De dwarsligger

Familie Zwaan stak de provinciale weg over. In een rij van zes liepen ze in de zen-modus naar de overkant.
Raad eens wie vooraan stond in haar blauwe doos? Juistem!
De tegenligger stopte ook.
Terwijl de zwanen hun zwemvliezen omhoog optrokken en elegant lieten neervallen, waggelden ze met hun witte konten heen en weer. De voorste drie liepen in gelijke pas. Je zou er een vrolijk deuntje onder moeten kunnen zetten.

De rij wachtende auto’s werd almaar langer.
Een persoon met een matige impulsbeheersing dacht: ik rijd er voorbij. Halverwege naast mij kwam de Volvo tot stilstand. Aan het achterportier hing een colbert op een hanger en op het dashboard lag een verkreukelde Volkskrant.
De bestuurder draaide zijn bovenlijf in een bocht en zag dat de plaats waar hij gestaan had, was vergaan. Daar stond hij dan met zijn goede gedrag: hij kon geen kant op.

De stoet zwanen was intussen een aardig eind gevorderd. Ik kon de opgeluchte zuchten van mijn medeweggebruikers bijna horen.
Tot het zwaan nummer zes teveel werd en midden op de weg neerzeeg. Hij worstelde een moment tot z’n zwemvliezen naar tevredenheid onder z’n buik gevouwen lagen, en stak zijn kop in zijn verendek. Niets leek erop dat deze te-wegligging van tijdelijke aard was.

Van frustratie begon de bestuurder van de Volvo hard op de claxon te bonken. Een zinloze actie, waarschijnlijk veroorzaakt door een naderende midlifecrisis.
De zwaan keek de bestuurder even recht aan, gaapte en hernam zijn oude houding. Het getoeter hield op.

Ik zwaaide een aantal keer m’n autoportier open, dicht, open, dicht…
De watervogel stond op. Draaide een rondje om zijn genderneutrale as, produceerde een berg groene drollen en liet zich weer zakken.

Uit de auto van de tegenligger stapte een zwaar gebouwde kerel met armen als staalkabels. Hij liep naar de zwaan, zwaaide met z’n armen en riep opruiende teksten als: ‘Kssst! Kssst!’
Dat hielp. Het beest besloot ons een plezier te doen en zijn kornuiten alsnog te achtervolgen.

Je zou denken dat alles voorbij was, maar de verkeersgoden beslisten anders.
De Volvo gaf gas en probeerde zich voor mijn auto te wringen.
Hij zag mijn kritische blik en tikte met z’n vinger tegen z’n voorhoofd. Ik zóu hem voorrang kunnen verlenen ware het niet dat ik een vals karakter heb en er geen enkele passeermogelijkheid op de  smalle weg was. Drie auto’s naast elkaar – zelfs tweeënhalf – was Godsonmogelijk. Ik glimlachte vilein en reed het gaatje nog ietsiepietsie verder dicht.

Toen de Volvo van geen wijken wilde weten, stapte de man met de staalkabels weer uit. Wijdbeens dirigeerde hij de tegenpartij achteruit.
Er verscheen iets onzekers in de houding van de laatste. Het drong langzaam maar meedogenloos tot zijn stoïcijnse brein door dat een snel heenkomen ver te zoeken was. Erger nog: er bleef maar één mogelijkheid over. Hij moest ten aanschouwen van iedereen in zijn achteruit de weg afrijden tot bij het eerstvolgende kruispunt 600 meter verderop.
Ook dáár had ik graag een gezellig deuntje onder gehoord.

Ik heb er tabak van!

Ergens deze maand – 25 jaar geleden – ben ik gestopt met roken.

Mijn eerste sigaret stak ik op in het Sophia Kinderziekenhuis. Dat lees je goed. Eenmaal een doorgewinterde roker versleet ik een baal shag en een pakje sigaretten per week.

In de zomer van 1992 vermorzelden Joris en ik de ene na de andere “duizender” onder onze fietswielen. Bij de zoveelste top riepen mijn benen: Meer! Meer! Meer! Ik hijgde echter als een postpaard dat onderweg een long verloren was. Het besef sloeg in als een bominslag. Op die top beloofde ik mezelf datzelfde jaar nog te stoppen met roken.

