Bloody Mary

Roerloos staat ze op de stoep, zwaar steunend op haar rollater. Al de tijd dat ik op de drukke kruising sta te wachten, verroert zij geen vin. Zou ze niet goed geworden zijn? Zal ik stoppen? Het lijkt hier net de Sahara met dat zand. Overal een stopverbod; nergens kan ik de auto kwijt. Als het licht op groen springt, geef ik gas en rij impulsief de stoep op tot vlak achter de dame. Onvast op haar benen kijkt ze achterom.

‘Is alles goed met u, mevrouw?’vraag ik.
‘Oh kind…,’zegt ze,‘…ik ben zo moei… pfff, bekaf…’ Ze begint te giechelen. ’En ik ben een beetje tipsie,’  bekent ze. ‘Ik heb net bij m’n vriendin een paar advocaatjes met slagroom op, hihi.’

Heb ik weer: maak ik me zorgen om iemands welzijn, blijkt ze een dronken lor te zijn. ‘Waar woont u?’vraag ik.
‘Daar…Geerestein.’ Met haar hand wil ze “daar ergens” wijzen, maar ze weet niet hoe snel ze de rollater weer vast moet pakken. Dat mens is zo kachel als wat.
‘Zal ik u even naar huis brengen?’
Haar gezicht klaart op. Enthousiast wil ze me op de arm slaan, maar ze zakt ongecoördineerd tegen me aan.

In aangeschoten toestand krijgt ze de gordel niet om dus help ik haar een handje. Nu nog de rollater achterin zetten…

Dat is raar! Zo is de stoep achter mijn auto leeg en zo staat er een politieauto achter. Beide agenten stappen uit.

‘Dag mevrouw. Parkeert u vaker op de stoep?’ vraagt de langste van de twee. Ik zal maar niet zeggen dat ik regelmatig onvoorspelbaar gedrag vertoon.
‘Die mevrouw is…eh…onwel geworden, en ik dacht ik breng haar even naar huis.’
‘Niks ernstigs?’ informeert hij vriendelijk.
‘Nee hoor,’ zeg ik. Ze is alleen straal bezopen, denk ik. Met moeite houd ik mijn gezicht in de plooi.
‘Waar woont ze?’
Ik noem het verzorgingsflat.
Zal hij bellen zodat ze weten dat we eraan komen?
Ik kan  moeilijk nee zeggen.

Hij belt.

Zijn collega en ik staan stil naast elkaar op de stoep. Ik besluit iets te zeggen.
‘Wilt u mijn rijbewijs zien?’vraag ik.
De agent – een kogelronde man – trekt fronsend een wenkbrauw op.
‘Hoezo?’
‘Vijftien jaar geleden heb ik het met moeite gehaald, maar er heeft nog nooit een agent naar gevraagd.’ Ik kijk hem aan. Hij moet het leed van mijn gezicht kunnen lezen. Maar vóór me staat een no-nonsens-mens, geschapen voor de grote dingen in het leven. Klein leed regelt zijn collega.
‘Zie dat maar zo te houden, mevrouw,’ knort hij. Ik zie ‘m denken: dat mens is tiereliere. Heeft hij dat oude besje nog niet gezien…

De lange agent beëindigt het telefoongesprek. Wij worden verwacht, zegt hij. Hij houdt met zijn auto het verkeer tegen, zodat ik de stoep af kan rijden. Drie seconden lang voel ik me de koningin. Het besje vindt het prachtig.

‘Anders zie je ze nooit, he?’ zegt ze gierend van de lach. Ze zwaait naar beide agenten; met haar hoofd maakt ze kleine knikjes als dank. Ik schaam me dood. Straks voelen die agenten zich genaaid en word ik alsnog aan de kant gezet.

