Koekjesmonster

Mei 2009


Oh…een mandje met koekjes…ik ben gered! Hmm, een roomboterbiesje…lekker. Maar ja, één koekje verdwijnt zo in m’n holle kies. Het tweede koekje is een Jan Hagel, ook lekker, het derde een speculaasje en het vierde een Weesper mop. Nu  heb ik een kwartet koekjes op.

Leuk hoor, over binnenweggetjes fietsen, behalve als er nergens een bakker is. Te laat kwam ik tot de ontdekking dat mijn brood en bananen nog thuis op het aanrecht liggen. Meteen voelde ik een zwaarmoedigheid in me opkomen; met een lege maag kijk je anders tegen de toestand in de wereld aan. Onderweg stond een moeder met kind de eendjes te voeren en alhoewel ik geen jaloers typje ben, moest ik toen ik dat halfje brood zag, toch even slikken. Dankzij mijn enorme zelfbeheersing heb ik niet om een boterham gebedeld. Leuren met jezelf is ook niet chic.

Nu sta ik in een café. Het bordje op de deur zegt: open. Dat is een grote leugen, ik heb heel hard en vaak “volluk!” geroepen, maar er verschijnt geen hond. Met bibberbenen van de klophonger sta ik aan de bar bij een mandje met koekjes, en pak er weer eentje. De cellofaantjes prop ik in mijn koerszakje en de inhoud in m’n mond. Na het negende koekje krijg ik dorst. In het toilet vul ik de bidon en klok de kruimels weg.

Terug naar de bar. Nog steeds nergens personeel. Ik eet me uit de naad aan koekjes. Het mandje raakt leger en leger, totdat er nog drie de bodem van het mandje bedekken. Ook zielig…hun hele familie zit in m’n maag en dan zouden zij eenzaam achterblijven. Mijn besluit is snel genomen.

Op!
Zal ik de koekjes betalen? Nee joh, die koekjes kopen ze met honderd tegelijk in. Ja maar anders gaan ze me onderweg vast dwars zitten. Ik leg wat geld neer en dan, hup! als de wiedeweerga de fiets op, het is nog twaalf kilometer naar de bakker in Schoonhoven. Buiten  kijk ik nog eenmaal achterom. Het bordje liegt niet, denk ik, de déur staat inderdaad open!

Fietspompen, mannen en regels

Ze lacht vriendelijk naar me, de mevrouw van de VVV in Stadtkyll, maar ze kan me niet aan de 117 kilometer lange routebeschrijving van het trainingsrondje van de Gerolsteiner proffietsploeg helpen. “Bovendien,” lacht ze, “is die route alleen geschikt voor getrainde fietsers, voor mannen!”

Ik schud hard van nee, dat van die  mannen mag ze niet zegge en ik laat haar mijn spierballen zien en wijs naar mijn kuiten. Ze lacht weer. Dan pakt ze een kopie van een kaart en markeert alle plaatsen waar de route langsloopt. Als ik gewoon van plaats naar plaats fiets, rijd ik automatisch de “Gerolsteiner”route.  Nou, dat kan ik wel, van plaats naar plaats fietsen.

De volgende ochtend ga ik van start.
Ik zoef de heuvel af. Spoedig rijd ik Stadtkyll in. Op de kaart staat dat ik linksaf moet en er een beklimming komt. Als ik linksaf de hoek omrijd, staat de helling meteen al voor m’n neus. Keleune, moet ik daar naar boven? Dit lijkt wel een huis zonder ramen erin! Deze lijkt minstens net zo erg als de Keutenberg. Maar hij is láng! De moed zakt me in de fietsschoenen, want ik denk aan twee van mijn eigengemaakte fietsregels:

1)je grootste tandwiel achter als reserve gebruiken, dus zo min mogelijk en
2)ik stap niet af.

Oké, ik stap niet af. Maar dat van dat laatste tandwiel, wordt niks, want ik heb al mijn tanden nodig,  Een illusie armer worstel ik me naar boven. Pfff, die helling lijkt alleen maar langer te worden. Ik proef mijn ontbijt. Ik stap niet af, ik stap niet af, zeg ik in mezelf als een mantra. Het stijgingspercentage is hoog. Zigzaggend en zuchtend kom ik toch boven, zónder afstappen!

Ik wil uitsluitend over binnenwegen fietsen, maar dat betekent wel dat ik continue moet klimmen en dalen. Ik rijd over een hoogvlakte (voor Duitse begrippen dan), waar het krioelt van de windmolens. De hoogvlakte gaat over in een dicht naaldbos. Bij een volgende klim hoor ik een raar geluid, een beetje piepend. Eerst een zucht en dan een piep. Is dat nou mijn fiets? Zou mijn achterband zijn dag niet hebben? Ik stap af, kijk, maar zie niets bijzonders. Als ik verder fiets, weer zucht-piep. Zodra ik boven ben, stap ik af en bekijk alles goed. Niets te zien. Hmm. Ik stap op en sjees de helling af. Nu hoor ik niets; het geluid is weg.