Al drie keer eerder was ik gestopt en net zo snel weer begonnen, maar deze keer zou het lukken!

Om mijn goede voornemen niet vroegtijdig in rook te zien opgaan, koos ik voor een degelijke aanpak, en ging naar de huisarts voor een recept voor nicotinepleisters.
De dorpsarts stond bekend om zijn liefde voor het vak geneeskunde en zijn afkeer van komst van patiënten.
Mijn verzoek voor het recept werd direct weggewuifd. ‘Allemaal onzin! Het is mijn persoonlijke mening dat die pleisters niet helpen.’
Mij een zorg.
‘Ik kom hier niet om uw persoonlijke mening te horen; ik kom voor een recept.’
De stakker zag in dat debatteren vruchteloos was, en met een glimlach nam ik bij de apotheek de pleisters in ontvangst. Op de terugweg naar huis trakteerde ik me op een jojo.

Om de laatste sigaret deed ik een strik en zoog de rook zo inhalig naar binnen alsof ik het gemis dat komen ging reeds kon voelen.
En toen was-ie op…
Ik gooide m’n aansteker, en asbakken (op eentje voor de viste na) in de afvalbak en dat was dat.

Niet roken was een aanslag op mijn goede humeur. Constant werd ik achtervolgd door een onweerswolk. Het moeilijkst was het tijdens het drinken van een kop koffie en na het eten. Oh…die  onbedwingbare hunkering… Maar ik zou mezelf geselen tot elke zucht naar nicotine verbannen was.

‘Als je zes weken gestopt bent, krijg jij van mij een hometrainer,’ beloofde Man.
‘Bestel ‘m maar vast!’ riep ik vurig.
Wel nam ik mezelf voor: als ik oud ben en het toch niet meer uitmaak, begin ik weer, want zelfs jaren na het stoppen liep het kwijl over mijn kin als ik aan roken dacht.

Inmiddels ben ik dubbel en dwars genezen.
Toch schuilt er ergens in de krochten van mijn brein nog een roker: ik droom namelijk met enige regelmaat dat ik met een brandende sigaret de bus instap en ergens plaatsneem. En er is geen chauffeur die er iets van zegt…

Nog één gratis tip: stoppen met roken en het slikken van staaltabletten is een slechte combinatie (-:

Treitermeid

Een vrouw noemt m’n meisjesnaam en vanuit de krochten van m’n puberteit herken ik haar onmiddellijk.
‘Wij hebben samen in de klas gezeten,’ zegt ze.
Ik knik. Haar neus is net zo groot als in mijn herinnering. In mijn dagboek noemde ik haar Pinokkio. “De Gaulle” was toepasselijker geweest.

De vrouw heet Rietje. Zeg maar gerust “Riet” want ze is verdrievoudigd in omvang. Ze heeft een pafferig gezicht vol craquelé, en nog steeds dezelfde mooie blauwe ogen maar de  kraaienpoten ernaast lijken wel winkelhaken.
Toen op de middelbare school mijn hormonen nog in winterslaap verkeerden, loeiden die van haar op oorlogssterkte. Elke week stond ze met een nieuwe verovering in het fietsenhok te vozen. Op haar vijftiende kon je haar met ’n gerust hart een afgelikte boterham noemen.

‘Jij bent Riet,’ zeg ik. ‘Jij stak m’n schoolagenda in de fik. En je hebt een keer m’n kleren meegenomen of weggegooid. Na gym moest ik in korte broek en T-shirt naar Franse les en naar huis.’
Onbeschaamd schatert Riet het uit. Haar onderkin flubbert heen en weer. Kennelijk vindt ze het nog steeds een goeie grap. Ik krijg zin haar in haar gezicht te slaan. Eerst links en daarna rechts.

Klanten draaien zich naar ons om en volgen geïnteresseerd ons gesprek.

Als ze is uitgelachen, informeer ik: ‘Wat heb je met m’n kleren gedaan? Ik heb ze nooit teruggevonden.’
‘In de vuilnisemmer gegooid en om half drie kwam de vuilniswagen langs,’ vertelt ze met een licht gevoel van triomf.
‘Heb je dat echt gedaan?’ vraagt Wout. Hij geeft met de platte kant van een hakmes  stevige klappen op een lap vlees en staart Riet in ongeloof aan.
Riet knikt zoals een duif tijdens het lopen met zijn kop doet.
De slager schudt zijn hoofd over zoveel lompheid.

