De zwarte hond

Voor de zoveelste keer kijkt Roland op zijn horloge. Hij is hier veel te vroeg naar binnen gegaan. Nerveus veegt hij zijn handen droog aan zijn zakdoek. Ondanks dat de kennismaking vorige week om over naar huis te schrijven was, ziet hij toch tegen deze ontmoeting op. Diep in zijn hart weet hij waarom: hij weet nu wat hij te verliezen heeft.
Wat een heerlijke avond heeft hij met Marloes gehad! Zij heeft alles wat hij in een vrouw bewondert: ze heeft uitstraling en bruist als champagne.
Het is hem een raadsel dat zij uitgerekend hem heeft uitgekozen op de datingsite.

Hij weet zeker dat Marloes niet de goedkeuring van zijn moeder kan wegdragen.
“Je bent nog nooit dronken geweest omdat ik jou zo niet heb opgevoed. Onthoud dat goed! En behoud je kuisheid tot het altaar, mijn zoon!”
Nou, hij zou het best graag voor die tijd een keer willen proberen, denkt hij glunderend.
In gedachten hoort hij het zijn moeder zeggen: “Een meisje uit de stad? Tut-tut-tut.” Daarbij zou ze haar hoofd schudden alsof het om een zwaar vergrijp gaat.
Moet je zien waar zijn godvruchtige gedrag toe geleid heeft: een eenzame, verlegen man op een bank, een voorspelbare baan en een levensgroot gebrek aan lef. Alsof hij al met één been in het graf staat.

Eén dingetje: Marloes heeft een huisdier. Een hond.
Hoe slaat hij zich in hemelsnaam door een ontmoeting met dat beest heen?
Zij heeft al vergoelijkend gezegd: “Zorro is lief maar alleen wat onstuimig.”
Onstuimig…het zal wel weer zo’n ADHD-hond zijn: Aldoor Drentelen, Hijgen en Druk. Hij vindt honden vies. Ze likken aan alles en dan krijg jij een lebber met die tong. Hij gruwt alleen al bij het idee.

Daar is ze!
Zijn hart springt op alsof het naar buiten wil kloppen.
Ze ziet er nog oogstrelender uit dan de vorige keer…
Hij had zich voorgenomen grappig en charmant te zijn maar blijft onfortuinlijk steken in een slechte openingszin.
Marloes schijnt het niet te merken en lacht ontwapenend.
Ze bestellen wat te eten, praten honderduit en ongemerkt glijdt de avond voorbij.

Rond sluitingstijd wenkt Marloes de ober. Tegen Roland zegt ze: ‘Deze keer betaal ik want de vorige keer heb jij betaald. Voortaan doen we om en om. Vind je dat goed? Je wilt toch met me verder, hè?’
Hij is zo overdonderd door haar vraag dat hij alles tegelijk wil zeggen en er van de weeromstuit niets uit krijgt. Het enige waartoe hij in staat is, is suffig ja knikken met zijn hoofd.
‘Goed,’ zegt ze voldaan. ‘En nu gaan we samen naar mijn huis, hè?’
‘Ja, ja…voor een…eh… kop koffie,’ stamelt hij.
‘Wat jij nodig hebt, lieverd, is een flinke borrel.’ Teder omsluit ze zijn hand met de hare.
Hij is finaal van de kaart. Het gaat hem allemaal veel te snel.
Het kan hem niet snel genoeg gaan.

De volgende ochtend loopt Roland als in trance door Marloes’ tuin. Het ochtendlicht lijkt te fel te zijn voor zijn gezicht. Onwennig opent hij het tuinhek en stapt naar buiten. Met een grote hond en een enorme kater.

Rook

Hoe erg zijn vrouw het ook vond, hij hield stug vol en rookte iedere dag een sigaar. Buiten op het stoepje. Oók als het regende, want zijn rokertje was zijn laatst overgebleven lolletje. Zijn huwelijk was een onpersoonlijke, koude toestand.
Oh, wat zou hij graag weer eens willen gloeien als het puntje van zijn sigaar!

In het begin had hij de overgebleven stompjes tussen de beplanting gepiekt.
Dat  was voordat zij hem sommeerde ze stuk voor stuk op te rapen, en hem vervolgens een veger en blik in zijn handen duwde om de as op te ruimen.
Zijn opmerking dat de wind het sneller deed, maakte op haar geen enkele indruk. Ze stond erop.
Niet op de as helaas.

Ze waren 47 jaar getrouwd en dan doe je iemand niet zo snel meer weg, maar soms, als zij weer aan het tieren was dat zijn kleren naar de rook stonken, en hij aan het dagdromen sloeg met een lekkere bolknakker in zijn mond…
Hij zou beginnen met een barbecue voor de hele buurt, en daarna oliebollen gaan bakken en gourmetten binnen in huis. Van de lucht zou hij nog dágenlang plezier hebben.
Een vrouw kan ook té schoon zijn; er zijn belangrijker dingen in het leven dan een gestroomlijnd huishouden. Hij snoof verachtelijk.

