Koekjes van eigen deeg

Voor we met het consumeren van suiker stopten, gingen Kind en ik eclairs bakken. Piece of cake, dachten wij. Kind had als een dolle het recept overgepend van MasterChef op youtube, gezamenlijk keken we 3 x naar de bereiding ervan, en sloegen alle klop- en bakinstrukties in ons op. Op advies van de Chef zette Kind alle ingrediënten afgemeten klaar en toen stroopten wij onze mouwen op. Reeds bij voorbaat waren wij trots op het eindresultaat. Dát zouden nog eens eclairs worden! Want wat kon er nou misgaan? Niks.

Fout, fout, fout.

Die vermaledijde verdomde kelere-eclairs. Het beslag bleef te dun en rijzen deden de krengen ook al niet. In onze keuken speelde zich een klein drama af. Alle eclairs waren mislukt en werden in de afvalbak gekieperd. Kind bijna in tranen, want ja, er viel niets te snoepen, dat hakt er wel ff in. Oma’s kookboek bood uitkomst. Ik blies er een halve meter stof af, en zocht het zwaar antieke recept op. Dat was nog uit de tijd dat eclairs gewoon soesjes heetten.

Wij maakten soesjesdeeg. En rijzen dat ze deden! Kind klopte banketbakkersroom en vulde alle soesjes tot ze ploften. Nog wat au-bain-marie gesmolten chocolade erover en…

Eh…hoelang blijven die gevulde dingen eigenlijk goed? Beter maar geen risico op bederf lopen.

De visite die langs zou komen, hebben wij inderdaad lángs laten lopen, want zodoende hadden wij  meer. Plots hadden Kind en ik helemaal geen trek in ons avondeten en zaten we net zo vol als de soesjes zelf.
Geen MasterChefrecept, toch hemelse soezen. 

Bye bye sugar

Normaal gesproken denk ik niet aan tompoezen, maar reeds bij het krieken van de dag trekken in mijn hoofd hele kuddes in sneltreinvaart voorbij, achtervolgd door bitterkoekjes, kokosmakronen, kaakjes, speculaas, gevulde koeken, magnums, rijstevlaaien met slagroom, moorkoppen, boterkoeken en appeltaarten. Stuk voor stuk roepen ze: ‘Eet mij! Eet mij!’
En ik dacht het nog wel even te doen: stoppen met het consumeren van suiker. 

Een dergelijke onthouding leek me altijd alleen geschikt voor doorgewinterde sandaallopers in eigen één recht en één averecht gebreide wollen sokken. Dat was dus een misvatting.
Tijdens de mentale voorbereiding bleek al snel dat het niet alleen om het stillen van de lekkere trek gaat, maar ook om snelle koolhydraten, die brood, rijst, pasta, aardappels en pizza zitten Reeds bij het lezen, kreeg ik een hol gevoel in mijn maag. Roos hield mijn hand vast. Ik mocht best ff slikken, huilen desnoods, maar wie van zijn chronische vermoeidheid af wil, moet flink zijn. 

Roos stopt ook mee! Vrijwillig, hoor. Ik wil niet het risico lopen dat ze later zegt dat ze qua voeding erg beschadigd is in haar jeugd.
Sinds het moment we gestopt zijn, gaat er een wereld voor ons dicht open. Stoppen met suiker (en dan ook maar meteen met gluten) wekt een enorme eetlust strijdlust bij ons op. Alle verpakkingen van levensmiddelen keuren we als waren wij van de voedingswaardepolitie. Suiker of zoetstof zit namelijk óveral in: in ham, saus voor over de rijst, in chips, suikervrije kauwgom, lightdranken, fruit…  

Mocht ik nou binnenkort gaan schrijven als een instabiele dweil, dan weet jij hoe het komt. De onthouding van een week werpt nog geen vruchten af, maar heej, ‘t is bijna herfst! 

Zomer in de bol

Ken je me nog, die mevrouw die de hark zwaait over de tuin?

Máánden geleden alweer (maar zeg nou zelf: wat is tegenwoordig een maand?) begroef ik met weinig ceremonie een dahliaknol in de tuin. Daar heb je anders handenvol werk aan: gat graven, stokje ernaast voor de herinnering, en dichtgooien die handel. Twee zinken gieters parkeerde ik alvast naast de regenton. De natuur bespaarde me handenvol gesjouw met volle gieters. Ja, ik bekijk het leven maar zoveel mogelijk van de zonzijde, want een ander pluspunt weet ik niet te verzinnen voor ons aangename voorjaar (NOT.)

Ik wachtte. Er gebeurde niets. Helemaal niets. Bollen, concludeerde ik, zijn ook niet meer wat ze geweest zijn. Waarom deed Mevrouw Dahlia het niet? Had ze te weinig zon gezien? Was ze verdronken? Nou ja, ze rustte daar in elk geval vredig.