Wijdbeens zit mevrouw naast me. Tot mijn ontzetting begint ze luidkeels te zingen. ‘Ze heette blooooody Mary…ze was de schrik der zee…’ Alsof ze zelf op de woelige baren zit, deint ze van links naar rechts. ‘Vroeger heb ik op zangles gezeten,’ vertelt ze tussen twee zangregels door.
Kan nooit lang geweest zijn.

Het verzorgingsflat komt in zicht. Ik rijd weer de stoep op; het begint al te wennen. Twee dames in witte kleding komen op de auto toegelopen. Het besje houdt maar niet op met giechelen.
Rollater eruit. Mevrouw eruit. Ze voelt zich waarschijnlijk Bloody Mary op volle zee, want ze slingert als een schip heen en weer. Met onder elke arm een medewerkster werpt ze me nog snel een poeslieve blik toe.
‘Bedankt,’ zegt ze met glimmende oogjes.
‘Graag gedaan,’ zeg ik.
Bloody Mary klotst nog lang na in mijn hoofd.

Een man met een mes

Ik was het voorval alweer lang vergeten, tot ik iets vergelijkbaars bij Bibje las.

Een man met een mes.

Ex en ik woonden samen en op zaterdagavonden gingen we naar de plaatselijke soos. Muziek, dansen, een biertje, gesprekken met vrienden…gewoon gezellig. Standaard om 23.45 uur ging de muziek uit, want de soos stond in een woonwijk. Ex en ik hielpen na afloop meestal met opruimen: lege glazen ophalen en spoelen; de bar en tafeltjes schoonmaken; de vloer dweilen…

Om 00.45 uur stapten ex, een vriend van hem – Erik – en ik naar buiten en pakten onze fiets uit de stalling.
Midden op de weg bleven we staan, want de ketting was van mijn fiets gelopen.

Volkomen onverwacht holde er een Molukker met een mes op ons af.
Ex en Erik aarzelden geen moment, sprongen op hun fiets en raceten er vandoor. 200 meter verder bleven ze staan kijken.

Ik stond naast mijn fiets en keek naar het mes. Het was verre van een aardappelschilmesje.

De Molukker was bóós: op de harde muziek, de maatschappij, op mij…
Hij zwaaide afwisselend het mes heen en weer voor mijn gezicht of hield het dreigend een eind omhoog.
Ik kon maar één ding verzinnen: zorgen dat mijn fiets tussen hem en mij in bleef staan. Verder kon ik niet denken op dat moment.
Het liep met een sisser af: de man liep net zo snel weg als-ie gekomen was.
Geen idee of ik nog iets tegen hem gezegd heb. Of dat ik heb staan trillen op mijn benen na afloop. Mijn geheugen laat me in dat opzicht volkomen in de steek.

Ik liep naar ex en Erik toe. Ze lagen allebei in een deuk. Geen idee wat er zo leuk aan de situatie was.

Thuis moest de hond nog uitgelaten worden. Ze was het soort hond dat het bij onverwachte gebeurtenissen niet voor je opnam, maar eerder op je nek sprong. Omdat ik geen zin had die loslopende gek met z’n mes weer tegen het lijf te lopen, vroeg ik aan ex: ‘Ga je mee Smoky uitlaten?’
‘Waarom,’ vroeg hij met lusteloze stem, ‘het is toch jouw hond?’

Maanden later deed ik iets verstandigs: ik verbrak de relatie en ging weer thuis wonen. Mijn Broer kwam me halen op zijn brommer (mijn ouders waren op vakantie.) Broer nam mijn koffer en tas mee; ik mijn hond achterop.

