Twisten

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor de maand april/mei, met als opdracht het woord: twisten, wat niet in de tekst genoemd mag worden.

Niets maakt hem gelukkiger dan zijn dochtertje Angela. Daarom steekt het hem dat sommige mensen haar met een zielig gezicht bekijken; alsof ze iets mankeert. Zien ze haar blonde  krullen en engelachtige gezichtje niet dat altijd straalt? Hij doet spelletjes met haar, ze gaan samen naar de kinderboerderij, hij leest haar voor en mama brengt haar naar balletles.

Ze straalt als het weer tijd is om te gaan. In haar roze tutu-pakje vindt hij dat ze eruitziet als een  olifantje. ‘Mijn roze olifantje,’ noemt hij haar plagend. ‘Als je terugkomt van balletles, gaat papa jouw slurfje zoeken.’ Krijsend van voorpret rent ze anderhalf uur later de huiskamer binnen.

Tot een vervangende juf roet in het eten gooit. Het mens is spijkerhard. Ze vindt Angela niet passen in de les, omdat Angela’s lijfje te zwaar is en haar motoriek te stijf. Ja, hun dochtertje heeft de lenigheid van een zak cement. Daarom zit ze toch op les? En je hoeft toch niet de beste te zijn om het naar je zin te hebben. Angela wil er alleen maar een beetje bij horen. De juf is niet te vermurwen.

Zijn vrouw kon praten tot de zon weer opkwam, maar ze realiseerde zich dat een geforceerde deelname niet in het belang van Angela zou zijn. Beiden kwamen in tranen thuis. De een van verdriet; de ander van woede.

Elke dag mag Angela een streep door een kalenderdag zetten. Wachten heeft nog nooit zo lang geduurd.
De eerste les met haar eigen juf is een feest: alle kinderen krijgen beschuit met muisjes te eten en een beker ranja. De rest van de middag draait de juf muziek waarop vrij gedanst mag worden. Iedereen mag zijn eigen zwanendansje opvoeren. Alle kinderen leven zich uit. Oók Angela. Want een handicap mag nooit een beperking zijn.

Kopje koffie

Schrijfopdracht van Plato voor de maand maart met als thema: manipuleren.

Daar zit ze dan op haar bed. Helemaal blij met haar nieuwe outfit… gaat haar afspraakje niet door. Ze schopt haar nieuwe schoenen uit: prachtige rode met metershoge hakken. Uit praktisch oogpunt heeft ze het lopen geoefend met pleisters op haar hielen. Ze vond zichzelf heupwiegend sexy. Haar hand glijdt over haar nieuwe jurk. Het is gewoon zonde om in deze opgedofte toestand thuis te blijven.

Ze laat zich achterover op het bed vallen, en overweegt de mogelijkheden. Alleen naar het feest? Zo sneu… Ze kent wel iemand waar ze graag mee gezien wil worden. Geen conversatiewonder, want zijn IQ is lager dan zijn leeftijd, maar wel een indrukwekkende verschijning. Een nadeel is dat hij een door testosteron aangedreven  man is, die overal een uitnodiging voor bronstig gedrag in ziet. Ze krijgt al zweethanden bij de gedachte.

Onverwacht krijgt ze een goed idee en pakt haar telefoon.
Het kost haar aardig wat overredingskracht maar okeej, hij wil met haar mee naar het feest, en aansluitend mee voor een kop koffie. Wat hem betreft kunnen ze het feest ook overslaan en meteen aan de koffie gaan? Er loopt een rilling over haar rug: als ze het niet dacht.

Het feest is enerverend en ze oogst bewonderende blikken van haar vriendinnen.
Na afloop wordt het spannend.
De aantrekkelijke dude parkeert zijn auto en loopt smachtend achter haar aan naar de voordeur.
‘Ogenblikje,’ zegt ze nadat ze de deur van slot heeft gedraaid. Ze bukt, pakt iets van de mat en duwt het in de handen van haar feestpartner. Bijna verdwaasd maakt hij het doosje open. Zij maakt van de gelegenheid gebruik zich naar binnen te wurmen en de deur genadeloos voor zijn neus dicht te gooien; de bronstige man achterlatend op de stoep, met in zijn handen een kopje gemalen koffie.