Riet zegt: ‘Ik heb jou een paar keer in de krant zien staan. Dat je de meeste kilometers bij de Waardrenners hebt gefietst.’
‘Leuk joh,’ zeg ik koeltjes.
‘Ja, mijn ex fietste daar ook. Mijn eerste ex. Niet mijn tweede.’
Ze begint een heel verhaal en negeert vakkundig mijn gebrek aan belangstelling. Zelfs als ik mijn bestelling doorgeef, wauwelt ze door.
‘Zit jij op facebook?’ vraagt ze.
‘Ja,’ zeg ik, ‘maar ik voeg alleen vrienden toe.’

Als ik betaald heb, probeert Riet het nog één keer. ‘Zullen we een keer iets afspreken?’
Het magische woord “sorry” heb ik haar nog steeds niet horen zeggen. Ik geniet  bij voorbaat van de krenkende woorden die ik ga zeggen: ‘Nee, dank je. Als ik gemekker wil horen, koop ik wel een geit.’
De bulderende lach van Wout achtervolgt me als ik zijn slagerij uitloop.

Doorloopwagen

Doorloopwagens zijn een uitstervend verschijnsel. (Je hoort er hier voor het eerst over? Geen dank.)
Zonder speciale aandacht aan weidewagens te schenken liep en fietste ik er jarenlang voorbij. Als het stil was, hoorde je tijdens melktijd midden in het land de kettingen rinkelen en het motortje zoemen.
Kijk, zo staan ze in de wei.

En zo ziet-ie er van binnen uit.

De weidewagen is een verrijdbare metalen keet met een ingebouwde melkmachine en een aantal buizen. Voor de wagen langs loopt een stuk schrikdraad dat ervoor zorgt dat de koeien geen losbandig gedrag gaan vertonen door zich vroegtijdig te verdringen bij de ingang.

Meestal worden de koeien in de wagen vastgezet, vandaar dat ze een stal-halster dragen.

De oudste koeien, de bazinnen, komen als eerste aanlopen om gemolken te worden. Een béétje privilege mag er zijn.
Twee aan twee – links en rechts –lopen ze rustig de melkwagen in. De rest wacht ongeduldig op een kluitje.

De boer maakt de spenen schoon met een doek…

…en schuift de tepelhouders om de spenen.

De dieselmotor drijft een afzuigpomp aan die vacuum trekt in het buizenstelsel.
Een op een buis aangesloten slang is gekoppeld aan een ketel waar de melk instroomt.
Na ongeveer 5 minuten is een koe verlost van haar melk.

De boer controleert of de melk goed is: of de kleur oké is en er geen brokjes in zitten.
Wijkt de melk van een koe een paar keer achter elkaar af, dan moet de boer actie ondernemen.

Bij oudere koeien moet extra gecontroleerd worden of de uiers leeg zijn. Restjes kunnen  uierontsteking veroorzaken.
Meestal is een beetje mintcreme voldoende, die stimuleert de doorbloeding. Werkt dat niet dan moet antibiotica gegeven worden.
Vandaar dat de administratie op orde moet zijn!
Koe 31 mag niet voorin. Zou ze aan het muiten slaan?

Als de eerste vier koeien klaar zijn, haalt de boer het vacuum van het apparaat en hangt de zuigers  terug aan de haak.
Klaar.
De koeien lopen recht-zo-die-gaat naar buiten en de volgende vier dames melden zich.

Deze doorloopwagen staat er nog omdat de koeien te ver van de stal vandaan lopen. Ruilverkaveling zit er niet (meer) in want alle omringende weilanden zijn in bezit van Stichting Het Zuid-Hollands Landschap.

Hoe dan ook: zo zien we ze het liefst: in de wei. Dag melkmeiden!

