Een beest onder het terras

Verstrooid kijk ik op van mijn boek. Wat hoor ik toch voor gekrabbel? Het komt uit de richting van het terras. Het kan niet anders of er moet een beest onder zitten. Ik ga kijken en prompt wordt het stil. Ik houd mijn adem in en verroer me niet.

Daar is het gekrabbel weer: het komt van recht onder mijn voeten! Ik doe een stap opzij en tegelijkertijd schiet er een  bruin, fluwelen flappertje tussen de houten terrastegels omhoog. Krijg nou wat…het is Bella!
Hoe krijg ik haar onder het terras vandaan? Ze is niet alleen een tikkie aan de ronde kant, ze heeft ook weinig zelf reddend vermogen. Koelbloedig optreden is geboden.
Na wat speurwerk zie ik dat ze een gedeelte van de lavendel vakkundig heeft weggevreten, en in het midden een gat heeft gegraven. 

Uit de garage pak ik een dun houten latje en duw daarmee tegen Bella’s kont. Als reactie hoor ik misprijzende geluiden. Mevrouw Konijn is in een slecht humeur. Begrijpelijk.
Ik verwissel het latje voor een snoeischaar, en ga de lavendel te lijf. Hoe meer ik weg knip, des te meer zicht ik op het gat krijg: het lijkt wel een loopgraaf! Weer eens wat anders dan de blindgangers die ze meestal graaft.  Eenmaal het hele gat blootgelegd, steek ik mijn arm naar binnen en roep met omfloerste stem: ‘Bel-la… Bel-la…’

Na enig wachten, komt er beweging in. Bella heeft ruzie met het worteldoek, maar werkt zich gestaag een weg in de richting van mijn arm. Snuivend en vol spinrag komt ze boven de grond. Als je denkt dat ze blij is me te zien, heb je ’t mis. Met een verwilderde blik stampt ze voor me langs, rent als een bruine tornado het huis in, en zoekt dekking onder een laag meubelstuk.
Bella kan het navertellen, maar de lavendel is naar de gallemiezen. Eén ding moet ik haar nageven: ze is niet kieskeurig, en snoept met evenveel smaak van ongeacht welke tuinplant.

Kan ’t erger?

Onafgebroken zit hij me aan te staren. Ik krijg er stress van. De man staat op. Hèhè, denk ik, hij gaat eruit. Mis. Slechts één plekje in de metro is nog leeg, en de man schuift naast me in het bankje. Djiez, en dit is nog maar het begin van de dag! Zo aandachtig mogelijk bestudeer ik de betonnen tunnelwand.

‘Mag ik naast u komen zitten?’ vraagt de man. Vindt hij ‘t zelf niet wat te laat voor die vraag? Nou ja, het is binnen de grenzen van de wet. Ik geef een knikje en schuif nog verder naar het raam.
‘Ken ik u ergens van?’ Originele openingsvraag. Weer eens wat anders dan: mag ik uw pincode. Hij ziet er niet onaardig uit. Voor zijn leeftijd.

‘Reist u alleen?’ wil hij weten.
‘Vindt u dat onverantwoord?’ vraag ik.
‘Oh…eh…nou, ziet u, ik heb zin in een praatje.’ Had dat gezegd tegen die brede kerel waar hij de net naast zat. Plots is daar een stem in mijn hoofd: “Vriendelijke mensen, hoe ga je ermee om?” De man heeft nog niets verkeerds gezegd. Oké, ik zal proberen aardig te doen.
‘Woont u in de stad?’interviewt de man verder. Vanwege dat postbus 51’spotje kijk ik ‘m best aardig aan.
‘Ja,’ lieg ik. Hij zal nu onderhand wel doorhebben dat ik geen ideale gesprekspartner ben.