Ik volg fietsbordjes naar Olzheim, maar ben al snel het spoor bijster. Heb ik een bordje gemist? Ik ben niet van plan om te keren, want op de fiets heb ik nog een regel: ik fiets niet terug. Ik heb vier keuzes, want ik sta op een kruising van vier wegen. Fijn om zoveel keuzes te hebben, maar de kans van slagen wordt daardoor wel minder groot. De weg waar ik vandaan kom, valt af. Blijven er drie over. Eén weg gaat over in een onverharde weg, die valt ook af. Blijven er twee over. Rechts van me staat een oud bijna vervallen huisje, met in de schaduw van een reusachtige boom een oude autochtoon op een bankje. Dat ik hem nu pas zie! Hij lacht naar me. Ik naar hem.

Ik vraag hem welke weg ik moet hebben om in Olzheim te komen. Hij kijkt me verbaasd aan.
Waar kom ik vandaan?
“Van Stadtkyll.”
Waar staat mijn auto dan?
“In Stadtkyll.”

En dat ik naar Olzheim wil, moet dat vandaag nog? Maar dat kan toch niet, dat is toch zeker wel, wel…50 kilometer. Het mannetje is bijna verontwaardigd. Ben ik helemaal alleen? Hij vertrouwt ’t niet. Dan zegt hij dat ik die weg moet hebben – hij wijst links naar boven- “maar,” laat hij erop volgen, “die weg kan ik niet op fietsen.”
Ik vraag: “Waarom niet? Zitten er gaten in of wordt er aan de weg gewerkt?” “Nee, dat is ’t niet, die weg is gewoon veel te steil voor mij om te fietsen. Dat is alleen voor sterk getrainde. En hij maakt zijn zin af door te zeggen waar ik al bang voor ben: “voor mànnen. Die weg is zó steil, dat er zelfs mannen afstappen.” Ik bedankt ‘m vriendelijk en begin aan de klim.

Nou hoor ik toch weer dat geluid: zucht-piep, zucht-piep. Het heeft iets van een fietspomp. Boven aan de klim hijg ik uit (ik ben niet afgestapt) en geniet van het uitzicht. Weer hoor ik datzelfde geluid. Ik tuur in de rondte. Aha! Ditmaal zie ik de boosdoener: het is een vogeltje! Wat een klein ding en dat daar zoveel geluid uit komt! Ik doop ‘m heel toepasselijk ‘het fietspomp-vogeltje’.

Ik eet een banaan en een boterham, stap op de fiets en laat me naar beneden vallen. Ik zie weer fietsbordjes en een tijdlang gaat het echt heel goed. Ik fiets van Olzheim en Schonfeld naar Gerolstein en Pelm. De weg gaat op en neer. Jammer dat er hier in de Duitse Eifel geen bordjes met stijgingspercentages staan, zoals in België. Nu kan ik eenmaal terug in het vakantiehuisje, niet opscheppen tegen Man en Kind hoe steil het onderweg wel niet was.

In de afdaling naar Pelm zie ik aan de andere kant van het dorp de weg alweer de volgende helling opgaan. Dat belooft weer wat! Ik hoop daar water te kunnen krijgen, want mijn beide bidons zijn leeg. Het is ook zo héét! Het verbaast me dat ik nog geen fietspomp-vogeltje dood van het dak heb zien vallen. Ik heb geluk, want er staan twee dames over de heg met elkaar praten. Zonder aarzelen vult één van de twee kordaat allebei mijn bidons. Grote klasse!

De klim omhoog dient zich aan. Het fietspomp-vogeltje is er ook weer. Nu is het echter mijn beurt om te zuchten. Pfff, wat is het steil en het is zo warm… Piepend kom ik boven. Zo, daar heeft het vogeltje niet van terug.

Het zweet loopt langs mijn rug. Wat waait het hier lekker! Ik gooi allebei mijn armen in de lucht. Niet bij wijze van triomf, maar dan kunnen m’n oksels even doorwaaien. Ik voel me betrapt als er een auto langs rijdt. Het valt me trouwens op dat ik bijna niemand tegenkom onderweg; zelfs geen hond.
Eigenlijk vind ik het wel genoeg voor vandaag en besluit Hillesheim links (op de kaart rechts) te laten liggen. Het is gewoonweg te heet!

En dan die vliegen, en dan die zweetdruppels die van m’n hoofd in m’n ogen rollen. Maar de hitte heeft ook een groot bijkomend voordeel, want nu kom ik aan een andere fietsregel van mezelf niet toe: pies waar je kan. Oftewel: zodra zich een geschikte locatie voordoet (bomen, greppels, benzinestations….) afstappen en een plasje doen. Door deze hitte hoef ik helemaal niet naar de wc. Ik zweet gewoon al het vocht eruit.

Ik fiets een stuk door een heerlijk koel bos, over verstilde treinrails, langs beekjes en langs koeien, die nu eens niet met hun kont naar de regen maar naar de zon staan.

Waarom fiets ik niet langs bordjes? Bordjes maken het leven zo gemakkelijk. Als ik bij een kruising een man met een hond zie staan, vraag ik de weg naar Stadtkyll. Stadtkyll, vraagt de man moet u daar vandaag nog naar toe? En waar kom ik vandaan? Ik vertel dat ik vanochtend gestart ben en nu  terug wil naar ons vakantiehuisje. Hij kijkt me aan alsof ik de leugendetector bedrogen heb.
Dat is toch veel te ver… Ik weet al wat er komen gaat en ja hoor, “getraind zijn” en “mannen”.

