witte verf de naam van de eigenaren en bouwers van de hut geschreven.
We leerden vooral één ding: dat opa en oma héél veel van Ferry, Sjouke, Noor, Ralf, Wies en Kim houden. En dat ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in bed liggen met een hernia.

Erken ME!

Poeh! Goed dat ik op een stoel zat toen Dien me de NOS-link appte, anders was ik gestrekt op het keukenzeil beland:

“ME-patiënten die altijd weggezet zijn als aanstellers, krijgen eindelijk erkenning. CVS/ME
is een ernstige chronische ziekte die voorheen door artsen werd afgedaan als een psychische aandoening.”

Lezers die me langer kennen, weten dat het over het Chronisch Vermoeidheid Syndroom of Myalgische Encefalomyelitis gaat.

Tot halverwege 2010 deed ik zeven dingen tegelijk. Deed als zzp’er inkopen op de bloemenveiling en gaf ’s avonds les. Hielp op Roos’ school. Rommelde in het  huishouden. Ik racefietste wekelijks 450 km, liep 20km hard en ging naar karate, en ineens was het: BOEM! Mijn lijf zei: flikker op, ik doe niet meer mee!

Ik deed hele dagen niets en toch werd de vermoeidheid en ik kreeg griepklachten die bleven.
“U heeft een depressie,” zei m’n huisarts.
M’n grootje. Die kreeg ik er gratis bij omdat ik van stilzitten ging janken. Ik hoopte dat ik iets van voorbijgaande aard had zoals de ziekte van Pfeiffer, maar bleek een gezonde zieke: alle te prikken bloedwaardes waren oké.
Bleef er maar een ding over: “Het zit tussen uw oren.”
Ik voelde me een zandkorrel in de wind.

Wat qut is, is dat je aan de buitenkant niets ziet. Voor een activiteit eet ik pijnstillers en doe gezellig. Niemand ziet hoe ik naderhand thuis op een stoel hang en de dag erna tol moet betalen.

Bij CVS is heel je systeem uitgeput. Vergelijk het met een zware griep met spierpijn en een algeheel gevoel van slapte. Sinds ik die ziekte heb, ben ik allergisch voor licht, geluid en drukte. Meer dan drie mensen is al een menigte.

Geroezemoes, een sociaal gesprek voeren tussen tien personen…het kan me gestolen worden. Net als achtergrondmuziek want die klinkt bij mij op de voorgrond. Uit eten met een gezelschap is een straf; ik krijg al wallen als zitzakken als ik eraan dénk.

In den beginne probeerde ik uit te leggen dat dat lamlendige griepgevoel en die allesoverheersende moeheid niet tussen mijn oren zat, maar daar ben ik mee gestopt nadat een geliefd familielid zei: “Ik heb precies hetzelfde als jij maar ik ga morgen gewoon naar mijn werk.” Had ik mogen kiezen, had ik liever een mes in m’n rug gekregen.

Wees eerlijk: als jij griep hebt, heb je zin in een verjaardag van iemand waar je veel van houdt? In boodschappen doen in een dichtbevolkt winkelcentrum? Wachten op Schiphol voor een lange vlucht naar weetikveel?
Want dat vergeten mensen: leuke dingen kan ik ook niet meer.

Ik ben alleen ’s middags het vrouwtje. Zit de middag tegen dan voel ik me een eendagsvlieg die haar dag niet heeft.
Het enige continue actieve aan mij zijn mijn gedachten en tongspier.

Nog steeds zit ik liever op een zadel dan op een stoel. Sport was de rode draad in mijn leven. Ik ben zowel de draad als mijn leven kwijt.
Ik ben een dubbel gezegend mensch want ik heb ook nog fibromyalgie. Doe braaf driemaal daags opdrukoefeningen. En triceps! Je zou ze moeten zien!

Kind, ach ja, Kind…één brok zonneschijn. Ze geeft me schouderklopjes, omhelzingen, verse dé-cappuccino’s en pakt een doekje wanneer ik geestelijk incontinent ben.