Het was een sober, maar mooi afscheid geweest.
In plaats van een plak cake bij de koffie had hij tevergeefs gepleit voor een stukje rookworst, en was hij uiteindelijk akkoord gegaan met een bitterkoekje.
Voordat hij de auto instapte, keek hij eens op zijn gemak omhoog: zie de schoorsteen eens roken!
Ze hadden het nooit over haar laatste wens gehad, maar hij wist zeker dat zij het met zijn keuze niet eens zou zijn geweest. Hij moest zich beheersen om niet te grijnzen als een aap. 

Boodschappenoppas

Een nerveus uitziende man klampt me aan.
Met een zucht kom ik tot stilstand. Zie ik er uit als een vrouw die een vreemde man graag een pleziert doet? Ik ben al op voorhand geirriteerd, want ik heb uit gelubberde armen van het sjouwen, moet piesen, heb dorst en wil zsm naar huis.
Waarschijnlijk trek ik een gezicht alsof ik strafwerk heb, want de man verontschuldigt zich onmiddellijk. ‘Sorry mevrouw….Ik…ik…’ Hij valt stil en laat zijn schouders zakken.
Ik word overvallen door een knagend gevoel. Het duurt even voor ik het herken. Het is…het is…ahh… ik weet het weer: het is mijn zelfcorrigerend vermogen!
‘Wat kan ik voor u doen?’ vraag ik en laat mijn tassen op de grond zakken.

‘Zou u…even op mijn boodschappen willen passen?  ‘Want…’ de man kijkt zenuwachtig naar het trottoir achter zich, ‘…ik weet niet of ik daar langs kan lopen. Ik ga even kijken of het kan en kom dan terug om mijn tassen op te halen, begrijpt u?’
Ik snap er geen reet van. Volgens mij is dit de verborgen camera. Blijven lachen.
‘Waarom denkt u dat u daar niet kunt lopen?’ Ik wil niet op tv, maar wel intelligent overkomen op de cameraman.
De man snuift afkeurend dat ik het niet begrijp. ‘Omdat die hekken er staan!’ zegt hij. Hij wipt op zijn voeten heen en weer en staat te springen om weg te kunnen lopen. Zou hij zijn intelligentie kwijt zijn?
Het langs de hekken lopen duurt vast maar even, dus stem ik toe.
Spoedig verdwijnt de man uit zicht.

Mijn moeder heeft me geleerd dat ik van andermans spullen moet afblijven, maar kijken mag wel. Het eerste waar mijn doorgewinterde oog op valt, zijn de lekkernijen in één tas: kokosmakronen, spritskoeken, stroopwafels, gevulde koeken, boerencake, ontbijtkoek…
Daar steken mijn ongezoete boodschappen van de reformwinkel maar kleurloos bij af. De andere tas is minder interessant: losse aardappelen en een bloemkool.

Wat blijft de kerel lang weg! Even is al lang voorbij. Sta ik hier opgescheept met andermans eten. Zal je zien dat er straks een te langzaam rijdende auto voor me rijdt en ik mijn pies nog langer moet ophouden.
En het barst hier van de mensen; klampte hij uitgerekend mij aan!
En dan zijn er nog mensen die zich afvragen of het allemaal wel waar is wat ik in mijn stukjes schrijf. Alsof ik een ongeloofwaardig groots en meeslepend leven lijd leid.

Er komt een fietser op me af rijden.
Hij stopt, zet zijn fiets op de standaard, en wijst naar de tassen. ‘Ik kom de boodschappen voor mijn broer ophalen.’
Zijn broer? Dat lijkt me stug. De boodschappenman had de kleur van een mokkaboon en deze meneer die van een roetzwarte espresso.
‘Ik ben echt zijn broer,’ verzekert de fietser me als hij mijn twijfelachtige blik ziet. ‘Mijn broer…hij…  kan niet tegen veranderingen,’ legt hij uit, ‘hij kreeg stress van die hekken. Aan het eind durfde hij niet meer terug te gaan, is naar huis gelopen en heeft mij gebeld.’

De broer pakt de tas met aardappels. Hangt die aan het fietsstuur en draait zich om om de andere tas te pakken. Kedeng! De fiets van de niet zo snuggerige man valt om. De bloemkool en aardappels rollen over straat. Voorbijgangers helpen met oprapen.
De hoogste tijd er tussenuit te knijpen!

Een boek!

Heb je ‘m gehoord? De knal? Mijn kogel is door de kerk: ik ga mijn columns (uche) en korte verhalen bundelen tot een boek.
En dat is jullie schuld!
Kijk maar niet zo onnozel; zeker vijftig van jullie hebben gezegd dat ik een boek “moet” uitbrengen.

Ik deelde mijn voornemen thuis tijdens de avonddis mede. Man vond het een wonderbaarlijk leuk voorstel en vroeg onmiddellijk: ‘Binnen welke termijn wil je het af hebben?’
Hierzo, heb je meneer de MANager weer; gewend aan het maken van resultaatafspraken.
Mijn tong vloog uit de bocht en riep stoer: ‘Voor het eind van dit jaar.’ Ik had het gezegd en kreeg meteen een lichte rolberoerte. Ik ben ook maar een mens, en kreeg meteen stress dat ik er na mijn uitspraak losjes aan vast zat, maar het idee is gaan wennen.

Ik blog sinds 2009 en wist dat ik veel geschreven had, maar zóveel…
Van het lezen krijg ik kramp in mijn voorhoofd.
Ik zoek natuurlijk de leukste columns en de beste verhalen uit, dat is logisch. Misschien vul ik het boek aan met een paar nieuwe.
Daarna de spelfouten uitgummen en de komma’s op de juiste plaats zetten.
Een pakkende titel lijkt me ook handig.
Een ISBN aanvragen.
Het voorwoord sla ik over.

Roos heb ik aangesteld als mijn persoonlijke manager. Ik houd nu eenmaal van delegeren.
Karoeza ging van harte in op mijn verzoek om de omslag te tekenen.
En dan schijnt er op de achterkant nog een foto van de auteur te moeten komen. Dat lijkt me verreweg de zwaarste opgave.

Het wordt een gedrukt boek, want ik wil het vast kunnen houden. Ik twijfel nog tussen twee uitgeverijen maar kom daar wel uit.

Nu probeer ik mij dagelijks aan een krakend bureau te zetten, klap ik mijn toverdoos open en ga ik aan de slag.
Ik heb al twee reserveringen binnen 🙂

En mensen die de doorwrochte mening hebben dat lezen zonde van hun tijd is, ga ik trachten te bekeren. Te beginnen met Lief!

Lastig(e) gevallen

Op de fiets wat het niet altijd alleen maar lang-leve-de-lol.
Zonder fiets trouwens ook niet.

Dat ik niet de enige vrouw ben die ongewenst seksueel lastig gevallen werd
door mannen, had ik 8 maart – Nationale Vrouwendag – al bij Narda gelezen.
Toentertijd kon ik niet op haar blog reageren; het kwam te dichtbij.
Omdat ik me ervoor schaam. Omdat het een vies gevoel geeft.
Ik ben vaak lastig gevallen. Zo vaak dat ik bijna ging geloven dat het normaal was.
Bijna.
Want dat was en is het natuurlijk niet.

Bouwvakkers hebben de naam. Was het maar bij hun opmerkingen of gefluit gebleven.
Erger waren de handtastelijkheden. Helemaal van mannen van wie je het niet verwachtte. Omdat ze in nette pakken liepen, arts van beroep waren of “vrienden.”
Dergelijke kerels zijn een gevaar voor de maatschappij.

Ik wil(de) maar één ding: met respect behandeld worden of – veel liever nog – met rust worden gelaten.    

*********************

Vroeger reed ik op de racefiets naar mijn werk in Rotterdam. Vijftien km heen.
En vijftien km terug.

Zo ook die dag:
De Leuvebrug over en de Boompjes op,
langs het monument voor de gevallen mariniers,
langs de Nederlandsche Bank
en het Havenziekenhuis,
de Maasboulevard op.
Langs de Willemsbrug,
de Hef,
de aanlegplaats voor cruiseboten en
het tankstation.
Eenmaal daar moest het fietspad gedeeld worden met tegenliggers.
Een collega van m’n afdeling reed voor me.

Het was een mooie dag. De zon scheen en de Maas schitterde.
Aan de overkant bij Excelsior liepen twee mensen op blote voeten in het gras.

Het fietspad ging omhoog een viaduct op.
In het klimmetje omhoog fietste ik zes Marokkanen voorbij die keurig in een treintje reden. De mannen riepen iets tegen elkaar; wat kon ik niet verstaan.
Toen ik de voorste inhaalde, kneep deze zijn ogen grijnzend samen en riep hij naar me: ‘Alle Nederlandse vrouwen zijn hoeren,’ en voordat ik er erg in had, stak hij zijn hand onder mijn fietsshirt en kneep in mijn borst.

Van razernij gierde de adrenaline door mijn lijf.
In een reflex haalde ik uit. Mijn gebalde vuist raakte hem midden in zijn gezicht. Het was meer geluk dan wijsheid maar het effect was fenomenaal: hij viel met fiets en al om. Zijn gezicht viel op de grond in het zand.
Eén voor één buitelden zijn vrienden over elkaar heen, en toen ik helemaal bovenaan achterom keek, zag ik een kluwen van fietsen en mensen.

‘Wat deed jij nou?’ vroeg m’n collega. Hij kon zijn ogen niet geloven.
‘Nou gewoon,’ zei ik – alsof het gewoon was – ‘hij zat aan me.‘
Verder zei ik niets. Schaamte had mij in mij macht.
De harde wind joeg tranen in mijn ogen.

Ik vertelde het aan niemand; ik keek wel uit.
Mijn vuistslag voelde niet als een overwinning.
Ruim drie weken durfde ik niet over de Maasboulevard te fietsen, en reed ik angstvallig binnendoor via Kralingen naar mijn werk.
Bang voor represailles…