Zal ik hem vertellen dat ik een man ben, maar me om heb laten bouwen tot vrouw en nu een eigen televisieprogramma heb? Maar ach, waarom zou ik? Niemand is hier blijkbaar aan fietsers gewend. Hij wijst me de weg en vraagt of ik nog wel voldoende te drinken bij me heb. Zal hij me nog wat water geven? Zijn auto staat daar, wijst hij. Ik loop even mee. In zijn kofferbak staan drie kratten. De flesjes lijken op bierflesjes maar er blijkt water in te zitten. Aan de man z’n sleutelbos zit een flesopener en ongevraagd vult ie beide bidons met echt Gerolsteiner bronwater. Ik bedank hem en vraag of ik ‘m nog zal betalen voor het water? “Wegwezen! zegt ie”, en “goede reis.”

Het water smaakt heerlijk. Naar spa rood maar met minder bubbels. Zo haal ik de camping wel! Maar iets knaagt er in m’n acherhoofd: de steilste beklimming moet nog komen: die naar ons vakantiehuisje boven de camping. Waar ik niet voluit naar beneden kon en zere handen kreeg van het remmen… Daar moet ik nog naar boven!

Ga maar lopen, zeggen m’n knieën, wij doen niet meer mee. Ik ben de baas, zeg ik, en ik stap niet af. Worstelend, piepend en zigzaggend kom ik boven. Ik kan niet meer. Ik heb ook geen zin meer om te koken. Hoe vertel ik het mijn Man?

Hijgend kom ik bij ons tijdelijke huisje aan. Wat is het héét!
Na het douchen heb ik nog steeds geen zin om te koken. “Koken,” zegt m’n man, “daar is het veel te warm voor. Beneden in het dorp heb ik een Italiaans restaurant gezien.” Ik grijns. Mánnen!

PS wat zie ik thuis liggen, helemaal onderop de stapel vergaarde post? Het blad FIETS. Met een artikel genaamd: “fietsen rond de basis van Gerolsteiner.” Wat blijkt? De schrijver startte ook vanuit ‘mijn’ vakantiepark bij Stadtkyll. De klim naar Kersenbach blijkt ruim 1,5 kilometer lang met een steiging van 15%. En die naar het vakantiehuisje boven de camping rond de 20%. Lag het toch niet aan mij!

Hannibal en Lena

Altijd behalve soms, gebeurt er wel wat als ik op de fiets zit.  Zo ook vandaag. Niet dat ik dat al weet natuurlijk. Als argeloze voorbijganger, kijk ik nog onschuldig om me heen. Omhoog bijvoorbeeld, naar de stralende blauwe lucht en de zon die goed schijnt.

Ik mag onderweg graag naar koeien kijken. In de buurt van Oudewater staat in het seizoen altijd een blonde koeienkudde met veel kalfjes.  Vandaag staat er ook een tractor in de wei. Zo te zien heeft hij net het gras omgeschud op het weiland naast de koeien. Nu is ie onderweg naar de uitgang. Eerst moet een stuk schrikdraad losgemaakt worden om in de wei van de koeien te kunnen komen. Een klusje van niks, zou je denken. Blijkbaar is er een probleem. Maar wat? Iemand in de tractor zwaait met zijn arm en roept iets. Maar naar wie of wat? Ik verrek bijna mijn nek (hoezo nieuwsgierig?) en dan zie ik hem staan. Hoe heb ik dat beest in hemelsnaam over het hoofd kunnen zien? Een enorme stier staat stevig naast het stukje draad. Vooralsnog niet van plan opzij te gaan. Stuurt de boer naar rechts, dan doet de stier een stap naar voren. Rijdt hij naar links, dan doet het beest een stap naar achteren. Het ziet ernaar uit dat dit nog wel even kan gaan duren. Hopelijk heeft de bestuurder wat te eten meegenomen. De boer zwaait weer met zijn arm, roept de stier allerlei verwensingen toe, maar zonder resultaat. Integendeel. De stier neemt een dreigende houding aan en schraapt met zijn poot over de grond. Na vijf minuten wil ik opstappen. Net als ik dat wil doen, krijg ik medelijden met de boer en voel ik me een slapjanus. Lekker makkelijk om weg te rijden.

Weet je wat, ik trek mijn fietsshirt uit en zwaai er wat mee naar de stier. Hopen dat ie kijkt. In m’n zweethemdje loop ik een stukje over de weg naar links, zodat ik in het gezichtsveld van de stier kom te staan. Niet geheel okselfris begin ik met mijn bontgekleurde shirt te wapperen. Eerst gebeurt er niets. Wel trekt het geheel een aantal toeschouwers. Zo ook drie heel stoere mannen op een mountainbike. De één draagt een witte, de ander een rode en de laatste een blauwe helm, inclusief alle drie een wappershirt en kuithoge sokken. Ze staan zich te vermaken. Flinke taal, spreken ze. Maar ze verroeren geen vin. Sta ik me daar een beetje aan te stellen. Ik voel me een blote idioot. Nu ik toch voor joker sta, wil ik wel volslagen in mijn plan. Die stier zal me in zijn vizier krijgen ook. Ik zal wel eens even laten zien dat ik meer ballen heb dan die stoere binken bij elkaar!