Ik blog zelden over m’n CVS. Ik ben meer dan die ziekte, ben niet zielig, heb een hekel aan zeiken en zie het als geestelijke fysiotherapie om de krenten in het leven te zien.

Maar toch, hè? Tegenwind gaat ook liggen. Kan iemand me misschien vertellen wanneer…?

Laad me met rust

‘Mevrouw, zou u even een paar meter verderop willen gaan staan? vraagt een studentiekoos type met een klembord in z’n hand.
‘Wie? Ik?’ vraag ik.
‘Ja, u.’
Verbijstering gaat met me op de loop maar ik houd stand.
‘Wil je erbij?’ vraag ik met een hoofdknik naar het schap met panty’s waar ik voor sta.
‘Nee, dat niet,’ antwoordt de jongeman met een raadselachtige glimlach. ‘U hoeft alleen maar even bij de rookworsten te gaan staan.’ Hij zegt het op zakelijke toon en gebaart met het klembord welke richting ik op moet lopen.
Hij is best leuk. Blauwe ogen. Een hoofd vol springerige krullen. Geen baard.

Ik begrijp er alleen geen hol van.
Je kan op dit moment een mitrailleur leegschieten in de Hema; de jongeman heeft geen belangstelling voor panty’s; er is geen brand; nergens een verstopping in een gangpad en het belangrijkste: ik blief geen worst.
Wat denkt deze leukerd? Dat ik een stakker met problemen ben? Wie mij weg wil jagen moet met steviger geschut komen. Een camera bijvoorbeeld; dan hól ik. Ik draai me om en concentreer me weer op mijn zoektocht naar nylons in de maat XXL. Kleiner hoef ik ze niet want dan hangt het kruis halverwege m’n schenen.

‘Mevrouw…’
Met een zucht draai ik me om. ‘Weet je moeder dat je hier bent?’ vraag ik vals maar op vriendelijk toon. ‘Ga bij haar koffie drinken of zo, maar laat mij alsjeblieft met rust. Oké?’
Kakel, Kakel, wat maak jij toch gemakkelijk vrienden…

Ik verwacht een teleurgestelde jongeman met een gezicht als een afdruiprek te zien, maar hij loopt met een grijns naar me toe, inclusief een uitgestrekte hand die ik negeer.
‘Gefeliciteerd, mevrouw. U bent een uitzondering! Ik zal het kort uitleggen: ik ben student psychologie aan de Erasmus universiteit en mag hier onderzoek doen in hoeverre mensen manipuleerbaar zijn, en dat bent u niet!
Sodeju! Iedereen maar zeggen dat ik dwars en eigengereid ben, terwijl ik gewoon niet-manipuleerbaar ben!

Mag ik u misschien enkele vragen stellen?’
‘Liever niet,’ houd ik vol.
‘Het antwoord op de eerste vraag weet ik al, hoor,’ zegt de student jolig.
‘Sorry,’ zeg ik, ‘vandaag heb ik geen goede dag.’ Het is nog waar ook. Ik zak bijna door m’n hoeven van vermoeidheid. Ik moest dringend naar de reformwinkel en sleepte me met m’n laatste restje energie naar de Hema, biddend dat ik onderweg geen bekenden zou tegenkomen. En thuis moet ik nog koken. ‘Als je wil, mag je de vragenlijst naar me mailen en vul ik ‘m thuis in,’ bied ik aan.
Hij wuift mijn aanbod weg. ‘Bedankt voor het meedenken, maar ik laat ik u verder met rust. Eén dingetje nog: in welke leeftijdscategorie valt u? Ik gok tussen de 20 en 30 jaar.’
Deze grap heeft hij ongetwijfeld honderd keer eerder gemaakt, maar ik vind ‘m geniaal. Mijn lach schalt door de lege winkel.
Werd het tóch nog gezellig.

