Een Citroen, een tuinman en een goede ruil

Lang geleden vierden Lief en ik vakantie in Frankrijk. We hoeven veertien dagenlang alleen maar 125 kilometer bergje op en bergje af te fietsen; de rest was geregeld: hotelverblijf met  ontbijt/diner, en bagagevervoer. 

De vrouw heeft een figuur en een gezicht alsof ze driemaal daags alleen citroenen eet. Met een geleerd gezicht inspecteert ze onze paspoorten en beveelt Lief een formulier in te vullen “voor het geval ze ons moet aangegeven bij de politie.”
Man vult als werkgever “Hendrik Jan de Tuinman” in en met dezelfde creatieve inslag ons adres en telefoonnummer.
In ruil daarvoor overhandigt Citroen ons een sleutel en prijst onze hotelkamer aan alsof het een suite met vijf sterren is.

De kamer is een vierkant hok, ruikt muf en heeft een bruin tapijt vol vieze vlekken. Op de douche zou ik het liefst de brandslang zetten. Hij is niet alleen vuil en beschimmeld, ook liggen de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de vloer. Speciaal voor dergelijke gelegenheden hebben Lief en ik waterschoenen bij ons, maar helaas is onze bagage nog niet gearriveerd. Het zou me niet verbazen als Citroen die- om ons te pesten – achterhoudt in een bezemkast.

Voor een open raam tegenover ons hotel zit een oude vrouw op een stoel naar ons te kijken.
Ik zwaai en roep beleefd: ‘Bonjour!’
Ze reageert niet. Zou ze iets mankeren?

Ik trek mijn fietsschoenen uit en laat me op het tweepersoonsbed vallen. Er liggen twee doekjes op. Ik vouw ze open: er zitten luchtgaten ter grootte van mijn hoofd in. Laat me raden: hier moeten Lief en ik straks onze billen mee afdrogen. Onze vaatdoekjes thuis zijn van hogere kwaliteit.
‘Heb jij in de douche handdoeken gezien?’ vraag ik aan Lief.
Joris schudt ontkennend zijn hoofd.
Ik voel het onstuitbare wicht in me naar boven komen, vouw de lapjes op en loop ermee de hotelkamer uit.
Niemand te zien in de gang…
Ik loop de kamer tegenover de onze in, en ruil onze lapjes om voor twee roze badhanddoeken die ik daar in het voorbijgaan had zien liggen.

Terug op de kamer komen er vreemde geluiden uit de douche. Het blijkt Lief te zijn die met het douchematje muggen aan het pletten is.
‘Ik heb er al negen gevangen!’ roept hij trots.
Ik prijs zijn inzet.

Zonder kloppen gaat onze kamerdeur open en sjouwt de hotelbaas onze twee sporttassen naar binnen. Zonder een woord te zeggen, loopt hij weg en laat de kamerdeur open staan.
Ik wil me al gaan ergeren als ik onverwacht Citroen hoor roepen: ‘Aaaaah…cherie! Margot et Pierre!’ Koket loopt ze op twee voor mij onzichtbare mensen af en geeft ze een paar klinkende zoenen.
Zo onzichtbaar mogelijk sluit ik zachtjes de kamerdeur.

Ik kijk nog eens naar de overbuurvrouw. Ze lijkt wel een ijssculptuur: aan haar houding is niets veranderd. Ik wil zeker weten of ze helemaal in orde is en steek mijn tong naar haar uit. Wel twee seconden lang.
Gelukkig, ze is niet blind; ze heeft gewoon een hekel aan toeristen.
Citroen straks vast nog veel meer!

Hannibal

Altijd als ik op de fiets zit, gebeurt er wat. Zo ook vandaag.
Onderweg kijk ik graag naar koeien. Rond Oudewater staat een kudde met kalfjes. Vandaag staat er ook een tractor in de wei. De boer heeft het gras op het weiland naast de koeien geschud en is onderweg naar de uitgang. Hij moet een stuk schrikdraad losmaken om in de wei van de koeien te komen. Een klusje van niets, maar er is een probleem: een stier met het formaat van een olifant staat naast het stukje draad en is niet van plan opzij te gaan. De boer zwaait met zijn armen en roept allerlei verwensingen, maar zonder resultaat.
Ergo: de stier neemt een dreigende houding aan en schraapt met zijn poot over de grond.