Bij Bibje liet ik als reactie achter: “Het gekke is dat ik er nadien geen probleem mee gehad heb. Ik bagatelliseer jouw probleem niet! Begrijp het niet verkeerd alsjeblieft. Ik heb er alleen niet van wakker gelegen. Misschien dat ik daar eens van wakker zou moeten liggen…”

Zoete herinneringen

In Rotterdam zat vlak bij school de sigarenzaak van Stuit.
Buiten hingen verschillende automaten met sigaretten.
Binnen zat meneer Stuit op een kruk achter zijn toonbank gelijk een vorst op een troon. Hij beheerde het walhalla voor de jeugd.
100-plussers herinneren het zich vast nog: duimdrop, zoute rijen, zoethout, salmiakknotsen, zwart-wit staven, limonadepoeder, schuimblokken, trekdrop, Belga’s, toverballen, borsthoning, spekkies…

Het was rennen als de bel voor de pauze klonk, want de “openbare stinksigaren” werden op hetzelfde tijdstip losgelaten en iedereen wilde als eerste bij de feestelijke winkel aankomen.
Onderweg had je al bedacht wat je wilde kopen, want je stuiver kon je maar één keer uitgeven.

Ik vond al het snoepgoed lekker, maar met name met één soort deed je lekker lang.
Meestal zei ik dan ook tegen meneer Stuit: ‘Eén pakje Bazooka’s alstublieft.’
Ik schoof mijn stuiver naar de oude man, hij deed het glazen deksel van zijn toonbank open en pakte mijn felbegeerde snoepgoed.

Zodra je de verpakking openscheurde kwam de zoete lucht je tegemoet. De kauwgom stond stijf van de roze kleurstof maar dat gaf niet want de medische wetenschap had het nog niet voor ongezond verklaard.
Het zat verpakt in een vettig papiertje waarop aan de binnenkant een piepklein stripverhaaltje van Bazooka Joe stond.

Je moest flink door kauwen om de bonk soepel te krijgen en dan kon je er gigantische bellen mee blazen. Had je zo’n grote bel gefabriceerd en liet je ‘m klappen dan zat je gezicht van kin tot kruin onder de roze gom.
Aan het eind van je pauze stopte je je bonk in het stripverhaal en in je broekzak.

Kon je thuis moeilijk afscheid nemen van je roze stopverf dan kon je hem laten overnachten in een glas water.

Dankzij Dick Swaab weten we dat (kauwgom) kauwen goed voor de hersenen is, want het houdt ze in beweging.
Zijn mijn stuivers tóch nog goed terecht gekomen.

Wat was jouw favoriete snoepgoed?

Bazooka Joe

Pesten 3 – juul zonder hoofdletter

Tijdelijk woon ik in het Sophia Kinderziekenhuis op de afdeling psychiatrie. Ik ben niet gek hoor, alleen een doetje dat zich weg heeft laten pesten van school. Toen ik het vertikte nog één dag naar school te gaan, wisten mijn ouders zich geen raad en volgden ze het advies van de huisarts op: het Sophia. 

Wil je deel 1 lezen, klik hier.
Wil je deel 2 lezen, klik hier.

Omdat mijn “eigen” psychiater (Paula) met zwangerschapsverlof ging, kreeg ik een nieuwe. De nieuwe was het opperhoofd van de afdeling en het onsympathiekste mens van het Sophia. Ze liep met bazige pasjes door het ziekenhuis en werd door alle kinderen “de koningin” genoemd. Ik vond dat te veel eer en noemde haar “juul zonder hoofdletter.”

Haar kamer had niets fleurigs. De muren, kasten en vloerbedekking waren grijs. De plant in de hoek stond op uitvallen.
Tijdens ons eerste gesprek droeg juul me op zo snel mogelijk haar vriendin te worden, want “een vriendin vertel je alles.”
Ik had maar één voornemen: ik ging niet huilen waar zij bij was.
Gesprekken met juul waren interviews, overhoringen. En volgens haar gaf ik altijd het verkeerde antwoord.
Ik kroop steeds meer in mijn schulp.