HEPL en Recht

Roos werkt als een wervelwind sinds ze in september begonnen is aan een dubbele Master aan het Erasmus. Ze volgt “HEPL” (Health, Economics, Policy and Law) een logisch vervolg op de bachelor die ze vorig jaar gehaald heeft.
En “Premaster recht.” Dit is een bachelor van drie jaar die in één jaar wordt gepropt. Alle inleidende vakken zijn geschrapt en docenten veronderstellen dat in studenten de kennis van derdejaars vakken zit. ‘De slavendrijvers,’ foetert Roos.
Slaagt Kind voor de Premaster dan kan ze volgend studiejaar haar definitieve Master “Zorgrecht” gaan volgen.

Dat ze twee studies tegelijk doet, is Roos’ eigen voorstel en heeft vooral een financiële reden. De overheid subsidieert namelijk één Masterstudie: je betaalt 2.000 euro in plaats van 10.000.
Nu zit er een joekel van een Maas in de wet. Of een Lek, waar wij aan wonen.
Wanneer je voor één vak van je eerste Master zakt, dan kan je aan een tweede Master beginnen met hetzelfde lage tarief.
Een kronkel van jewelste, maar je bent een dief van je portemonnee als je het laat.
Er is wel een probleem: zakken voor een vak zit niet in Roos’ systeem. Het cijfer zes vindt ze lelijk en een zeven te min. Mij zie je niet trillen van jaloezie met zo’n instelling; ze heeft het dan ook van een vreemde.

Een gedachte die knelde als een zwerfkei in haar schoen was dat beide studies volgen te zwaar zou zijn. 

‘What if I fail?’
‘Oh, my darling, what if you fly?’

‘Dan heb je het geprobeerd en dat vind ik dapper,’ zei ik. ‘Meer dan je best kan je niet doen. Kijk het aan tot kerst.’
Het waren intense maanden en ze is er nog niet…
Joris en ik spreken haar zelden: ze zit op de EUR of is onderweg.
Roos moet het nodige inleveren, wat niet meevalt voor een keiharde levensgenieter, maar alle gemaakte tentamens zijn binnen. In een moordend tempo appt ze haar vorderingen met ruime zevens/achten. En voor het eerst jubelde ze vanwege een zes, want het betrof een “grafvak.”

Het is een wonder dat ze alle kegels in de lucht houdt, want haar uitstelgedrag is van de buitencategorie. Als ze zeven weken voor een opdracht heeft, relaxt ze het liefst zes weken en zes dagen om zich daarna een slag in de rondte te werken.

Tussendoor is ze nog wel even voorzitster van het Erasmuskoor geworden, want alleen met een studie bezig zijn, is té saai. Ze heeft een bijleskind dat dit jaar eindexamen havo doet en tussendoor geeft ze de piano van jetje.
Mocht iemand in mijn nabijheid verkondigen dat studenten lui zijn, dan timmer ik hem/haar persoonlijk op de broodmolen!

Draaideurpatiënt

Afgelopen jaar heb ik diverse disciplines in de geneeskunde bezocht.

Nergens vind je zo’n afspiegeling van de maatschappij als in wachtruimten van ziekenhuizen.

Twee dames uit het hogere segment namen naast mij plaats. Ze droegen zoveel make-up, het leken wel wandelende schilderijen.
De vrouw met paardenstaart diepte uit haar tas een tablet op. ‘Er is hier toch wel gratis wifi, hè?’ vroeg ze met een kak-rrrr aan haar vriendin.
‘Vast wel,’ antwoordde die geruststellend.
Paardenstaart liet foto voor foto voorbij glijden. Zijdelings loerde ik mee en zag een witte keuken. Herstel: een witte vlek. Vloer, plafond, apparatuur, kozijnen, lampen, kookeiland…alles was uitzichtloos wit.
‘Was een klus de perfecte handgrepen te vinden,’ klaagde Staart. ‘Alles heeft een ribbel of randje.

Ik weekte mijn ogen los van het scherm en keek naar twee dames links van mij. Qua opstelling en gedrag zouden ze een tweeling kunnen zijn. Een stoïcijnse blik; handtas op schoot; gehuld in pleisterkleurige kousen en comfortschoenen.

Tegenover me liet een jongeman met overtuiging een boer. Zijn moeder stootte hem met haar elleboog vinnig aan.
‘Wat nou!’ riep de knul.
‘Je benniet thuis!’ snerpte ze.
De zoon zette een ongeïnteresseerde blik op en schraapte een rochel omhoog.