Na vijf minuten heb ik het gezien en wil ik opstappen, maar ik krijg medelijden met de boer.
Ik loop over de weg naar het gezichtsveld van de stier, trek mijn bontgekleurde fietsshirt uit en begin er mee te zwaaien. Mijn actie trekt toeschouwers. Ellendig is dat.
Onder hen staan drie stoere mannen op mountainbikes. Ze dragen helmen, wappershirts en witte kniekousen. Ze vermaken zich dik en verroeren geen vin.
Ik voel me een blote idioot, maar nu ik toch voor joker sta, wil ik volslagen in mijn plan. Die stier zal me in zijn vizier krijgen en ik zal laten zien dat ik meer ballen heb dan die drie stoere binken bij elkaar!

De stier zwaait met zijn kop en kijkt in mijn richting. Langzaam loopt hij op me af.
Oh shit. Eerlijk gezegd heb ik het niet zo op stieren. Zo’n groot beest en maar zo’n klein stukje draad tussen ons in. Zal ik me achter de mountainbikers verstoppen? Dan maar geen lefmeid.
Maar het is te laat. De stier zet er de sokken in.

Ter plekke blijf ik bijna dood. In mijn ooghoek zie ik de verrichtingen van de boer: uitstappen, draad losmaken, instappen, doorrijden, uitstappen, draadje vastmaken en weer instappen.
Ik heb het gevoel alsof de tijd stil staat. Bewegingloos sta ik langs de kant. Ik wil weg, maar mijn voeten luisteren niet.
Steeds dichterbij komt de stier.
Ik zie zijn kolossale lijf, zijn massieve kop, machtige horens en zijn neusvleugels die snel bewegen. Ik kan hem zelfs ruiken. Hij ziet er geïrriteerd uit. En door wie zou dat komen?
Dat draadje knapt straks en dan loopt-ie zo over me heen.
Achter me staan de drie binken zich te verkneukelen. Stelletje langharig tuig!

Ineens is de tractor er en is alles voorbij. Als bij toverslag laat de stier alle belangstelling varen, en kuiert bij me vandaan naar zijn harem toe. Tien meter verderop gaat- ie met zijn kont in mijn richting staan schijten. Zelfs van deze afstand kan ik de vlaaien horen vallen.
Alle toeschouwers stappen weer op de fiets.
Ik weet niet hoe snel ik mijn shirt weer moet aantrekken. Door de haast trek ik ‘m achterstevoren aan; echt iets voor mij.
De boer rijdt de weg op en wenkt me. Is dat wel verstandig?

Hij schatert luid: ‘Hahaha, je bent voor mij nog banger dan voor de stier!’
Ik geneer me. Snel over iets anders gaan praten.
‘Moet u eh…morgen weer het gras schudden?’
‘Ja, en overmorgen moet de baalwagen erdoor.’
Mooi. Weet ik waar ik de komende twee dagen waar ik niet naar toe moet fietsen!

Je hebt het vast al gezien: de foto is van Dien! Senk joe dier.

Cowgirls

Voorjaar 2007

De ochtendnevel is betoverend, maar doorweekt ons tot op het hemd. Het is doodstil, geen mens te zien, nou ja,  11 malloten op een  fiets. Midden op een verlaten landweggetje staat een complete kudde koeien. Wat zijn het er véél! Aan de vlaaien te zien, hebben ze hier overnacht. We remmen, klikken de voeten uit de pedalen, en gooien de fiets op onze schouder in de veronderstelling dat de kudde koeien uiteen zal splijten, als de zee voor Mozes.