De stier zwaait met zijn kop heen en weer. Zodoende ziet hij mij. Hij draait een kwartslag, schraapt weer met zijn poot. Kijkt in mijn richting. Langzaam komt hij aangelopen. Oh shit. Eerlijk gezegd heb ik het niet zo op stieren. Waarom moest ik me er nou weer zo hoognodig mee bemoeien? Ik zie die grote stier en dat kleine stukje draad dat tussen ons in staat. Is dat wel genoeg? Zal ik me achter de mountainbikers verstoppen? Dan maar geen lefmeid. Maar het is al te laat. De stier zet zich nadrukkelijk in beweging. Terplekke blijf ik bijna dood. In mijn ooghoek zie ik de boer druk bezig: uitstappen, draad losmaken, instappen, doorrijden, uitstappen, draadje vastmaken en weer instappen. Ik heb het gevoel alsof de tijd stil staat. Bewegingloos sta ik langs de kant met het fietsshirt slapjes  in mijn hand. Alsof ik bevroren ben. Ik wil hier weg, maar mijn voeten doen het niet. Steeds dichterbij komt de stier. Ik zie zijn kolossale lijf; zijn massieve kop met  horens; ik kan hem zelfs ruiken. Hij ziet er geïrriteerd uit. En door wie zou dat komen? Hij schudt weer met zijn kop heen en weer, en met die staart slaat hij heus niet alleen om de vliegen weg te houden. Kon ik maar door de grond zakken. Na vandaag verandert mijn leven 360 graden in de rondte. Nooit zal ik meer kunnen fietsen. Alleen door dit enorme beest.

Achter me staan de drie flinke binken me uit te lachen. Stelletje langharig tuig. Kunnen ze wel? Met de grootst mogelijke inspanning, slaag ik erin één een stap naar achteren te doen. En nog één. Niet dat het zoveel verschil maakt. Het is slechts uitstel van executie. Ineens vanuit het niets komt de tractor met een rotgang aanrijden. Plotsklaps is zomaar ineens alles voorbij. Als bij toverslag laat de stier alle belangstelling varen; kuiert op z’n dooie gemak bij me vandaan,  zo, hup, naar zijn harem toe. Tien meter verderop gaat ie met zijn kont in mijn richting staan, doet zijn staart omhoog en gaat staan schijten. Zelfs van deze afstand kan ik de flatsen horen vallen.

Alle toeschouwers stappen weer op de fiets. De show is voorbij. Nu ik weer mijn eigenste zelf ben geworden, weet ik niet hoe snel ik mijn shirt weer aan moet trekken. Door de haast trek ik ‘m eerst achterstevoren aan. De boer komt de weg oprijden. Ik wil opstappen, maar hij wenkt me. Is dat wel verstandig, vraag ik me af. Aarzelend loop ik in zijn richting. Hij schatert luid: “Haha, je bent voor mij nog banger dan voor de stier, zie ik!” Ik geneer me. Snel over iets anders gaan praten. “Moet u morgen … eh… weer dat gras schudden,” vraag ik. Hij knikt. “Ja en overmorgen moet de baalwagen erdoor.” Dat is… balen. “Bedankt voor het afleiden van de stier. Schrijf dat maar met een lange ‘ij’. “Meestal helpt mijn zoon, maar die is ziek.” “Zwaait hij altijd met zijn boerenzakdoek?” Het is eruit voor ik er erg in heb. Ik ben ook zo’n enorme sukkel. De boer kan er niet mee zitten. “Vorige week heeft de stier een tractorband vernield” gaat hij openhartig verder. “Gewoon… zomaar?” Intelligente vraag, ik ben goed bezig. “Uit nijd en beschermingsdrang. Kostte me handen vol geld.” “Waarom verkoopt u hem niet?” Haha, mijn vrouw zegt precies hetzelfde! Maarre… hij doet zijn werk goed hè?” zegt de boer met dikke pretogen, knikkend in de richting van de kalfjes. Aha, penisnijd. “U bent jaloers!” zeg ik. Nu komt ie niet meer bij. Hij lacht loeihard, slaat zichzelf enthousiast op de knieën. Met: “ Mevrouw, het was me een genoegen,”rijdt hij weg.  Bijna wil ik  ‘wederzijds’ zeggen, maar ik weet me te beheersen. “Tot ziens” roep ik.  “En beterschap voor uw zoon!” voeg ik er snel aan toe. Want dat kunnen ze allebei wel  gebruiken.