Een echtpaar kwam binnen. De vrouw in beige regenjas dirigeerde haar man naar twee stoelen. ‘Ga jij daar zitten. ik regel alles.’
Na zich gemeld te hebben bij de balie ging ze naast haar man zitten. ‘Ik denk dat we zo aan de beurt zijn,’ zei ze voldaan.
‘Mens, heel de wachtkamer zit vol,’ bromde haar man.
‘We hebben een afspraak om 15 uur 15 en tijd is tijd,’ zei de vrouw op afgemeten toon.

Paardenstaart veegde verder en we belandden in de woonkamer. Wederom alles wit.
‘Mooi, hè?’ wees ze naar het behang. Het lijkt simpel, maar wit behang uitzoeken…’
‘Zullen we straks beneden nog even koffiedrinken?’ onderbrak haar vriendin de monotone rondleiding.
‘Hier om de hoek kunnen we gratis koffie pakken,’ antwoordde Staart. ‘Weet je hoeveel kleuren wit….’

Mens, mens, wat een geleuter.
Ik was een halfuur te vroeg en de afspraak liep een halfuur uit. Ik trok het effe niet meer, stond op en ging op zoek naar de koffieautomaat waar Staart het over had.
Op de gang rolde een oudere man in een stoel voorbij die tegen zijn zoon foeterde: ‘Koken kon ze ook niet! Ik had dat mens veel eerder de deur uit motten douwen!’
‘Rustig nou maar, pa. Ze is nu toch weg?’

De koffieautomaat om de hoek bleek ook heet water te verschaffen, en met die oogst liep ik terug de wachtruimte in, en ging in de buurt van de Tweeling zitten. De afwezigheid van witte ruis beviel me maximaal. Net toen m’n beker water leeg was, verscheen de neuroloog.

‘Nu zijn wij aan de beurt,’ zei de vrouw van de regenjas, en sjorde aan haar man ’s arm ten teken dat hij overeind moest komen. Hij ontworstelde zich aan haar greep maar ging toch staan.

‘Mevrouw Kakelbont,’ riep de neuroloog.

Moeten wachten in een ziekenhuis kan een tergende bezigheid zijn.
Aan mij lag het niet: zes minuten later stond ik weer op de gang.

Een wees van 200 kilo

Schoonbroer en –zus kochten in september een nieuw huis. Daarin stond een wees van ruim 200 kilo die nog door de zoon van de (dementerende) eigenaresse verkocht moest worden.
‘Iets voor jou, nicht?’ vroeg Zwager. ‘Het is een bekend merk: een Schimmel.’
Ook al sprak Zwager het op z’n Duits uit, ik moest toch meteen aan het paard van Sinterklaas denken.

Roos was op slag zwanger van de zenuwen. Verlangend keek ze haar vader aan maar die kapte het meteen af. ‘Dat krengt dateert nog van voor de Golfoorlog!’
‘Nou en? Op een oude piano kan ze het toch leren?’ suggereerde ik maar Joris zweeg in alle plaatselijke dialecten.
Jammer, want Roos is vier jaar geleden op keyboard-les gegaan om ooit over te kunnen stappen op piano.

De eigenaar zette het muziekinstrument op MP: “Bieden vanaf 100 euro.”
Er brak een storm los. Een kenner belde op: ‘Meneer, u weet niet wat u in handen heeft. Aan een muziekhandelaar kunt u er minstens 1200 euro voor vragen. De piano dateert van 1970 en is er een uit “de vijfde serie.”’
Whatever that may be.

Van de eigenaar mochten wij de piano voor 750,00 euro kopen.
Dat bericht raakte bij Man de juiste snaar. Die oude piano was geen risico maar een investering.
Roos verloor gek genoeg op slag alle belangstelling want zij vond het muziekinstrument te duur.
Ik zei: ‘1200 euro? Zijn die toetsen soms van ivoor? Dan komt die piano er bij mij niet in!’
Joris lachte honend. ‘Onnozel halsje. Eén ivoren toetst kost al 1200 euro.’
Daar zat wat in, waarop ik maar knikte.