Spinnen

Schrijfuitdaging WE-300 september van Plato met als thema: Spinnen.

Hoe erg zijn vrouw het ook vond, hij hield stug vol en rookte iedere dag een sigaar. Buiten op het stoepje. Oók als het regende, want zijn rokertje was zijn laatst overgebleven lolletje. Zijn huwelijk was een onpersoonlijke, koude toestand. Oh, wat zou hij graag weer eens willen gloeien als het puntje van zijn sigaar!

In het begin had hij de overgebleven stompjes tussen de beplanting gepiekt. Dat  was voordat zij hem sommeerde ze stuk voor stuk op te rapen, en hem vervolgens een veger en blik in zijn handen duwde om de as op te ruimen. Zijn opmerking dat de wind het sneller deed, maakte op haar geen enkele indruk. Ze stond erop. Niet op de as helaas.

Ze waren 47 jaar getrouwd en dan doe je iemand niet zo snel meer weg, maar soms, als zij weer aan het tieren was dat zijn kleren naar de rook stonken, en hij aan het dagdromen sloeg met een lekkere bolknakker in zijn mond… Hij zou beginnen met een barbecue voor de hele buurt, en daarna oliebollen gaan bakken en gourmetten binnen in huis. Van de lucht zou hij nog dágenlang plezier hebben. Een vrouw kan ook té schoon zijn; er zijn belangrijker dingen in het leven dan een gestroomlijnd huishouden. Hij snoof verachtelijk.

Het was een sober, maar mooi afscheid geweest.
In plaats van een plak cake bij de koffie had hij tevergeefs gepleit voor een stukje rookworst, en was hij uiteindelijk akkoord gegaan met een bitterkoekje.
Voordat hij de auto instapte, keek hij eens op zijn gemak omhoog: zie de schoorsteen eens roken! Ze hadden het nooit over haar laatste wens gehad, maar hij wist zeker dat zij het met zijn keuze niet eens zou zijn geweest. Hij moest zich beheersen om niet te grijnzen als een aap.

 

Vies

Schrijfopdracht WE-300 van Plato, met als thema: oplossing.

Haar jeugd was een onpersoonlijke, koude toestand. Haar moeder was nooit te beroerd haar dwars te zitten, en had een groot gebrek aan geweten. Regelmatig snauwde ze met haar door drank aangevreten stem: ‘Als je een hond was, had ik je verzopen!’ Daar krijg je als kind een vies gevoel van.

In de loop der jaren heeft ze er mee leren leven, maar het blijft schrijnen.
Ze heeft een beetje gevoel van rechtvaardigheid gekregen toen haar moeder ziek en hulpbehoevend werd. Plichtsgetrouw voldoet ze aan haar eisen; alles in overleg met de thuiszorg.

Niets dan lof over de jongen meiden die haar draak van een moeder verzorgen. Sommigen durven  amper bij haar naar binnen uit angst wat ze nou weer te klagen heeft. Hád ze maar iets te klagen.
Verrekt, denkt ze, dit is mijn kans, en ik heb alle tijd om het ten uitvoer te brengen!

Het is een eitje het middel aan te schaffen, om over de te verwachte uitwerking maar te zwijgen, en ze verkneukelt zich reeds van leedvermaak. In vergelijking met een fairtrade chocolaatje zal de smaak tegenvallen, maar afgezien daarvan is het een beestachtig goed drankje dat elke zenuw bij haar moeder zal prikkelen.

De ouwe taart heeft weinig kracht om tegen te sputteren. Ze probeert het brouwsel wel uit te spugen, maar als ze merkt dat haar dochter het er met dezelfde snelheid weer ingiet, ziet ze in dat verzet zinloos is, en geeft ze zich over. Dat is nou nog eens lief!

Zo, het middel zit erin. Voldaan kijkt ze op de klok: 21.15 uur. De thuiszorg is geweest, en zal haar als eerste de volgende ochtend vinden. Niet te vroeg, hoopt ze. Na acht lepels levertraan zal haar moeder in haar eigen vuil de nacht doorbrengen. Viezer kan ze het niet maken.

Vieren

Schrijfopdracht WE-300 van Plato voor de maand april, met als thema: vieren.

