Ik ben een oude zeikerd: ik moet altijd en overal plassen.
Geschikte plasplaatsen onderweg tijdens een fietstochtje koester ik. Want waar kan een keurige vrouw met hoge nood ongezien haar corrigerende ondergoed fietstricootje laten zakken? Goede plasplekken zijn met een lantarentje te zoeken, dus heb ik zo’n plek, dan houd ik ‘m in ere. Vandaag was ik weer bij zo’n plekje en het was hoog nodig.
Hink, over het kreupelhout
Stap, over hondendrollen (wat een bergen zeg, vast van een Deense Dog)
Sprong, over het kreupelhout
Dan laat ik mijn plas varen… Wat zit ik hier fijn ongezien vanaf beide kanten van de weg tussen het Fluitenkruid. Geen hond die me kan zien. Beter kan ik het nergens treffen. Daar verderop staat wel een huis, maar ik heb daar nog nooit een teken van leven gezien, laat staan een mensch.
Klaar.
Hansopje omhoog en sprong, stap, hink, terug naar de fiets.
Er staat een man bij mijn fiets. Wat moet die man? Zo te zien wacht hij ergens op. Moet dat per se naast mijn fiets?
‘Dag meneer.’
Hij zegt niets terug. Hij trekt wel een gezicht alsof heel de Krimpenerwaard van hem is. Uitslover. En hij kijkt zoals de bovenmeester vroeger naar me keek als ik teveel had zitten kletsen in de klas.
De man schraapt zijn keel.
Ja, hij heeft heus mijn aandacht.
‘Mevrouw… dit stuk land is van mij…van daar (hij wijst naar de horizon) tot daar (hij wijst achter mij) tot daar (hij wijst naar zijn huis.)
Hij spettert terwijl hij praat. Ik vind dat niet fris.
Ik kijk hem recht aan en staar naar zijn aardappelneus die roder en roder wordt.
‘Mevrouw… ik heb al verschillende keren gezien dat u hier gaat zitten…zitten… urineren en dat neem ik u ten zeerste kwalijk! Wilt u dat niet meer doen?’
Jemig, heeft hij mij hier elke keer zien zitten? Ik word overvallen door een immense haast. ‘Sorry meneer,’ mompel ik, ‘ik zal het nooit meer doen.’
Liever plas ik de volgende keer nog op schrikdraad.
Verkrampt van schaamte spring ik op m’n rijwiel. Vier kilometer verder dringt zich een gedachte aan me op: ik ben me daar gediscrimineerd, en niet zo’n beetje ook! Bergen hondendrollen lagen daar in de berm. Echt niet van een of twee keer; die Deense dog draait daar dagelijks zijn bolussen.
En over mijn wildplasje ging die man staan zeiken.
Het eerste wat ik zou doen als ik een kerel was? Loeihard tegen een boom piesen. Tegen de wind in.