Moordrecept

‘Ogen dicht en ruiken. Flink inhaleren, ja, goed zo.
Wat nou muf? Je ruikt Moeder Natuur; de aarde; een rijk en verfijnd aroma. Dit? Dit zijn stukjes Eekhoorntjesbrood! Verser en biologischer dan deze vind je nergens. Gewoon, uit het bos. Uit een authentiek Brabants bos. Geplukt door kaboutertjes. Haha, nee hoor, Dien heeft ze geplukt, gesneden en opgestuurd. Lief hè?
Ja, dat kan, dat er een hond op geplast heeft. Wat ben jij ineens een kniesoor. We eten elke week een keer champignons en daar heb ik je nog nooit over gehoord. Weet je hoe ze die kweken? Op paardenpoep.

Deze paddenstoelen zijn niet gevaarlijk! Je gaat er echt niet dood aan. Er is in Nederland geen paddenstoel die op Eekhoorntjesbrood lijkt, dat is één. En twee: Dien is boswachteres in de Peel. Ja, dat is een modern beroep. Zij weet álles over planten, bomen, en kruiden. En paddenstoelen zijn haar specialiteit.
Hoezo heb je daar nog wat vragen over? Je bent niet op je werk.
Nee, ik néém geen onnodig risico. Je denkt toch niet dat ik m’n eigen kind vergiftig! Ben ik je vrouw of de vijand?

Weet je wat? Ik zal nu, hier, terplekke twee grote plakjes Eekhoorntjesbrood opeten, en als ik over een uur nog leef, ben je dan gerustgesteld?
Je bent zelf een drama-queen! Je zit gewoon koortsachtig excuses te verzinnen om onder deze delicatesse uit te komen. Zo kinderachtig. Anders word je altijd wild als ik iets nieuws kook. Zal ik een kalmerend tabletje voor je pakken?
Oh, je wilt ze wel proberen als ze uit de winkel komen. Van de Eco-plaza zeker? Daar betaal je een vermogen voor Eekhoorntjesbrood en ze smaken minder dan de helft dan deze bos-exemplaren.
Dan heb je pech, ik heb liever die van Dien.

Geloof me, ik ga hier iets verrukkelijks van koken. Ik heb al een recept op internet gevonden en dan wordt het smikkelen en smullen. Natuurlijk eet jij daarvan mee. Hoezo “Dat bepaal jij niet?”
Ik weet heus wel dat ik dat altijd tegen jou zeg, dus hoef jij dat nu niet tegen mij te gebruiken, na-aper.
Wacht nou maar rustig af, het woord een moordrecept!
Kun je nu even naar me lachen? Alsjeblieft?’

Appelpop

Roos ging met twee vriendinnen en mijn auto naar het Muziekfestival Appelpop. Elk tweede weekend van september wordt dat in den lande georganiseerd.
‘Waar is het precies?’ vroeg ik.
‘In Tilburg,’ zei Kind.
‘Waar in Tilburg?’ informeerde ik verder.
‘Weet ik het! Borden in de stad geven de route aan,’ sprak Roos gemotiveerd.
‘Appelpop….’ bemoeide Man zich ertegenaan, ‘klinkt eerder als de Betuwe.’
Roos maakte een misprijzend geluid over zoveel domheid. Typisch haar vader uit het Stenen tijdperk.
Ik stelde haar wat gerust: ‘Je boft. Op internet staat dat veel evenementen zijn afgelast door wateroverlast maar onder de Moerdijk is het sein veilig.’

Op de dag zelf had Roos helemaal geen zin meer om naar het festival te gaan. De lucht was loodgrijs. Koude regen geselden onze ramen. ‘Ze geven voor heel de dag dit zeikweer op,’ mokte ze.
‘Regen heet dat,’ verbeterde Man.
‘Het is buiten, hè?’ riep ze geïrriteerd. ‘Hier, moet je zien! Nederland zie je niet eens liggen onder de buienradar!’
‘Kom op!’ zei ik, ‘Tom Odell treedt op. Tom! Odell!’
‘Trek je regenpak maar aan!’ appte vriendin Suzanne die er zo snel mogelijk naartoe wilde.

Ik riep verstandige teksten als:
“Je gaat gewoon, het is hartstikke leuk!”
“Hollandse meid!” en
“Het is gratis.”
Ja hoor eens, Joris en ik willen ook wel eens een dag rust.

