Keek op de week (177)

Dorpspad
Joris heeft vrijwillig Vitaliteitsverlof. Sommigen dachten blijkbaar dat het een taakstraf was. Werkgever vindt: verlof neem je wanneer je nog vitaal bent. Waarom wachten tot je pensioen?
Man had eerste dagen ontwenningsverschijnselen, want hij is verslingerd aan cijfers. Kocht sudokupuzzelblok voor hem. Heb goede hoop.
‘Schrijf jij nog steeds?’ vroeg man naast me in apotheek.
Kreeg terplekke bijkans zenuwinzinking. Vroeg aan binnenkant van hoofd: wie ís die man? Kreeg geen antwoord.
‘Hoe…eh…weet u dat ik schrijf?’
Kerel keek me wazig aan; alsof ik uit een ui kwam.
‘We hebben ooit op schrijfles gezeten. Vier bijeenkomsten; tien personen.’
Gaapte man aan. Hij had een door het leven getekend gezicht en piepende longen. Maar wát een geheugen.
Het begon langzaam te dagen in mijn oosten: dit was man die altijd voorlas uit eigen werk. Hij zag er onschuldig uit.
‘Ik schrijf nog wel eens,’ bekende ik. ‘En u?’
‘Geen tijd meer voor,’ zuchtte hij.
Fietste met Man langs Lek. Stond hek met bord: verboden toegang. Joris wilde omkeren.
‘Kom op,’ zei ik. Voelde me net Eva. Stonden allemaal brandweer- en politiewagens langs dijk. ‘Kijk, daar hangt iemand in elektriciteitsmast,’ wees Man.
‘En daar twee opblaaslijken in de rivier!’ riep ik enthousiast. ‘Er is vast een oefening.’
Brandweeragent hield ons tegen. ‘U mag niet verder. Het is afgezet vanwege wedstrijd.’
‘Ik kan wel lezen,’ zei ik schuldbewust, ‘maar dacht: ik probeer het gewoon.’
Brandwacht keek meelijwekkend naar Man.
‘Je staat in mijn vak geparkeerd,’ zei kerel tegen mij door mijn halfopen autoraam. Heel dom: dacht dat hij grapje maakte maar vent keek serieus als bloed.
Opende portier stukje en keek naar grond: stond 15 cm over streep. Waar gaat het naartoe in deze wereld? Toen ik kwam aanrijden zag ik tussen lange rij auto’s één bescheiden gat en wurmde daar auto achteruit in.
‘Je staat in mijn vak!’ hield snuiter vol.
Zou ik onweerstaanbaar zijn voor neuroten? ‘Parkeervakken zijn alleen een richtlijn, hoor. Het blijft de openbare weg.’
Kerel deed alsof hij doof was, en informeerde: ‘Laat je altijd je autoraam openstaan?’
‘Twee,’ corrigeerde ik. ‘Mijn hond ligt achterin.’
Man keek argwanend door raam en zei: ‘Geen waakhond zo te zien.’
‘Heb je je hand al eens door het raam gestoken?’ Bad tot hondengoden dat kerel dat niet zou doen, want Rosa zou hand onmiddellijk likken.
Alsof hond wist dat het over haar ging, kwam ze overeind en gaapte. Kerel had geen hondenervaring want hij schrok van blikkerend gebit.
Ik draaide portier helemaal omlaag. Rosa veerde op en stak kop naar buiten.
Bromsnor ging klem tegen eigen carrosserie staan.
Maar wel keurig in zijn vak.
Vlak bij Kanis (#categorie: rare plaatsnamen) stond oudere man met beteuterd gezicht naast e-bike. Aan zijn voeten sandalen met sokken.
’Mevrouw, ik heb een lekke band.’
Wat kan mij dat schelen? ‘Sorry, ik kan u niet helpen.’
‘Jullie wielrenners hebben toch altijd zo’n plaksetje bij je?’
‘Nee meneer, binnenbandjes.’
Kerel keek alsof ik leugendetector bedroog, zuchtte, en accepteerde zijn lot. ‘Wat moet ik dán?
‘U kunt ANWB bellen. Heeft u het nummer?’
‘Wilt u het voor me bellen?’
Kreeg beter idee. ‘Wanneer u rechtdoor loopt, ligt links een eetcafé met terras. Vraag daar of iemand voor u belt. Die kan exacte locatie doorgeven, en u kunt erbij gaan zitten.’
Grijsaard had meteen zijn humeur terug: ‘Dan begin ik met flinke borrel.’

Kanis