Na een tijdje zie ik vóór me drie stipjes in onze nationale driekleur. Daar rijden de stoere ridders,  die van die wappershirts en kniekousen. Niet veel later rijd ik in het achterwiel van de laatste. Er wordt gekeken, wat gezegd en gas gegeven. Ik geef ook gas. Weer kijken. Ja hoor, ik ben er nog. Ze doen er een tandje bovenop. Ik doe ook mee. Nummer 1 heeft het een beetje gehad en laat zich zakken. “Fietsen jullie wel vaker?” vraag ik hem. “Ja, meestal met z’n 3-jen.” Fiets jij bij de Waardrenner?“ vraagt hij mij met een blik op mijn fietsshirt. Ik knik. “Willen jullie misschien lid worden?” Ik vertel over De Waardrenner en over de site.  “Nee, dat hoeft voor mij niet. Ik fiets niet met wijven.” Wat een lekker ding die man, echt helemaal mijn type, maar dan anders.  Zak door je frame, denk ik. Hij heeft toch een helm op. Ik fiets zo snel mogelijk bij ‘m vandaan. We rijden op het fietspad naar Stolwijkersluis; waar het pad iets omhoog gaat. Nummer twee houdt het ook voor gezien.  Ik zeg niks, rij door. “Ja, jij hebt de wind mee,” snauwt de laatste overgebleven fietser, zodra  ik ‘m voorbij rijd.  Dit is werkelijk de meest geweldige smoes die ik ooit heb gehoord!  “Ja en jij rijdt zeker met wind tegen?” geef ik als commentaar. “Wij hebben anders AL 35 kilometer gefietst. “Ach, dan zullen jullie vanavond wel zwarte wallen onder jullie ogen hebben.  “…en hoeveel km heb jij gereden?” laat hij erop volgen. Ik haal mijn schouders op, gelooft ie toch niet. Even rijden we naast elkaar. Hij werpt een blik op mijn teller. 67,12 km staat erop. “Heb jij dat gefietst?” vraagt ie. Ik knik. “Je liegt,”zegt ie. Zie je, ik zei het toch? “Maar weet je, fietsbenen liegen nooit,”zeg ik. Ik schakel en rijd weg. “Doe je vriendinnen achter je de groeten,” werp ik m nog snel toe. In mijn achteruitkijkspiegeltje zie ik dat ze hun middelvinger naar me opsteken. Maar dat heb ik natuurlijk niet gezien. Wat een geluk dat ze geen lid willen worden!

Lena

Waarom blijft het nooit bij één ding tegelijk? Is één ding niet genoeg op een dag? Is dat ook een wet van Murphy? Bijna thuis, fiets ik over de Tiendweg. Wat zien ik? Een koe in de sloot. Pal tegenover de sloot waar de koe in ligt, staat een huizenblok. Op hun dooie gemak, staan twee heren met een biertje in hun handen de gebeurtenissen vanaf hun balkon te volgen. De koe staat in de sloot; klautert moeizaam met twee poten op de kant. Hijgt even uit. Probeert zichzelf met de rest van haar lijf omhoog te hijsen, maar geeft het op. Glijdt terug in de sloot en gaat kopje onder. Gelukkig komt ze wel weer boven. Zo te zien is het beest op.

“Hoe lang ligt de koe al in de sloot?” vraag ik met mijn hoofd in de richting van de twee heren.
“Bijna 3 kwartier,” zegt één van beiden in een Feyenoordshirt.
“Heeft u de boer al gebeld?”
“Nope.”
“Brandweer misschien?”
Beiden schudden nee.
En ineens word ik boos, zó BOOS. Moet deze voorbijgangster soms alles weer regelen? Jemig, ik zit toch niet bij de politie? Die kan collega’s aansturen, ik kan het helemaal alleen in mijn eentje opknappen. Waarom laten de heren hun handen niet wapperen? De opstandigheid voel ik in me opborrelen, van mijn tenen naar mijn kruin. Het moet er ergens uit, want ja, blijven zitten kan het niet. Mijn mond is daar de aangewezen plek voor. Pisnijdig vraag ik of het soms teveel moeite voor ze is om iets te regelen.

“Bemoei je er niet mee, anders zal ik eens van mijn balkon afkomen!”
“Oh, gaan we zo beginnen? De flinke bink uithangen, stoere taal praten, maar Feyenoord zou zich voor je schamen: geen daden maar woorden.”  Toegegeven: beetje overdreven reactie van mijn kant, maar als ik pissig ben, dan ben ik zo…pissig. Honend gelach. “En wie neem je daarvoor mee?”

“De eigenaar van de koe. Waarschijnlijk een boer op een tractor. Kijk maar uit dat ie geen balkonrot veroorzaakt in je balkonnetje.”  Subtiel zijn behoort ook niet tot één van mijn karaktertrekken. Daar heb ik mijn man voor; hij heeft genoeg voor ons allebei.
“Stom wijf! Houd je bek!”
“Mannen die niet tegen  bier kunnen, gaan altijd dergelijke taal uitkramen. Wees eens origineel.”

Ik draai mijn fiets een hele slag, terwijl ik erop blijf zitten en ga op weg naar de boer van wie ik vermoed dat hij de eigenaar van de koe is. Een eindje de Tiendweg af, linksaf over een aantal betonplaten. Plakkaten opgedroogde koeienstront. Je moet er wel wat voor over hebben. Oh wee, als mijn fiets vuil wordt. Gelukkig heeft het al een tijdje niet geregend. De boer kijkt wel een beetje vreemd op van mijn verschijning. Als ik mijn helm afzet, herkent hij me. Ik vertel van de koe. Hij knikt en zegt: “Ik kom er meteen aan.”  “Kunt u misschien een beetje onvriendelijk doen tegen een meneer op een balkon, want toen ik vroeg waarom hij geen actie ondernomen had, wilde hij van zijn balkon afspringen en even naar me toe komen.” Ik kijk er enigszins hulpeloos bij. Als ik wil, kan ik dat best goed. Hij snapt wat ik bedoel.