De koeien staren verdwaasd voor zich uit. ‘Dat komt omdat ze een leider missen,’ zegt Jaap.
‘Gooi je in de groep!’ adviseer ik.
‘Gatferdamme,’ zegt Henk hartgrondig, en wijst naar een koe: één achterpoot bloedt en er zit een stuk prikkeldraad omheen. Het ziet er onsmakelijk uit. ‘Dat kunnen we toch niet laten zitten?’ oppert Henk.
‘Nee, hoe wou jij dat aanpakken, vriend?’ vraagt Jaap.
‘Nou, Kakel is toch zo’n dierenvriend? Die heeft een grote waffel en kan dat best ff regelen.’
‘Welja, laat mij het opknappen…’ foeter ik en hang mijn fiets bij Jaap om zijn nek. Geen koeienvlaai aan mijn racepaard.

Ik ben blij dat Telma erbij is; zij is bij de politie en weet van aanpakken. Nu ik nog. Tussen de zwart-witte lijven door soppen we door de drek door naar de arme koe. Het ziet me er een partij smerig uit! Het arme schaap loeit en trekt met haar gewonde achterpoot een stuk prikkeldraad heen en weer. Hoe pakken we zoiets aan? Met fietshandschoentjes 🙂 waarbij de beste stuurlui langs de kant van de weg staan met een fiets op hun nek.

Met gespannen schoudertjes trekken Telma en ik het ijzerdraad rond de poot van de koe los. We sjorren het prikkeldraad weg achter een boom, en vegen de handschoentjes af. Eind  goed, al goed.
‘Laten jullie die koe daar zo staan?’ vraagt Henk.
‘Ik zal haar achter jouw fiets binden, nou goed?’ zeg ik.
‘Ja dahag, ze is mijn schoonmoeder niet. Als de koeien straks gemolken worden, ziet de boer heus die bloederige poot niet.’
‘Er staat hier geen doorloopwagen, ze gaan allemaal terug naar de stal.’
‘Ja, naar de melkrobot…Dan ziet de boer nog niks. Wikkel wat om die poot heen!’
‘Trek je koersbroek maar uit,’ stel ik voor.
‘Voel jij eens ff aan je voorhoofd.’

Na veel gebakkelei doneert Rob een boerenzakdoek en pakt Telma de koeienpoot in. Tevreden over deze aanpak zoeken we onze fiets weer op. Koud onderweg roept Jaap met bewondering in zijn stem: ‘Hé Henk…zag je de uier nog van die ene koe? Zul-le-ke tepels hingen eronder!’

Boys will be boys, hè?
Negen cowboys en two cowgirls…En wie hebben de koe opgeLAPt? Juistem!

Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden. Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets. Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon. Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft? Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten? Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater. Nou en of! Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.  Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Scheissie! Zet ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor. Dag, ik blijft niet staan wachten; ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik weer mieters handig aangepakt!

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen:  ze hebben niets beters te doen dan te wachten op het bruidspaar. Schaamte giert uit al mij porien. Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door. In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!

Koekjesmonster

Mei 2009


Oh…een mandje met koekjes…ik ben gered! Hmm, een roomboterbiesje…lekker. Maar ja, één koekje verdwijnt zo in m’n holle kies. Het tweede koekje is een Jan Hagel, ook lekker, het derde een speculaasje en het vierde een Weesper mop. Nu  heb ik een kwartet koekjes op.

Leuk hoor, over binnenweggetjes fietsen, behalve als er nergens een bakker is. Te laat kwam ik tot de ontdekking dat mijn brood en bananen nog thuis op het aanrecht liggen. Meteen voelde ik een zwaarmoedigheid in me opkomen; met een lege maag kijk je anders tegen de toestand in de wereld aan. Onderweg stond een moeder met kind de eendjes te voeren en alhoewel ik geen jaloers typje ben, moest ik toen ik dat halfje brood zag, toch even slikken. Dankzij mijn enorme zelfbeheersing heb ik niet om een boterham gebedeld. Leuren met jezelf is ook niet chic.