‘Zullen we ergens iets gaan drinken?’ stelt hij voor.
‘Nee!’ zeg ik resoluut, en weersta de neiging mijn vinger in zijn oog te steken. Ik ben nu wel lang genoeg aardig geweest.
‘Alleen iets drinken,’ voegt hij eraan toe. Ik kijk ‘m vernietigend aan. Mijn blik schijnt hem niet te deren. Ik voel me letterlijk en figuurlijk in een hoekje gedrukt. Ineens dringt een gedachte zich aan me op: zou dit een grap zijn? Zit ik in Bananensplit? Oh God, denk ik, straks komt Frans Bauer onder een metrostoeltje vandaan. Plots ben ik volledig de kluts kwijt. Het zweet breekt me uit, en iedereen kan het zien. Nog drie haltes, denk ik, hou ik dat nog vol?  

‘Okee,’ zeg ik ineens, het over een andere boeg gooiend,’kom maar met me mee naar huis.’
De man knippert versneld met zijn ogen. Een meneer tegenover me laat zijn krant een stukje zakken en gluurt over de rand naar mij. Hij is duidelijk in me teleurgesteld: ik zag er zo netjes uit. Maar ik was nog niet klaar.
‘Dan kunt u meteen mijn man leren kennen. Moet u wel een eind omhoog kijken, want hij is nogal grOOt.’
Als ik de man met een breinaald geprikt had, had hij niet sneller overeind kunnen schieten. Hij rént het gangpad door, struikelt over een rugzak, wil op zijn oude plaatsje gaan zitten maar dat is vergaan, en besluit in plaats daarvan de net gestopte metro uit te vluchten.

Naast me schalt een lach. Zo hard en welgemeend dat iedereen ervan in de lach schiet. Zo te zien kan de lachster haar plas maar net ophouden. Ze komt overeind en plant haar kolossale achterwerk naast mij op het bankje. Met plezier schuif ik een stukje op.
Ze klopt me bemoedigend op m’n knie en vliegt verbaal uit de startblokken. Ze maakt drukke gebaren en lacht veelvuldig. Geen idee waar ze het over heeft, maar ik lach van harte mee. Ik wijs naar de stoffen hoofddoek op haar hoofd. Even onderbreekt ze haar stortvloed, knikt ja, ja, ja, en slaat me op mijn schouder.
Ineens ben ik op mijn bestemming en mag eruit. De dame zwaait me na alsof ik een goeie bekende van haar ben. Met overgave zwaai ik terug. Toch nog een goed begin van de dag!

Verveling

Koud twee weken school en Kind torst weer een onmenselijke last.
‘Zo kortgeleden nog maar dat ik gelukkig was,’ verzucht ze met gevoel voor theater.
‘Gelukkig?’ snuif ik. ‘De laatste weken van je vakantie verveelde je je anders te pletter,’ herinner ik haar.
‘Ja, want vervelen is de beste tijdbesteding. Elke dag ging daardoor sloom voorbij en zo duurden de laatste weken extra lang. En geloof mij nou maar: álles is beter dan een toets economie. Trouwens, ik had toch zeker wel recht op twee weken lekker luieren?’ 

Lekker luieren, denk ik schamper, dat “lekker” was anders ver te zoeken. Ze hing scheef op de bank, had heel de dag lekkere trek, mopperde dat er niks te eten in huis was, en maar pingen.
‘Ga zwemmen in Schuagt,’ adviseerde ik haar.
‘Nee, daar zat het hele dorp,’ was haar reactie.
‘Ga dan naar de surfplas.’ Nee, daar kende ze niemand.
‘Sms je vriendinnen en mobiliseer ze.’ Ze keek me aan en onderdrukte een geeuw. Ze vindt het logisch dat ik haar niet begrijp. Ik ben tenslotte maar haar moeder en stam nog uit de vorige eeuw. 

‘Wat heb je morgen?’ vraag ik.
‘Oh, niks,’ zegt ze nonchalant.
‘Niks? Net zei je dat je wel wat had.’
‘Ja, Engels. Ik hoef alleen maar alle woordjes uit de vijfde de leren. Dat is toch…’
‘…naaiend,’ roepen we in koor. Zijn we het toch nog ergens over eens.
‘Zat ik nog maar in de brugklas,’ bromt ze, ‘of in de tweede of de derde. Toen was alles nog simpel.’
Ja, toen kwam alles haar aangewaaid, en lakte ze onder wiskundeles haar nagels. Haar téénnagels.