Van de week zag ik dat ik broodnodig de swiffer eens door de tuin moest halen. Gevangen in een keurslijf van brave burgerlijkheid, stond ik tijdens het snoeien ietwat in mezelf te kwebbelen. Onverwacht en met een zweem van ergernis kwakte ik tegen de grond, mijn neus tussen afgevallen bladeren en restanten van tamme kastanjes.
Licht geknakt krabbelde ik overeind. Wat was er gebeurd? Aha, ik was gestruikeld over het dahliastokje. Van nijd gaf ik er met mijn authentieke Hollandse klomp een ferme trap tegen en rukte daarna het stokje uit de grond.

Krijg nou niks…Is dat geen…? Wat een mirakels wonder der natuur. Een heuse  opstanding! Jawel, een levensechte, bloeiende dahlia, een heel trendy model nog wel met zelfs twéé bloemen! Oh, oh, die zou ik vanavond eens fijn onder Liefs neus wrijven. 

‘Ik heb een verrassing voor je schat,’ sprak ik zwoel toen Joris voor de deur stond. ‘Loop maar even met me mee.’ Liefdevol begeleidde ik hem naar dahlia; wij zijn zulke fijne, warme mensen. Bij de bloeiende schoonheid aangekomen keek ik Man verwachtingsvol aan. Nou? Nou? Nou?
‘Die heb ik al lang gezien,’ sprak hij luchtig.
Tsssk, hij wel… 

Zus Flodder

Eén minuut voor tijd meld ik me bij de balie. Ik lach vriendelijk naar de secretaresse, maar die moeite had ik me kunnen besparen. Ze kijkt naar mij, naar de klok en weer naar mij. Ik haal mijn schouders op. Het loopt hier altijd drie kwartier uit, dus ben ik eigenlijk 46 minuten te vroeg.  

De wachtkamer is overbevolkt en klam. In de leeshoek liggen geen bladen van betekenis, en landerig laat ik mijn blik over de andere wachtenden glijden.

Tegenover me zit een mevrouw die de zus van Ma Flodder zou kunnen zijn. Alleen de sigaar ontbreekt. Ze oreert over de toestand in  de wereld, en met name die in ziekenhuizen.

Ze is ervaringsdeskundige want ze heeft een zwak hart, diabetes en een hoge bloeddruk. Tijdens het klagen spatten zweetdruppels van haar gezicht op de grond.

Zus Flodder gebruikt de dame naast haar als Klaagmuur, maar als deze zich verstopt achter een tijdschrift, richt Zus haar blik en woord tot mij. Haar stem is net zo scherp als een Zwitsers zakmes. Zag ik net voor ik binnenstapte die man weglopen naast de arts? Hij kwam véél later binnen dan zij! Zij was twintig minuten geleden al aan de beurt! Ze is pissig tot op het bot en spuugt vuur. Ik vraag me af of ze nog veel kwader kan worden. 

Met een zwaai tilt ze haar rechterbeen op van haar linker, en gaat ongegeneerd  wijdbeens zitten. Net op tijd wend ik mijn blik af. God verhoede dat ik haar slip zie. Sommige dingen vul ik liever zelf in.

Aha! De meneer die voor zijn beurt ging, loopt voorbij, constateert Zus. Nu is haar tijd gekomen! Kijk, de neurologe komt al aanlopen en hoeft slechts haar naam nog te noemen. Flodder zit klaar om overeind te springen. De arts stapt de wachtkamer binnen, kijkt mij aan en zegt: ‘Mevrouw Kakelbont.’

In het voorbijgaan wens ik Zus Flodder nog een prettige dag. Puur voor de vorm. Ik hoop van harte dat iemand in de wachtkamer weet waar de dichtstbijzijnde defibrillator hangt.

Ideeendroogte

Er zit een gat in mijn blog. Eentje van een week of zes. Ik kan ‘m verzwijgen, maar dat voelt niet lekker. Tenslotte is mijn blog, behalve leesvoer voor geinteresseerden, ook een terugleesboek voor mezelf.

Het kwam door de vakantie. Die was leuk maar erg vermoeiend. Té vermoeiend. Toch had ik ‘m voor geen goud willen missen: een huisje in het midden van bijna niets; veel rust en zonovergoten dagen. Schaduw onder de perenboom, overheerlijke ijsjes, een beetje Tour, een dik boek… En ook nog eens een (toevallige) ontmoeting met een heel bijzonder mens. Ongelofelijk dat je met iemand die je “alleen maar” van het web kent, kan kakelen alsof je elkaar al honderd jaar kent.

De weken na de vakantie moest ik “tol betalen.” Ik kreeg een dip, en om het drama compleet te maken, ook nog een ideeendroogte. Ik voelde me zo leeg als een nieuw notitieblokje. Ik probeerde tegen de klippen op dingen leuk te vinden, maar was er te zwaarmoedig voor.
‘Toe baasje, ween niet,’ zei Bella, en trok ter afleiding eerst de theedoek en daarna de handdoek van het rekje af. Ik hing ze terug en Bella hapte ze er meteen weer af. Probeer dan maar eens somber te blijven 😀

Ik weet dat er altijd weer betere tijden komen – het is net als eb en vloed – en besloot niet te zwaar aan mezelf te tillen. Een paard optillen – net als Pippi – dá’s pas zwaar! Als vanzelf kwamen er weer niet  te stuiten woorden op gang. Maak je borst(en) dus maar nat.

De foto is – zoals je kunt zien – van Dien.