 

Toen ik op een dag haar kamer binnenstapte, stond er een bandrecorder. Ik kon mijn ogen niet van het apparaat afhouden.
‘Vind je het goed dat ik ons gesprek opneem?’ vroeg juul. Tegelijkertijd zette ze ‘m aan.
Ze wachtte niet eens op mijn antwoord! Ik zag de rollen draaien en schudde nee.   ‘Kun je iets harder praten, anders kan de bandrecorder het niet opnemen.’
Het liefst was ik de kamer uitgehold, maar zij was een type dat je tegenhield.

 

In haar bijzijn heb ik maar één keer gelachen en nog niet eens voluit.
Tijdens een van haar opvoedkundige monologen overviel me de gedachte: hoe het zou zijn als ik een toetje in haar schoot gooi? Die gedachte was zo absurd. Alsof iemand een luikje in mijn hoofd had openmaakt en die gedachte erin had gestopt. Krampachtig deed ik mijn best niet te lachen. Ggggg, kwam er uit mijn keel.
‘Wat is er?’ vroeg juul.
‘Niets.’
‘Heb je een binnenpretje?’
‘Sorry?’
‘Waarom moet ik altijd alles herhalen? En je let weer niet op wat ik aan het vertellen ben!’
Ik durfde haar niet aan te kijken.
Stilte.
Die immense stilte.
Ze zuchtte.
Dat zou ik ook wel willen.
Ze keek op haar horloge.
Kon ik de wijzers maar vooruit duwen.

 

Toen kwam de dag dat ze tegen me loog.
In plaats van een gesprek in haar eigen kamer, moest ik met haar naar de grote kamer met de spiegelwand.
‘Zitten er mensen achter de spiegel?’ vroeg ik.
‘Ik verzeker je dat dat niet het geval is,’ gaf juul als antwoord. Ze praatte graag ingewikkeld.

Wat denk je? Na afloop van ons gesprek, ging de deur van de kamer achter de spiegel open en kwamen er mensen met blocnotes in hun hand uitlopen. Ik stond aan de vloer vastgenageld. De mensen keken allemaal naar mij. Met z’n allen hadden ze door de spiegel naar me zitten loeren. Misschien hadden ze zelfs grapjes over me gemaakt…

Huilend op mijn kamer dacht ik: ik ben toch niet van school weggelopen op met me te laten sollen? Om met juul opgescheept te zitten?!
Ik wilde geen therapie meer van haar.
Maar hoe vertelde ik het? Ik was als de dood voor haar.

 

Op mijn vaste tijdstip liep ik naar haar kamer en bleef in de deuropening staan.
Ik keek haar aan.
Kort.
Veel te lang.
Snel zochten mijn ogen de vlekken op het tapijt; ik telde ze alle zes.
Ik keek naar de plant in de hoek waar altijd blaadjes naast lagen. Zelfs de plant hield het niet uit bij haar.
Ik zei: ‘Ik wil niet meer met u praten. Ik wil een andere dokter.’
‘Dat kan niet,’ zei ze, ‘dat bepaal jij niet.’
‘Toch kom ik niet meer,’ zei ik.
Ze lachte en antwoordde: ‘Ik ben het hoofd van de afdeling. We zullen zien wie er aan het langste eind trekt.’

Niemand had verwacht dat ik mijn woorden in daden zou omzetten en dat ik zou weigeren naar juul te gaan.
Voor straf moest ik de tijd die ik anders bij haar doorbracht – twee keer per week á anderhalf uur – met mijn armen over elkaar aan de eettafel in de huiskamer zitten.
Ik mocht niets doen en met niemand praten.
Eerst móest ik praten en nu mocht ik niet praten. Ik vond het beslist een verbetering.

Iedereen probeerde me over te halen weer naar juul te gaan, maar het idee dat zij met een triomfantelijke blik tegen me zou zeggen dat ik aan het kortste eind getrokken had, maakte dat ik het niet over mijn hart verkrijgen kon.

Uiteindelijk heb ik mijn zin gekregen en kreeg ik een nieuwe psychiater. Een man. Hij was aardig. Net een gewoon mens.