’s Avonds ontving Kind een appje van oom Tony: “Als je de piano nog wil, moet je snel zijn!”
Joris lag al gestrekt.
Wat nu?
Ik stelde voor: ‘We vragen de maten en als we plaats hebben, doen we het.’

We hadden geen rolmaat maar wel twee linialen en…plek.
Roos – eeuwige twijfelkont – moest zowat aan de zenuwpillen.
‘We doen het,’ zei ik.
‘Je bent gek!’ riep Roos.
‘Nee hoor. Die piano valt je toe. Zie het als een buitenkans.’
Vol verwachting klopte haar hart, zwijmelend ging ze overstag en appte: ‘Ja!’
Ze legde een briefje op haar vaders ontbijtbord: “We hebben de piano gekocht!” en sprong daarna butsen in de parketvloer van blijdschap.

Nu zijn we een piano rijker. Onderhand kunnen we een huiskamerorkest beginnen met een keyboard, gitaar, ukelele, en diverse mondharmonica’s. (Iemand trek in koffie?) En er komt een geluid uit dat oude kreng!

Vorige week vroeg de buurvrouw: ‘Wie van jullie speelt er piano?’
‘M’n dochter,’ zei ik. ‘Hebben jullie er last van?’
‘Oh nee! We vinden het práchtig.’

Wanneer Roos speelt, zitten Joris en ik op de eerste rang.Ze speelt muziek van de Beatles, Keane, Coldplay en Tom Odell maar ook klassiek.
Deez bijvoorbeeld. Toevalligerwijs ook uitgevoerd op een Amerigo.

 

De dwarsligger

Familie Zwaan stak de provinciale weg over. In een rij van zes liepen ze in de zen-modus naar de overkant.
Raad eens wie vooraan stond in haar blauwe doos? Juistem!
De tegenligger stopte ook.
Terwijl de zwanen hun zwemvliezen omhoog optrokken en elegant lieten neervallen, waggelden ze met hun witte konten heen en weer. De voorste drie liepen in gelijke pas. Je zou er een vrolijk deuntje onder moeten kunnen zetten.

De rij wachtende auto’s werd almaar langer.
Een persoon met een matige impulsbeheersing dacht: ik rijd er voorbij. Halverwege naast mij kwam de Volvo tot stilstand. Aan het achterportier hing een colbert op een hanger en op het dashboard lag een verkreukelde Volkskrant.
De bestuurder draaide zijn bovenlijf in een bocht en zag dat de plaats waar hij gestaan had, was vergaan. Daar stond hij dan met zijn goede gedrag: hij kon geen kant op.

De stoet zwanen was intussen een aardig eind gevorderd. Ik kon de opgeluchte zuchten van mijn medeweggebruikers bijna horen.
Tot het zwaan nummer zes teveel werd en midden op de weg neerzeeg. Hij worstelde een moment tot z’n zwemvliezen naar tevredenheid onder z’n buik gevouwen lagen, en stak zijn kop in zijn verendek. Niets leek erop dat deze te-wegligging van tijdelijke aard was.

Van frustratie begon de bestuurder van de Volvo hard op de claxon te bonken. Een zinloze actie, waarschijnlijk veroorzaakt door een naderende midlifecrisis.
De zwaan keek de bestuurder even recht aan, gaapte en hernam zijn oude houding. Het getoeter hield op.

Ik zwaaide een aantal keer m’n autoportier open, dicht, open, dicht…
De watervogel stond op. Draaide een rondje om zijn genderneutrale as, produceerde een berg groene drollen en liet zich weer zakken.

Uit de auto van de tegenligger stapte een zwaar gebouwde kerel met armen als staalkabels. Hij liep naar de zwaan, zwaaide met z’n armen en riep opruiende teksten als: ‘Kssst! Kssst!’
Dat hielp. Het beest besloot ons een plezier te doen en zijn kornuiten alsnog te achtervolgen.