Nu sta ik in een café. Het bordje op de deur zegt: open. Dat is een grote leugen, ik heb heel hard en vaak “volluk!” geroepen, maar er verschijnt geen hond. Met bibberbenen van de klophonger sta ik aan de bar bij een mandje met koekjes, en pak er weer eentje. De cellofaantjes prop ik in mijn koerszakje en de inhoud in m’n mond. Na het negende koekje krijg ik dorst. In het toilet vul ik de bidon en klok de kruimels weg.

Terug naar de bar. Nog steeds nergens personeel. Ik eet me uit de naad aan koekjes. Het mandje raakt leger en leger, totdat er nog drie de bodem van het mandje bedekken. Ook zielig…hun hele familie zit in m’n maag en dan zouden zij eenzaam achterblijven. Mijn besluit is snel genomen.

Op!
Zal ik de koekjes betalen? Nee joh, die koekjes kopen ze met honderd tegelijk in. Ja maar anders gaan ze me onderweg vast dwars zitten. Ik leg wat geld neer en dan, hup! als de wiedeweerga de fiets op, het is nog twaalf kilometer naar de bakker in Schoonhoven. Buiten  kijk ik nog eenmaal achterom. Het bordje liegt niet, denk ik, de déur staat inderdaad open!

Fietspompen, mannen en regels

Ze lacht vriendelijk naar me, de mevrouw van de VVV in Stadtkyll, maar ze kan me niet aan de 117 kilometer lange routebeschrijving van het trainingsrondje van de Gerolsteiner proffietsploeg helpen. “Bovendien,” lacht ze, “is die route alleen geschikt voor getrainde fietsers, voor mannen!”

Ik schud hard van nee, dat van die  mannen mag ze niet zegge en ik laat haar mijn spierballen zien en wijs naar mijn kuiten. Ze lacht weer. Dan pakt ze een kopie van een kaart en markeert alle plaatsen waar de route langsloopt. Als ik gewoon van plaats naar plaats fiets, rijd ik automatisch de “Gerolsteiner”route.  Nou, dat kan ik wel, van plaats naar plaats fietsen.

De volgende ochtend ga ik van start.
Ik zoef de heuvel af. Spoedig rijd ik Stadtkyll in. Op de kaart staat dat ik linksaf moet en er een beklimming komt. Als ik linksaf de hoek omrijd, staat de helling meteen al voor m’n neus. Keleune, moet ik daar naar boven? Dit lijkt wel een huis zonder ramen erin! Deze lijkt minstens net zo erg als de Keutenberg. Maar hij is láng! De moed zakt me in de fietsschoenen, want ik denk aan twee van mijn eigengemaakte fietsregels:

1)je grootste tandwiel achter als reserve gebruiken, dus zo min mogelijk en
2)ik stap niet af.

Oké, ik stap niet af. Maar dat van dat laatste tandwiel, wordt niks, want ik heb al mijn tanden nodig,  Een illusie armer worstel ik me naar boven. Pfff, die helling lijkt alleen maar langer te worden. Ik proef mijn ontbijt. Ik stap niet af, ik stap niet af, zeg ik in mezelf als een mantra. Het stijgingspercentage is hoog. Zigzaggend en zuchtend kom ik toch boven, zónder afstappen!

Ik wil uitsluitend over binnenwegen fietsen, maar dat betekent wel dat ik continue moet klimmen en dalen. Ik rijd over een hoogvlakte (voor Duitse begrippen dan), waar het krioelt van de windmolens. De hoogvlakte gaat over in een dicht naaldbos. Bij een volgende klim hoor ik een raar geluid, een beetje piepend. Eerst een zucht en dan een piep. Is dat nou mijn fiets? Zou mijn achterband zijn dag niet hebben? Ik stap af, kijk, maar zie niets bijzonders. Als ik verder fiets, weer zucht-piep. Zodra ik boven ben, stap ik af en bekijk alles goed. Niets te zien. Hmm. Ik stap op en sjees de helling af. Nu hoor ik niets; het geluid is weg.