Roos ging van ellende dan toch maar mee.
De dames zetten eerst koerst naar de Mac in Breda ter vulling van de immer rammelende studentenmagen.
Na de schranspartij loerde vriendin Marcella vanaf de achterbank op de routenavigatie. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg ze.
‘Naar Tilburg,’ zei Roos.
‘Daar is Appelpop helemaal niet! We moeten naar Tiel!’

‘Tiel was niet veel omrijden, hoor. We zaten er zo,’ loog Roos. ‘Goddank ben ik geweest,’ zuchtte ze. ‘Er waren drie podia met telkens optredens van een uur. En het was overdekt, hè? Stel je voor dat ik na afloop had gehoord dat Tom Odell in een muziektent had opgetreden, dat…dat…zou rampzalig geweest zijn.’

Ik ken een veel rampzaliger scenario: een blauw autootje, drie studentes – met bij elkaar opgeteld een IQ van ongeveer 400 – en ze reden al bijna in Tilburg waar geen borden stonden die ze naar de parkeerplaats van Appelpop leidden…

De hengelaar

‘Tyfuswijf, pleurt op met je kankermuil en je teringhond,’ bast een mannenstem.
Ik gluur door een berg riet naar de overkant maar zie alleen stengels. Stel dat de persoon aan overkant zit, dan is dat 150 meter bij mij vandaan. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat-ie het tegen mij heeft. Ik gooi de bal weer in het water, Rosa stuitert er achteraan en even later loop ik de bocht van het pad om.

‘Hoor je me niet, pleuriswijf. Rot op met je kolerehond!’
Aan de overkant zit een kerel met een hengel in zijn hand. Hij draagt een pet, heeft een blote bast en armen als twee rollen behang.
Ik gun alle vissers stille wateren om diep te gronden. Zie ik er een dan lopen Rosa en ik graag een slootje verder, maar om de een of andere reden voel ik voor deze man enige vijandschap dus vist-ie mooi achter het net. Automatisch schakel ik over op de dwarse reflex, negeer de man en bal verder. Wel houd ik Rosa dicht langs de slootkant.

‘Hé! Ben je doof of zo? Of mankeer je wat aan je muil? Ik heb een vrije dag! Niemand hep meer respect voor een ander.’
‘Ik ga alleen weg als je het vriendelijk vraagt!’ zeg ik.
De man aan de overkant wordt overspoeld door een zenuwaanval. ‘Met je kanker-tyfus-teringhond! Moet ik ‘m komen verzuipen?’

Die opmerking maakt me pas echt strijdlustig. Ik kan trouwens roepen wat ik wil want voordat de man bij mij is, zijn we tien minuten verder. Tenzij hij een vis met zijn handen wil vangen. En ik heb een troef in handen die ik meteen uitspeel: ‘Ik weet waar je auto staat.’
‘Wat! Waar mijn auto staat?’
‘Ja. Een mosgroene Opel toch?’

Van die mededeling moet de kerel langdurig herstellen. De blik op zijn gezicht is onbeschrijflijk. Zijn mond valt open wat een nogal niet-snuggere aanblik biedt, waarna verbijstering en ongeloof elkaar opvolgen.
Het was puur toeval dat ik ‘m vanochtend zag sjouwen met hengels, vistuig, tent, klapstoel, bier…de hele reu-te-me-teut. Omdat zijn auto bij ons voor de deur staat. Die informatie houd ik natuurlijk achter.

De visser zwijgt nog steeds.
Dat hoor ik graag.
Rosa en ik hebben genoeg van de zwempartij. Ik roep vrolijk: ‘Tot vanmiddag!’ Het is een geintje maar de visser trapt erin. Hij lijkt één stap verwijderd van een hartaanval.

Filmpje!

Keek op de week (34)

Roos moest maandagochtend naar Erasmus. Mopperde bij thuiskomst: ‘Kon amper metro in! Kreeg NL alert op telefoon om binnenstad te mijden. Alsof ik daar naartoe wilden. Stond opgehokt tussen Feyenoordfans met schalen van karton in hand.

Vergenoegd kwam Man thuis en zat met big smile aan tafel. Had op werk dag via laptop naar inhuldiging van Feyenoord op tv Rijnmond gekeken.
Keek thuis naar journaal, daarna naar samenvatting op mobiel. Zei gniffelend: ‘Altijd al gezegd dat Ajax een wandelvereniging is.’ Gaf licht van blijdschap. Glimlach was niet van z’n gezicht te slaan. Heb het ook niet geprobeerd.