De koe-eigenaar stapt op de tractor en scheurt weg. Vanwege de stofwolken volg ik op veilige afstand. Snel zijn we bij de koe. Mijn fiets zet ik tegen het hek.
“Hé Johan!” roept de boer. Johan?? Staat die ene Johan toevallig op een balkonnetje? “Hé Adrie, ben jij het?!”
“Had je me niet ff kenne waarschuwen, over die koe?”
“Ik wist toch niet dat het jouw koe was, man.”
“Doet dat er wat toe dan van wie dat beest is. Ze leg hier bijna te verzuipe.”
Hij zet de tractor uit. Pakt dikke roodgekleurde riemen. Een riem gaat om haar kop en de tweede achter haar voorpoten langs. De boer start. “Het is Lena,” zegt hij tegen mij, “ze is drachtig.”

Ik spreek Lena bemoedigend toe, of dat helpt is een tweede.  Zodra haar voorpoten op de kant staan, stopt de boer. Ze ademt zwaar. Johan en Fshirtje komen haastig aangelopen. Nu de laatste binnen oogbereik komt, herken ik hem. Niet persoonlijk, maar van het voorbij rijden. Hij bestuurt een aftandse, doorgeragde Opel van ver vóór de Golfoorlog. Zelf is ie iets jonger, type stoere guy. Ik keur de beide heren geen blik waardig. De boer evenmin. Langzaam geeft ie weer ietsje gas.

Als de voorste helft van de koe op de kant ligt, moet er over haar rug en om haar achterpoten ook een riem komen. We kijken elkaar aan. Johan voelt zich verplicht tot enige assistentie, maar in de sloot gaan staan om een koe te redden is wat teveel gevraagd van ‘m. Fje kijkt naar de grond; hoezo stoer? Ik doe het wel; moet toch nog douchen. Bijna glijd ik onderuit als ik in de sloot stap.  Het is dieper dan ik had verwacht. De riem krijg ik redelijk snel vast; het hijsen kan beginnen. De koe is languit op haar voorpoten gaan liggen.  Zachtjes geeft de boer gas. Moeizaam en vooral langzaam komt ze overeind. Ze hijst  zichzelf helemaal op het gras; gaat er meteen weer bij liggen. Ze is bekaf.

“Kom Lena, opstaan,”zegt de boer en prikt haar met een stok. “Ze moet gaan staan. Ik neem haar mee naar de stal, dan ken ik haar in de gaten houden. Mevrouw bedankt.” Ik steek mijn hand op en wil als de sodemieter naar huis want ik heb een hongerklop van heb ik jou daar. Ik wil mijn fiets pakken, maar het hek waar ze tegenaan stond is weg. Nee, het hek niet…mijn fiets!  Ik ben een beetje de kluts kwijt door een hongerklop; heb trilhanden en bibberknieën. Waar is mijn fiets nou toch? Zoekend kijk ik om me heen.

Ik kijk in het sarcastisch grijnzende gezicht van Fje. Hij houdt mijn fiets onelegant met 1 vinger onder haar zadel vast. Ik raak in paniek. Even maar, maar net lang genoeg voor Fje om het te zien. Die grijnst tart me. Mijn paniek is al over; mijn bezitsdrang voert nu het bewind.
“Geef hier die fiets!” zeg ik en maak een beweging met mijn wijsvinger, zo van: hier met dat ding.
“Oh ja, en wat anders?” grijnst hij vals.
“Ik weet waar je woont.”
“Dus….”
“Dus: gooi ik stenen door je ramen, zaag je balkon om, smeer kauwgum in je deurslot, gooi hondendrollen door je brievenbus, en stop een paar suikerklonten in de benzinetank van je auto.”
“Haha, daar zit een slot op.”
“Niet op dat oude ding waar jij in rijdt.” Zijn gezicht verstrakt: hoe weet ik dat?
Bij mij zit het tot hier! Ik loop te trillen van de honger. Straks haal ik niet eens mijn eigen voordeur.
“Hier met die fiets!” dirigeer ik. Zelfde handgebaar. Hij gooit haar bijna in mijn richting.
“Je hebt wel een grote bek voor zo’n dun wijf.”
“Een skinny bitch heet zo iemand, maar ik heb wel meer ruggengraat dan jij.”
“Ik zou je zomaar op je bek kunnen slaan.”
“En ik zou zomaar een aanklacht tegen je in kunnen dienen.”

“Laat die mevrouw met rust! Sodemieter op!” brult de boer boven de herrie van zijn tractor uit.  In een slakkengang rijdt hij richting de stal. Lena vastgebonden achter de tractor; zwaar sjokkend. Johan neemt toch nog onverwacht de taak van assistent op zich, want hij pakt Fje vast en zegt: “Kom dan gaan we een biertje drinken.”  Ja, dat hebben beide heren wel verdiend. En ik heb haast! Ik wil naar huis, gauw. Ik wil eten, eten, eten. Ik neem mezelf voor, dat als ik later deze week de boer tegenkom, zal informeren naar de gezondheid van Koe en Kalf.