Spinnen

Schrijfuitdaging WE-300 september van Plato met als thema: Spinnen.

Hoe erg zijn vrouw het ook vond, hij hield stug vol en rookte iedere dag een sigaar. Buiten op het stoepje. Oók als het regende, want zijn rokertje was zijn laatst overgebleven lolletje. Zijn huwelijk was een onpersoonlijke, koude toestand. Oh, wat zou hij graag weer eens willen gloeien als het puntje van zijn sigaar!

In het begin had hij de overgebleven stompjes tussen de beplanting gepiekt. Dat  was voordat zij hem sommeerde ze stuk voor stuk op te rapen, en hem vervolgens een veger en blik in zijn handen duwde om de as op te ruimen. Zijn opmerking dat de wind het sneller deed, maakte op haar geen enkele indruk. Ze stond erop. Niet op de as helaas.

Ze waren 47 jaar getrouwd en dan doe je iemand niet zo snel meer weg, maar soms, als zij weer aan het tieren was dat zijn kleren naar de rook stonken, en hij aan het dagdromen sloeg met een lekkere bolknakker in zijn mond… Hij zou beginnen met een barbecue voor de hele buurt, en daarna oliebollen gaan bakken en gourmetten binnen in huis. Van de lucht zou hij nog dágenlang plezier hebben. Een vrouw kan ook té schoon zijn; er zijn belangrijker dingen in het leven dan een gestroomlijnd huishouden. Hij snoof verachtelijk.

Het was een sober, maar mooi afscheid geweest.
In plaats van een plak cake bij de koffie had hij tevergeefs gepleit voor een stukje rookworst, en was hij uiteindelijk akkoord gegaan met een bitterkoekje.
Voordat hij de auto instapte, keek hij eens op zijn gemak omhoog: zie de schoorsteen eens roken! Ze hadden het nooit over haar laatste wens gehad, maar hij wist zeker dat zij het met zijn keuze niet eens zou zijn geweest. Hij moest zich beheersen om niet te grijnzen als een aap.

 

Adonis

‘Fiets je nog?’ vraagt een stem naast me. Verrast draai ik me om en kijk in het zongebruinde gelaat van een wielrenner. Niet zomaar een wielrenner: een gespierde adonis, tevens de grootste charmeur van de Krimpenerwaard, en de enige man die ik hardop heb horen verkondigen dat-ie geen helm wil dragen, omdat zijn haar daar zo plat van gaat zitten. Inmiddels is hij verstandig geworden.

Omdat zijn openingsvraag me niet bevalt, pareer ik hem met een wedervraag: ‘Ben je nog bij je vriendin?’ Een bedeesd echtpaar naast elektrisch ondersteunde rijwielen kijkt me geschokt aan. Adonis daarentegen gooit zijn hoofd in zijn nek en zegt schaterend: ‘Jij bent nog geen snars veranderd!’ en ja, hij is al drie jaar bij dezelfde vriendin.

Mama mia miracoli!
‘Eentje maar?’ vraag ik, hem fijntjes herinnerend aan de tweeling die hij ooit consumeerde.
Het echtpaar werpt elkaar een geschokte blik toe: de zedigheid is hier ver te zoeken. Ondertussen blijven hun ogen als een magneet aan Adonis kleven.  

Hij en ik hebben negen jaar platonisch naast elkaar gefietst. Elke zomer en winter had hij een nieuw liefje, en iedere schoonmama wond hij moeiteloos om zijn Italiaanse vinger.

We halen herinneringen op: die zware onweersbui in de beklimming van de Baraque Michel; mijn klapband in de afdaling naar Vianden, en de keer dat we gesneden werden door een Italiaanse camper. Adonis ging er in volle vaart achteraan, en schold de bestuurder door het open raampje in Italiaans staccato de huid vol. De man zette beduusd zijn camper aan de kant, en putte zich uit in duizend verontschuldigingen.

Helaas komt aan alles een eind. Bij het afscheid weet hij het weer leuk te brengen: hij pakt mijn hand en drukt er een kus op. Sommige mannen verleren het gelukkig nooit.