Ik volg fietsbordjes naar Olzheim, maar ben al snel het spoor bijster. Heb ik een bordje gemist? Ik ben niet van plan om te keren, want op de fiets heb ik nog een regel: ik fiets niet terug. Ik heb vier keuzes, want ik sta op een kruising van vier wegen. Fijn om zoveel keuzes te hebben, maar de kans van slagen wordt daardoor wel minder groot. De weg waar ik vandaan kom, valt af. Blijven er drie over. Eén weg gaat over in een onverharde weg, die valt ook af. Blijven er twee over. Rechts van me staat een oud bijna vervallen huisje, met in de schaduw van een reusachtige boom een oude autochtoon op een bankje. Dat ik hem nu pas zie! Hij lacht naar me. Ik naar hem.

Ik vraag hem welke weg ik moet hebben om in Olzheim te komen. Hij kijkt me verbaasd aan.
Waar kom ik vandaan?
“Van Stadtkyll.”
Waar staat mijn auto dan?
“In Stadtkyll.”

En dat ik naar Olzheim wil, moet dat vandaag nog? Maar dat kan toch niet, dat is toch zeker wel, wel…50 kilometer. Het mannetje is bijna verontwaardigd. Ben ik helemaal alleen? Hij vertrouwt ’t niet. Dan zegt hij dat ik die weg moet hebben – hij wijst links naar boven- “maar,” laat hij erop volgen, “die weg kan ik niet op fietsen.”
Ik vraag: “Waarom niet? Zitten er gaten in of wordt er aan de weg gewerkt?” “Nee, dat is ’t niet, die weg is gewoon veel te steil voor mij om te fietsen. Dat is alleen voor sterk getrainde. En hij maakt zijn zin af door te zeggen waar ik al bang voor ben: “voor mànnen. Die weg is zó steil, dat er zelfs mannen afstappen.” Ik bedankt ‘m vriendelijk en begin aan de klim.

Nou hoor ik toch weer dat geluid: zucht-piep, zucht-piep. Het heeft iets van een fietspomp. Boven aan de klim hijg ik uit (ik ben niet afgestapt) en geniet van het uitzicht. Weer hoor ik datzelfde geluid. Ik tuur in de rondte. Aha! Ditmaal zie ik de boosdoener: het is een vogeltje! Wat een klein ding en dat daar zoveel geluid uit komt! Ik doop ‘m heel toepasselijk ‘het fietspomp-vogeltje’.

Ik eet een banaan en een boterham, stap op de fiets en laat me naar beneden vallen. Ik zie weer fietsbordjes en een tijdlang gaat het echt heel goed. Ik fiets van Olzheim en Schonfeld naar Gerolstein en Pelm. De weg gaat op en neer. Jammer dat er hier in de Duitse Eifel geen bordjes met stijgingspercentages staan, zoals in België. Nu kan ik eenmaal terug in het vakantiehuisje, niet opscheppen tegen Man en Kind hoe steil het onderweg wel niet was.

In de afdaling naar Pelm zie ik aan de andere kant van het dorp de weg alweer de volgende helling opgaan. Dat belooft weer wat! Ik hoop daar water te kunnen krijgen, want mijn beide bidons zijn leeg. Het is ook zo héét! Het verbaast me dat ik nog geen fietspomp-vogeltje dood van het dak heb zien vallen. Ik heb geluk, want er staan twee dames over de heg met elkaar praten. Zonder aarzelen vult één van de twee kordaat allebei mijn bidons. Grote klasse!

De klim omhoog dient zich aan. Het fietspomp-vogeltje is er ook weer. Nu is het echter mijn beurt om te zuchten. Pfff, wat is het steil en het is zo warm… Piepend kom ik boven. Zo, daar heeft het vogeltje niet van terug.