Boodschappenzegels kopen en sparen vond ik voorheen zinloze, onbenullige bezigheid. Totdat ik me realiseerde dat AH 6% rente geeft. Dat is 5,85% rente meer dan op mijn bankrekening! Ga nu zegels sparen. Als boekje vol is, inleveren en met Roos lunchen bij Hotel New York. Wat heb je aan geld op de bank?

‘Shit!’ zei ik en staarde verbijsterd naar m’n hand. Hoofd vol vraagtekens: hoe kon dit gebeuren?
‘Wat izzer, mam?’ vroeg Roos en kwam naar keuken gesneld.
‘Heb ineens bovenkant van mengkraan in m’n hand.’
‘Hoe kan dat? Vlug!’ maande ze, ‘papa komt eraan!’
‘Moet ik doen dan?’
‘Duw ‘m er gewoon weer op!’
Frommelde met kraan…
Deur ging open.
‘Wat doen jullie?’ vroeg Joris toen hij Kind en mij naar gootsteen zag staren.
‘Oh niets,’ zeiden Roos en ik in koor en verlieten keuken. Kraan was net op tijd weer één geheel.

Ondanks Joris’ inspanningen vond hij dood mereljong onderaan boom. ‘Zonde,’ zei hij, ‘jong was al groot.’ Heeft beest met militaire eer begraven.

Weten jullie het nog? Dat Rosa in Koeienbos als razende naar mollen graaft? Aarde die alle windrichtingen opvliegt; haar snuit die dieper en dieper wroet? En het ineens op een janken zet.
Baas, net zat hier nog een mol en nu is-ie weg!
Dat argeloze voorbijgangers denken dat het beest wordt afgeranseld?
Een zeker bloglezeres – ik noem geen rugnummers, wel dat haar naam begin met een R en eindigt op oelien – geloofde niet dat “dat onschuldige hondje op de foto zo kan graven.”
Bij dezen het bewijs: filmpje! Met dank aan Roos en vooruit: ook een beetje aan Rosa (-:

 

Twintig miljoen!

Deze foto is van Dien

‘Sommige Finland-vragen heb je niet beantwoord,’ zegt Roos tijdens een lunch op een zonovergoten terras. ‘Bijvoorbeeld: als ik vijf namen zou hebben, hoe luiden dan de laatste drie?’
‘Eh…Lilly Aurora Isabel,’ verzin ik ter plekke.
Kind knikt tevree. ‘Waar word je blij van?’
‘Ik ben blij als jij blij bent. Een niet-opkruipende onderbroek is fijn. Een veld klaprozen. Stoplichten die op groen staan. Op houten klompen in de tuin  werken klossen…’
‘Laat maar,’ zegt Kind. ‘Het was de bedoeling dat je dingen opnoemt die je kunt kopen. De vraag is eigenlijk: wat zou je doen met twintig miljoen?’
‘Ik weet het! Ga ik de vulpen kopen!’
Roos rolt met haar ogen over zoveel domheid. ‘Die kost maar 1350 euro, mam.’
‘Oké dan. Een huis met luiken’ zeg ik. ‘Een aparte kamer voor mijn boeken. Een rustig schrijfplekje. En een Vlaamse reus in huis die ik Pim of Puck noem.’ Dit gezegd hebbende neem ik een hap bruinbrood met kroket.

‘Ik wil een zwembad en een sauna!’ roept Roos met stuiterende geestdrift.
‘Ik gruwel van sauna’s,’ zeg ik met afgrijzen.
‘Blijf jij buiten,’ zegt ze luchtig. ‘Wat wil je nog meer?’
‘Een tuin waarover is nagedacht. Met een tuinman; ik ken een heel leuke. Verder ganzen, kippen, en  een bruine vriendin voor Rosa. Eentje uit het asiel,’ som ik op. Gul zeg ik: Jij krijgt een auto van me.’
Roos grinnikt terwijl ze een paar frietjes naar binnen werkt. ‘Zal ik een klein of een stoer model nemen?’
’Allebei. Wel een milieuvriendelijk soort.’
‘Wat voor auto neem jij?’ informeert ze.
‘Ik rijd m’n blauwe doos op. Ze heeft me nog nooit in de steek gelaten en kan nog makkelijk tien jaar mee.’