Thuis: “Zo mam, wat zie jij eruit! En je stinkt!” Typisch Zij. Eerst een boterham eten en een juutje drinken. Dan pas vertel ik over de koe. “Cool, mam! Had me ff gebeld joh! “Dan was ik meteen komen kijken en had ik foto’s gemaakt met m’n mobiel”  Schaterend zit ik op de grond. Ik kom niet meer bij. Dit is precies wat ik nodig heb! Zingend stap ik onder de douche. Niet te hard natuurlijk, anders zakken de tegeltjes naar beneden.

Ruim een week later; ik ben aan het hardlopen met de buufhond. Ik zie dat de boer op z’n trekker mijn richting op komt rijden. Hij stopt. Hij zegt dat het goed gaat met Lena, maar dat haar kalf 3 dagen ‘na die toestand’ dood is geboren. “En ’t was zo’n mooi kalf joh, een Lakenveldertje.” “Wat jammer!” Hij knikt. Ik knik.  Hier hebben we beiden niets meer aan toe te voegen. We vervolgen ieder onze weg, een illusie armer.

Het Lance-gevoel

De laatste zondag van augustus in 2003. Om 10.30 zal de 4e Ride-for-the-Roses in Waalwijk van start gaan. Deze fietstocht staat volledig in het teken van de kankerbestrijding. Initiator ervan is Lance Armstrong en de gehele opbrengst van alle deelnemers is bestemd voor het Koningin Wilhelminafonds.

Het krioelt van de deelnemers die allemaal tegelijk willen vertrekken. Helaas wordt iedereen via luidsprekers verzocht nog een halfuurtje te wachten, want er staat nog een groot aantal deelnemers in de file.

Ik kijk wat voorzichtig om mij heen. Naast me zie ik een hele nieuwe Colnago Dream B-stay staan; een droom van een fiets. De eigenaar staat er nerveus naast. Startnummer 1389, staat er op zijn fietsshirt gespeld. Wat heeft die man een witte benen, zeg. Óf hij is op vakantie naar Groenland geweest, óf hij heeft deze warme zomer alleen in lange broek gefietst. “Ik heb dit jaar nog maar 400 kilometer gefietst,” komt het hoge woord eruit. Aha. Hij kijkt eens naar mij en daarna naar mijn fiets. Ik rijd op een oude Colnago, waarvan de commandeurs nog aan de bovenbuis zitten. Een klassiek exemplaar dus. Waag het eens om te zeggen dat ik op een oud barrel rijd, denk ik. Nummer 1389 houdt wijselijk zijn mond.

Om 11 uur klinkt het startschot. Eerst rijden we een ererondje rondom het RKC-stadion en daarna mogen we de openbare weg op. Begeleidt door politie, fietsen we dwars door Waalwijk richting provinciale weg. Meteen wordt de vaart erin gezet, zo’n 35 km/uur. Alle kruispunten zijn afgezet; op rotondes staan politieagenten of vrijwilligers met een fluitje en een vlaggetje; mensen zitten in campingstoeltjes langs de weg; ambulances rijden mee…

Het leuke van alles is dat je zelfs op de busbaan mag fietsen; dát heb ik nou altijd al gewild! Een rotonde linksom nemen, staat ook nog op m’n verlanglijstje. We scheuren de snelweg op richting Tilburg. Ik voel me bijna een prof. Overal staan auto’s in de file. Heerlijk als jouw auto daar niet tussen staat!

Links en rechts rijd ik van alles voorbij én alles rijdt mij voorbij. Ik zie een man met losse handjes rijden. Op zijn digitale camera ter grootte van een pakje sigaretten, kijkt hij op z’n dooie gemak naar de foto’s die hij zojuist gemaakt heeft. Ik haal nummer 1389 in. Overal en nergens staan plassende mannen. Ik moet ook, maar ja, ik zie nergens een boom of struik. Even ophouden nog maar. Er rijdt een ambulance voorbij, raampje open, vraagt of alles goed gaat. Ja hoor. Vriendelijk vraag ik of hij misschien gevulde koeken bij zich heeft. Nee, schudt hij spijtig met zijn hoofd.

Ineens hoor ik achter me een hoop kabaal. Toet! toet! toet! Er komt een auto aanrijden met een meneer wiens rode hoofd omhoog uit het dak steekt. “GAATJE DICHTRIJDEN EN ZO VER MOGELIJK NAAR VOREN RIJDEN!” gilt ie. Hij denkt zeker dat ie tour-leider Le Blanc is.

“Mevrouw, gaatje dichtrijden en zo ver mogelijk naar voren. Als u het tempo niet bij kunt houden, kunt u zelfstandig de route uitrijden.”

Tempo niet bij kan houden?  Welk gaatje moet ik dichtrijden? Ik zie nergens een gat. Ik rijd niet eens achterin maar ergens in het midden! Heeft de man stiekem al wat gedronken?

Plotsklaps staat alles stil. Van de opstopping wordt dankbaar gebruik gemaakt: bananen, mueslirepen, Sultana’s, rozijnen, boterhammen, werkelijk álles wordt er naar binnen gewerkt. Vóór me staat een man met een sticker van de kankerbestrijding achterop z’n rug geplakt: ‘ik rijd voor Rietje’, staat erop. Bij een dame zie ik staan: ‘ik rijd voor pa’. Ook ik rijd met een sticker op mijn rug. Dit voelt als een verbroedering. Langzaam komt alles weer op gang en daarna mogen we flink aan de bak. Er wordt behoorlijk doorgereden en driftig gemopperd, want men vindt het tempo te hoog. De folder beloofde een gemiddelde van 25 km/uur. Inmiddels heb ik 68 kilometer op mijn teller staan en ik zit nog niet eens 2 uur op de fiets.