Het zweet loopt langs mijn rug. Wat waait het hier lekker! Ik gooi allebei mijn armen in de lucht. Niet bij wijze van triomf, maar dan kunnen m’n oksels even doorwaaien. Ik voel me betrapt als er een auto langs rijdt. Het valt me trouwens op dat ik bijna niemand tegenkom onderweg; zelfs geen hond.
Eigenlijk vind ik het wel genoeg voor vandaag en besluit Hillesheim links (op de kaart rechts) te laten liggen. Het is gewoonweg te heet!

En dan die vliegen, en dan die zweetdruppels die van m’n hoofd in m’n ogen rollen. Maar de hitte heeft ook een groot bijkomend voordeel, want nu kom ik aan een andere fietsregel van mezelf niet toe: pies waar je kan. Oftewel: zodra zich een geschikte locatie voordoet (bomen, greppels, benzinestations….) afstappen en een plasje doen. Door deze hitte hoef ik helemaal niet naar de wc. Ik zweet gewoon al het vocht eruit.

Ik fiets een stuk door een heerlijk koel bos, over verstilde treinrails, langs beekjes en langs koeien, die nu eens niet met hun kont naar de regen maar naar de zon staan.

Waarom fiets ik niet langs bordjes? Bordjes maken het leven zo gemakkelijk. Als ik bij een kruising een man met een hond zie staan, vraag ik de weg naar Stadtkyll. Stadtkyll, vraagt de man moet u daar vandaag nog naar toe? En waar kom ik vandaan? Ik vertel dat ik vanochtend gestart ben en nu  terug wil naar ons vakantiehuisje. Hij kijkt me aan alsof ik de leugendetector bedrogen heb.
Dat is toch veel te ver… Ik weet al wat er komen gaat en ja hoor, “getraind zijn” en “mannen”.

Zal ik hem vertellen dat ik een man ben, maar me om heb laten bouwen tot vrouw en nu een eigen televisieprogramma heb? Maar ach, waarom zou ik? Niemand is hier blijkbaar aan fietsers gewend. Hij wijst me de weg en vraagt of ik nog wel voldoende te drinken bij me heb. Zal hij me nog wat water geven? Zijn auto staat daar, wijst hij. Ik loop even mee. In zijn kofferbak staan drie kratten. De flesjes lijken op bierflesjes maar er blijkt water in te zitten. Aan de man z’n sleutelbos zit een flesopener en ongevraagd vult ie beide bidons met echt Gerolsteiner bronwater. Ik bedank hem en vraag of ik ‘m nog zal betalen voor het water? “Wegwezen! zegt ie”, en “goede reis.”

Het water smaakt heerlijk. Naar spa rood maar met minder bubbels. Zo haal ik de camping wel! Maar iets knaagt er in m’n acherhoofd: de steilste beklimming moet nog komen: die naar ons vakantiehuisje boven de camping. Waar ik niet voluit naar beneden kon en zere handen kreeg van het remmen… Daar moet ik nog naar boven!

Ga maar lopen, zeggen m’n knieën, wij doen niet meer mee. Ik ben de baas, zeg ik, en ik stap niet af. Worstelend, piepend en zigzaggend kom ik boven. Ik kan niet meer. Ik heb ook geen zin meer om te koken. Hoe vertel ik het mijn Man?

Hijgend kom ik bij ons tijdelijke huisje aan. Wat is het héét!
Na het douchen heb ik nog steeds geen zin om te koken. “Koken,” zegt m’n man, “daar is het veel te warm voor. Beneden in het dorp heb ik een Italiaans restaurant gezien.” Ik grijns. Mánnen!

PS wat zie ik thuis liggen, helemaal onderop de stapel vergaarde post? Het blad FIETS. Met een artikel genaamd: “fietsen rond de basis van Gerolsteiner.” Wat blijkt? De schrijver startte ook vanuit ‘mijn’ vakantiepark bij Stadtkyll. De klim naar Kersenbach blijkt ruim 1,5 kilometer lang met een steiging van 15%. En die naar het vakantiehuisje boven de camping rond de 20%. Lag het toch niet aan mij!