Je zou denken dat alles voorbij was, maar de verkeersgoden beslisten anders.
De Volvo gaf gas en probeerde zich voor mijn auto te wringen.
Hij zag mijn kritische blik en tikte met z’n vinger tegen z’n voorhoofd. Ik zóu hem voorrang kunnen verlenen ware het niet dat ik een valse vrouw ben en er geen enkele passeermogelijkheid op de  smalle weg was. Drie auto’s naast elkaar – zelfs tweeënhalf – was Godsonmogelijk. Ik glimlachte vilein en reed het gaatje nog ietsiepietsie verder dicht.

Toen de Volvo van geen wijken wilde weten, stapte de man met de staalkabels weer uit. Wijdbeens dirigeerde hij de tegenpartij achteruit.
Er verscheen iets onzekers in de houding van de laatste. Het drong langzaam maar meedogenloos tot zijn stoïcijnse brein door dat een snel heenkomen ver te zoeken was. Erger nog: er bleef maar één mogelijkheid over. Hij moest ten aanschouwen van iedereen in zijn achteruit de weg afrijden tot bij het eerstvolgende kruispunt 600 meter verderop.
Ook dáár had ik graag een gezellig deuntje onder gehoord.

Ik heb er tabak van!

Ergens deze maand – 25 jaar geleden – ben ik gestopt met roken.

Mijn eerste sigaret stak ik op in het Sophia Kinderziekenhuis. Dat lees je goed. Eenmaal een doorgewinterde roker versleet ik een baal shag en een pakje sigaretten per week.

In de zomer van 1992 vermorzelden Joris en ik de ene na de andere “duizender” onder onze fietswielen. Bij de zoveelste top riepen mijn benen: Meer! Meer! Meer! Ik hijgde echter als een postpaard dat onderweg een long verloren was. Het besef sloeg in als een bominslag. Op die top beloofde ik mezelf datzelfde jaar nog te stoppen met roken.

Al drie keer eerder was ik gestopt en net zo snel weer begonnen, maar deze keer zou het lukken!

Om mijn goede voornemen niet vroegtijdig in rook te zien opgaan, koos ik voor een degelijke aanpak, en ging naar de huisarts voor een recept voor nicotinepleisters.
De dorpsarts stond bekend om zijn liefde voor het vak geneeskunde en zijn afkeer van komst van patiënten.
Mijn verzoek voor het recept werd direct weggewuifd. ‘Allemaal onzin! Het is mijn persoonlijke mening dat die pleisters niet helpen.’
Mij een zorg.
‘Ik kom hier niet om uw persoonlijke mening te horen; ik kom voor een recept.’
De stakker zag in dat debatteren vruchteloos was, en met een glimlach nam ik bij de apotheek de pleisters in ontvangst. Op de terugweg naar huis trakteerde ik me op een jojo.

Om de laatste sigaret deed ik een strik en zoog de rook zo inhalig naar binnen alsof ik het gemis dat komen ging reeds kon voelen.
En toen was-ie op…
Ik gooide m’n aansteker, en asbakken (op eentje voor de viste na) in de afvalbak en dat was dat.

Niet roken was een aanslag op mijn goede humeur. Constant werd ik achtervolgd door een onweerswolk. Het moeilijkst was het tijdens het drinken van een kop koffie en na het eten. Oh…die  onbedwingbare hunkering… Maar ik zou mezelf geselen tot elke zucht naar nicotine verbannen was.

‘Als je zes weken gestopt bent, krijg jij van mij een hometrainer,’ beloofde Man.
‘Bestel ‘m maar vast!’ riep ik vurig.
Wel nam ik mezelf voor: als ik oud ben en het toch niet meer uitmaak, begin ik weer, want zelfs jaren na het stoppen liep het kwijl over mijn kin als ik aan roken dacht.

Inmiddels ben ik dubbel en dwars genezen.
Toch schuilt er ergens in de krochten van mijn brein nog een roker: ik droom namelijk met enige regelmaat dat ik met een brandende sigaret de bus instap en ergens plaatsneem. En er is geen chauffeur die er iets van zegt…

Nog één gratis tip: stoppen met roken en het slikken van staaltabletten is een slechte combinatie (-: