Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden.
Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man. NOT.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets.
Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon.
Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft?
Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten?
Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater.
Nou en of!
Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.
Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Zet-ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor!
Ik ga niet blijven staan wachten tot hij vertrekt. Ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik mieters handig aangepakt, al zeg ik het zelf.

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen: ze hebben niets beters te doen dan op het bruidspaar wachten. Schaamte giert uit al mij poriën.
Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door.
In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!

Je ergste vijand

Poezen snorren op smalle richels,
watervogels met hun kop op hun rug,
fakirs snurken op een spijkerbed…
…en ik sliep bijna dertig jaar niet in m’n eigen bed.

Slapeloosheid, je ergste vijand.

Het lag aan mijn hormonen. Een kansloze strijd, want die leidden een eigen leven.
De week dat ik ongesteld was, sliep ik als een baksteen. Daarna werd het per nacht minder. De laatste week viel ik van ellende bijna uit elkaar: ’s nachts werd ik 15 keer wakker, had overal jeuk, en lag continu te draaien en de dromen. Het was alsof ik gek werd terwijl ik bij mijn volle verstand was.

Ik heb álles geprobeerd – zelfs een geBEDsdienst – maar nada.

Slaaponderzoeken in ziekenhuizen registreerden een tekort aan REM-slaap, maar hadden geen remedie.
Artsen geloofden niet dat mijn slaapklachten verband hielden met mijn cyclus, tot een (gepensioneerde) gynaecoloog in 2001 zei dat ik PMS had.
Ha, ik had iets wat bestond!
Hij kon me niet helpen maar beloofde dat na de overgang mijn klachten vanzelf overgingen.

Dat bleek een misvatting.

In plaats van één week per maand een goede nachtrust, had ik er nul komma nul. Ik leefde onder een grauwsluier en had een dooie vampiersblik. Hele middagen zat ik te wenen. Het liefst tijdens het stofzuigen; dan hoorde ik mezelf niet. Het leven voelde als een taakstraf. Ik had er genoeg van en wilde dood.

Toen las ik op Kliefjes blog dat een klassiek homeopaat – die Klief Klazien uut Zalk noemt – haar PMS-hormoonheks getemd had. Bij Klief veroorzaakte de PMS geen depressie maar agressie. Zo erg dat ze iemand wilde vermoorden.
Moord en zelfmoord zijn de twee uitersten van PMS.

Ik mailde Klazien en maakte een afspraak.
Ze zei: ‘Je bent kleurrijk mens, sterk, en je humor sleept je erdoor.’
Zag ik er zo uit? Ik wist van niets.
We hadden een goed gesprek. Klazien geloofde alles wat ik zei en stuurde me een zakje korrels met Kali-c. Eens per week leg ik een korrel onder mijn tong en laat ‘m smelten.

En het wonder is geschied: ’s nachts ben ik helemaal van de wereld. Ik slaap! 
Het is nog niet elke nacht raak, maar het is alsof de zon doorbreekt.
Mijn depressie heeft de geest gegeven en mijn wallen hangen niet langer ter hoogte van mijn knieën.

Eén minpuntje: ik moet een nieuw grafschrift verzinnen. Het mijne stond al jaren vast: “Hier lig ik in mijn laatste bed, en eindelijk zonder slaaptablet.”

Lief mallootje

Hoe vier je het leven? Hij is het kwijt.
Hij ziet de schuchtere bloemblaadjes in het voorjaar niet, noch hoort hij de zingende merels.
‘U heeft wel gevoel,’ zegt een therapeut die hij bezoekt, ‘maar u kunt er niet goed bij. Waar bent u het verloren?’

Op de begrafenis van zijn vrouw.
Die ochtend was hij met een gebroken hart wakker geworden: in elke hand lag een helft. Sindsdien voelt hij zich als de kamerplanten in het raamkozijn. Door de aandacht van zijn vrouw hadden ze gebloeid; na haar overlijden zijn ze verschrompeld.

‘U moet vaker leuke dingen doen,’ adviseert de zielendokter. Dat is nou juist de pest: hij vindt niets leuk. Zelfs geen klein beetje. Niets voelen vindt hij trouwens fijner dan verdriet hebben.

Op een koude voorjaarsdag waarschuwt het KNMI voor een zware storm.
Hij moet er bijna om lachen; om over zijn gevoelstemperatuur maar te zwijgen. Hij trekt zijn jas en laarzen aan en loopt naar het strand. Daar laat hij zich achterover vallen in de woedende adem van de wind, net zolang tot het woeste water hem op de hielen zit. Tranen rollen over zijn wang. Hij likt ze op, ze zijn zout. Of is het de zee die hij proeft? Hij zal zich laten verzwelgen door het kolkende water. Niets doet er meer toe.

Plots hoort hij een stem: ‘Lief mallootje van me.’
Hij schrikt ervan. Het is haar stem! Hij kijkt, maar ziet haar nergens.
‘Mijn hart klopt nog steeds voor jou,’ praat ze verder. ‘Ik wacht op je aan de overkant. Maar tot jouw tijd gekomen is, moet je iets voor me doen: zoek de liefde in je leven.’
‘Ik wil geen andere vrouw!’ Hij buldert het; bang dat ze hem anders niet kan horen.
‘Jouw liefde voor mij, die eens je hart ontstoken heeft, moet sterk genoeg zijn om de liefde terug te vinden in jezelf.’

Binnenin hem woedt een storm.
Steeds sneller lopen zijn voeten over het lege trottoir. Zijn handen voelen als bevroren. Met moeite krijgt hij de huissleutel in het slot.
Binnen neemt hij niet de moeite zijn laarzen en jas uit te trekken, en loopt direct naar zijn kant van het tweepersoonsbed. Hij heeft honger naar haar woorden en haar handschrift. In een la vindt hij wat hij zoekt: een stapel verkleurde liefdesbrieven, bijeengehouden door een henneptouwtje.

Hij herleest ze en piekert zich suf: hoe kan hij nou net zoveel van zichzelf houden als van haar?
Hij kan er niet van slapen, maar deze keer is het niet de leegte die hem wakker houdt, maar zijn hersenen die een oplossing proberen te vinden.
Langzaam voelt hij zich wegzakken, maar nog net op het randje van waken en slapen, schiet hem iets te binnen wat zijn ontmoeting met haar en haar advies voor altijd markeert. Zo simpel en eenvoudig, maar zo doeltreffend. Voor altijd.
Morgen zal hij hun beide namen zijn arm laten graveren.
Als een einde maar ook als een voorzichtig begin.

Herrie

Als ik ergens een schurfthekel aan heb, is het aan herrie. Aanhoudende herrie.
Onze wasemkap bijvoorbeeld. Dat ding ronkt en trilt alsof-ie elk moment kan opstijgen. Deed-ie het maar! Het enige wat helpt, is de motor vasthouden met je hand. Daardoor houdt het trillen op, maar het roert zo onhandig in de pannen.
Lief heeft er naar gekeken: niets aan te doen.

Dan de crosstrainer. Dagelijks maak ik op zolder een denkbeeldig rondje door de Krimpenerwaard. Daarbij bijgestaan door mijn tablet waarop ik filmpjes en muziek kijk en luister op Youtube. Met oordopjes, want dat luistert het fijns. Heeft dat apparaat sinds kort een irritant geluid. En zo hard, dat horen, zien en filmpjes kijken je vergaan.
Je hoort twee keer een tik en daarna een luide bonk.
Ik heb me boos gemaakt en dat apparaat een rot-schop verkocht. Bij flipperkasten werkt dat immers ook altijd?
De bonk is gestopt, maar de tikken zijn er nog.
Je raadt het al: niets aan te doen.

Herinner je je de vuvuzela’s nog van het WK? Zo’n geluid komt er nou ook uit onze stofzuiger. In de slang valt geen obstakel te bekennen, en een nieuwe zak en filter bieden ook geen soelaas. Toch loeit niets harder dan onze stofzuiger.

Dan hebben wij nog het hondje van de overburen. Het arme dier schijnt verlatingsangst te hebben en keft daardoor de ganse dag. Fijn, is het eindelijk lekker weer om in de tuin te zitten, is het nog gedaan met m’n rust.

Alsof dat nog niet genoeg is, word ik elke ochtend wakker met een wijsje in mijn hoofd. Eentje die er de rest van de dag blijft hangen. Dáár is geen oordop tegen bestand…
Ik denk dat ik maar een tijdje onder een steen ga liggen.

Drie Denen en een Fries

Begin jaren ’80 werkte ik in een hondenkennel. 

Uit het schuurtje klinkt een kermend gehuil. Ik verschuif de grendel, gooi de deur open en zoek dekking tegen de buitenmuur. Drie grijze lijven buitelen over elkaar heen om mij als eerste te begroeten. Met mijn ogen en lippen stijf dicht, wordt mijn gezicht afgelebberd door de tongen van drie Deense doggen.

Vanaf de eerste seconde klikte het naadloos tussen de beesten en mij. Iets wat ik van de stalknecht niet kan zeggen. Hij begroet mij, het hondenmeisje, amper en trakteert me op selectieve zwijgzaamheid. De stalknecht heet Sjors, ik noem hem Sjimmie.

Alleen omdat hij zes volbloed merries verzorgt, heeft hij drukte. De paarden zijn een stel chagrijnen en hun karakter is net zo koud als het eiland waar ze vandaan komen. Steevast staan ze te trappelen om schoppen uit te delen. Sjimmie mag zijn knollen houden.
Geef mij Nonne maar, de langharige Fries van de buurman. Hij oogt ruig en is lief. Soms borstel ik hem, of maak een ritje op ‘m door het weiland. De staljongen haalt er zogenaamd zijn neus voor op; ik weet wel beter.

Op een dag breken twee valse krengen uit de palissade, en vliegen holderdebolder tegen de dijk op. Sjimmie springt op zijn fiets, maar kan in paniek zijn sleuteltje niet vinden.
De buurman wenkt mij. Hier, neem Nonne!
De stalknecht holt dankbaar op hem af, maar de buurman wijst nadrukkelijk naar mij.
Ik ben bang en blij tegelijk. Zonder aansporingen spurt Nonne de weg op alsof hij geleid wordt door een inwendige Tomtom.

Het is een hele optocht die zich tegen de richting van het verkeer beweegt: twee briesende IJslanders, een vurige Fries met een vliegende Hollander op zijn rug, en drie luid blaffende Denen. Automobilisten kijken in verwarring achterom.

De IJslandse merries kloeken samen uit angst voor drie malende betonwagens. De knipperende ogen van de hengst doen de rest.

De terugkeer is een belevenis. Eventjes voel ik me de eigenaar van een half circus; alleen de fanfare ontbreekt.
Na afloop laat ik me voldaan van de Fries afglijden: ik schuif over zijn rug naar achteren, en gebruik zijn dikke billen als glijbaan. Zachter landen kan bijna niet. Bijna. Want van pure liefde word ik omver gelopen door de Denen. Ik ben er ondersteboven van, en val met gestrekte armen voorover in de bagger.
Bemind worden heeft duidelijk een keerzijde.