Taxerend bekijkt ze zichzelf in de spiegel. Haar ogen blijven hangen op de puistjes op haar voorhoofd. Haar pony valt er gedeeltelijk overheen, maar ze heeft ook nog averechts krullend haar dat nooit zit zoals zij het wil. Haar vriend zegt dat hij overal omheen kijkt, omdat ze zo lief lacht. 

Van haar ouders heeft ze nooit complimentjes gehad, terwijl juist zij daar zo’n behoefte aan had.   Nog niet eens zozeer de complimenten, maar vooral de aanmoedigingen had ze goed kunnen gebruiken. Maar haar ouders wilden haar niet voortrekken ten opzichte van haar broer en zus, en van complimenten ging ze maar naast haar schoenzolen lopen, en als ’t tegenzit zou ze ook nog drukte krijgen. Nou, over dat laatste hoefden ze niet in te zitten. Met haar hazenlip is ze getekend voor het leven. Natuurlijk hebben chirurgen alles keurig “aan mekaar genaaid” zoals haar vader dat zo plastisch weet te formuleren, maar het litteken zal haar de rest van haar leven vergezellen.

Gisteravond was ze voor de eerste kennismaking naar haar schoonouders geweest. Ze was erg nerveus geweest, maar dat was nergens voor nodig. De ontvangst was allerhartelijkst, zijn familie toonde oprechte belangstelling voor haar, en ze voelde zich snel op haar gemak. Het gevoel van warmte tussen zijn ouders en haar was wederzijds.

Het grootste compliment kreeg ze een half uurtje geleden van haar vriend te horen. Zijn moeder had tijdens het ontbijt tegen hem gezegd: “Weet waar je aan begint, kind, een mooie vrouw heb je nooit alleen.” Nu ze er weer aan denkt, ziet ze wat haar vriend bedoelt: haar spiegelbeeld straalt haar tegemoet. Met een grijns van oorbel tot oorbel, besluit ze dat voortaan elke dag de moeite waard is om geleefd te worden, en het de hoogste tijd is voor een feestje.

 

Veilig

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato met als thema: jagen.

Wanneer hij ze het minst verwacht, komen ze uit alle hoeken en gaten tevoorschijn. Nooit eentje, maar altijd de hele familie: dochters, kleindochters, nichten, zussen, en tantes. Ze zitten hem achterna en lopen steeds sneller op hem in. Dat sommige van die ouwe wijven zo hard kunnen hollen, zeker renpaardenvlees gegeten. De vorige keer kon hij nog van ze winnen. Vandaag niet meer.

Dichter en dichter komen ze in zijn buurt. Hij rent voor zijn leven, tot in een steeg twee vrouwen hem tegemoet komen. Alsof het afgesproken werk is, halen ze allemaal een voorwerp tevoorschijn: de één een mes, de ander een tennisracket waar je iemand mee kunt elektrocuteren; een hockeystick, een deegroller…Hij heeft niets, alleen zijn knuisten. Die wijven zijn niet wijs en willen wraak, omdat hij een oud wijf haar pensioentje afpakte, en haar per ongeluk doodsloeg toen ze tegenstribbelde..

De vrouwen weten dat hij niet meer kan ontsnappen, en grijnzen vals.
‘We wachten je op.’ roept er eentje.
‘We kúnnen niet wachten op je!’ roept een wijf met een takkenbezem. Dat mens moet een heks zijn, straks begint ze ook nog te toveren.
Langzaam en heel zeker sluiten ze hem helemaal in. Eentje slaakt een woedende kreet, en haalt naar hem uit met een deegroller.

Met een gil, een bonkend hart en gierende longen, wordt hij wakker. Het is donker. Waar is hij, wat is er gebeurd? Een zweetdruppel rolt in zijn oog. Het prikt. Hij hoort het rammelen van sleutels en het verschuiven van een grendel. Iemand schijnt met een zaklamp vlak langs zijn gezicht.
‘Alles in orde?’ vraagt een mannenstem.
Hij komt overeind om zich meteen weer achterover te laten vallen. Hij heeft gewoon weer dezelfde nachtmerrie. Pfff, wat een geluk…hier in de gevangenis is hij veilig. Nóg wel.