Ineens slaat Kind met haar hand op tafel. ‘Ik wil een paard!’
‘Ja, een paard. Gaan we samen rijden.’
‘Nemen we wel een stalknecht, hoor.’ Roos ziet zichzelf duidelijk geen stallen uitmesten.
‘Weet je wat ik écht graag wil hebben?’ roep ik. ‘Een toffe boomhut!’ Waarna ik er enigszins beschaamd aan toevoeg: ‘Ik lijk wel gek me zo mee te laten slepen door een geldprijs.’
‘Waarom?’ zegt Roos, ‘Je zit al heel de tijd te lachen.’

Omdat ik anderen ook graag zie lachen, ga ik (zogenaamd, red.) geld uitdelen aan m’n bloglezers met een maximum van 10.000 euro per persoon.
Roep maar wat jullie ermee gaan doen!

Douze points!

De landelijke examens moeten nog beginnen maar ik ben al geslaagd. Cum laude zelfs! Ik heb 16 van de 18 triggerpoints gescoord bij de reumatoloog voor de fibro-test. Waarbij handen niet worden meegerekend, terwijl ik die het meest gebruik. Rare jongens, die witjassen.
Na het lichamelijk onderzoek keek de arts met verbijstering naar mijn twee kromme pinken.
‘Zijn die gevoelig?’ vroeg ze.
‘Alleen als iemand er met een hamer op slaat,’ zei ik.
Onverstoorbaar vroeg ze: ‘Zit het bij u in de familie?’
Ik knikte; niet van harte want ik ben de enige “gelukkige.”
Voor de zekerheid moest ik een foto van mijn onderrug laten maken.
‘Checken of het geen artrose of slijtage is,’ legde de arts uit.
Nou, als ik een aanval krijg, heb ik eerder het gevoel dat m’n rug gebroken is, maar die informatie hield ik voor mezelf.

Als enige in de wachtruimte meldde me ik me bij de rontgenbalie. Direct werd ik op mijn plaats gezet: ‘Eerst een nummertje trekken!’
Toen wilde ik waar voor m’n geld. Samen met het stukje papier ging ik op een stoel zitten.
‘Dat hoeft nou óók weer niet, mevrouw,’ zuchtte de medewerkster.
Ik leverde de benodigde papieren in en kreeg de mededeling dat ik in “wachtkamer S van Simon” mocht gaan zitten.

Foto’s maken ging fantastisch. Ik hoefde immers niet te lachen. Dat was ook onmogelijk want ik werd met veel tegenzin begroet door een omvangrijke radiologe.
‘Al mijn collega’s zijn al naar huis,’ zei ze nors terwijl haar boezem nog na deinde.
Ter bemoediging zei ik: ‘Het is bijna weekend.’
Het lachen bleef haar vergaan want ze blafte: ‘Kleedt u hier uit. U mag uw slip en sokken aanhouden.’
Waarom mijn bh uit moest voor het maken van een foto van m’n onderrug beats me completely maar klagen of vragen zou nodeloos oponthoud opleveren en ik wilde dóór.

Daarna weer bloedprikken.
‘Ik hoop dat er nog wat in zit,’ grapte ik tegen de prikster.
‘Bent u bang?’ informeerde ze.
Bang? Welnee; mijn zenuwen in die arm zijn onderhand dood.

Volgende week krijg ik uitslag van de reumatoloog. Hopelijk niet in m’n gezicht of op een plaats waar ik zelf niet bij kan. Dan volgt een verwijzing naar de reumaverpleegkundige waarvoor ik een vragenlijst moet invullen:
“Hoe vaak heeft u op het politiebureau gezeten?
Bent u eerder geopereerd?
Heeft u al uw verstandskiezen nog?
Heeft u vroeger drugs gebruikt of gebruikt u ze nu?”
Wat heeft dat in hemelsnaam met fibro te maken? Ik heb er nog nooit een opgestoken, maar krijg ineens behoefte aan een joint. Wie weet ziet de wereld er dan weer wat rooskleuriger uit.