Ik moet nog steeds plassen, maar nergens zie ik een gelegenheid.
Toet! toet! toet! Le Blanc inspecteert zijn troepen. “GAATJE DICHTRIJDEN EN ZO VER MOGELIJK…”

Kan die man z’n mond niet houden? “Gaat het mevrouwtje,” vraagt hij aan mij. Mevrouw-TJE, mevrouw-TJE, denk ik. Hebben wij soms samen geknikkerd? Nee, dit is voor mij de eerste keer dat ik 120 kilometer ga fietsen en normaal rijd ik op een driewieler met hulpmotor, nou goed? Zou hij aan fietsende mannen ook vragen van: gaat het een beetje meneertje. Vast niet. Laat ‘m lek rijden in zijn volgautootje!

In de buurt van Chaam, zie ik mijn kans schoon, want daar kan ik ‘mijn’ rotonde linksom nemen. Achter me hoor ik een hoop gejoel: er komt een duo-ligfiets aan met 2 jongelui erop. Maar er komt ook een verkeersdrempel aan en je moet wel haast bij een circus gewerkt hebben, wil je op zo’n rijwiel zonder ongelukken die drempel kunnen nemen. Ze gaan het schuin proberen… en blijven halverwege steken. Afstappen en na een aantal duwtjes in de rug, rijdt het hele zaakje weer verder. Maar nummer 1389 rijdt niet verder. Bijna jankend van ellende staat hij langs de kant van de weg. “Ik ben totaal kapot,”zegt ie. Toch sneu voor de man. Bovendien zal hij op eigen kracht naar de finish moeten, want alleen gewonden mogen in de volgbus mee. Stiekem ben ik verliefd op zijn fiets.

Voor me rijdt een meneer in een afgeknipte spijkerbroek. Hij draagt geitenharen wollen sokken,  fietst op een gewone fiets, en rijdt als de beste. Daar kan nummer 1389 met zijn nieuwe Colnago een puntje aan zuigen. Voorop de fiets van de spijkerbroekenman staat een houten kistje. Daarin  een foto van een lachende mevrouw en een bosje met rozen. De man vertelt het verhaal over zijn vrouw: dat ze alles  samen, vooral fietsen, maar dat ze helaas is overleden aan borstkanker. Het enige doel dat hem nog rest, is zoveel mogelijk geld inzamelen voor de kankerbestrijding.

Toet toet ‘GAATJE DICHTRIJDEN EN…..” Nee hè, niet weer die man! Nu heb ik er genoeg van!  Gelukkig ben ik niet de enige die me aan Le Blanc ergert.
“Kunt u het tempo nog volgen, mevrouwTJE? Wij zorgen voor alles hoor, u hoeft alleen maar te fietsen.” “Ja, en dat fietsen gaat een stuk beter als u een eind bij me uit de buurt blijft!” roep ik naar zijn rode hoofd. Le Blanc kijkt Hoe kan dat nou; hij is er toch juist om alles in goede banen te leiden? Achter en naast me beginnen steeds meer fietsers zich ermee te bemoeien. “Sodemieter op,” roept er eentje. “Ga lekker helemaal voorin rijden en daar lopen blèren,”roept een ander. Le Blanc neemt een wijs besluit en laat zich zakken.

Blijven er twee problemen over: 1)ik heb grote dorst en 2)ik moet nog steeds plassen. Het plasprobleem begint nu toch nijpend te worden. Ik kijk eens op m’n computer: nog ongeveer 30 kilometer te gaan. Dat ga ik niet redden. Nergens een boom of dicht struikgewas te bekennen. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Nou ja,redding… Ik zie een groot talud met… brandnetels. Toch bedenk ik me geen moment, spring van de fiets en stort me naar beneden, midden tussen de groene netels. Het staat meer dan 2 kontjes hoog, dus niemand die me ziet. Zo, dat lucht op! En nu naar de finish!

Bij een verkeerstalud staat een meneer van de Hells Angels, met een fluitje en vlag paraat. Leren broek met fiets(!)kettingen, dito jack met veiligheidsspelden. Kijk ‘m staan op z’n vrije dag!

Hoe dichter naar de finish toe, hoe meer mensen er langs de kant van de weg staan. “Nog maar 5 kilometer,” roept een meneer. “Knap gefietst hoor!”roept een mevrouw naar me. Knap gefietst?, denk ik. Niet overdrijven, maar je zelfvertrouwen groeit weel enorm van zo’n opmerking. En dan, ja hoor, eindelijk zijn we weer bij het RKC-stadion aangekomen. We krijgen een speldje uitgereikt, een rode roos en een blikje drinken. Ik hoor het gewoon sissen als ik het blikje naar binnen giet.

Hulde aan alle verkeersregelaars en andere vrijwilligers! Behalve aan Le Blance natuurlijk.

’s Avonds in bed staan de brandnetelblaren nog op mijn billen. Toch zal ik in 2004 weer van de partij zijn!