Winterwarmte

WE-300 schrijfuitdaging van Plato voor december met als thema: winterwarmte.

Ondanks haar thermokleding en winddichte jas heeft ze heeft het gevoel in haar nakie te staan. Haar handen zijn ijsklompen en ze overweegt serieus haar handschoenen uit te trekken om ze warm te plassen. Alleen de gedachte aan haar blote kont in de vrieskou weerhoudt haar daarvan.

Gek dat ze van buiten zo koud is; van binnen kookt ze. Niet alleen omdat ze verliefd is, maar ook van nijd. Ze had zelf ook wijzer moeten wezen. Ze is niet bepaald het mooiste meisje van de klas, maar dat gevoel had hij haar wel gegeven en vandaar dat ze vol overgave op zijn uitnodiging was ingegaan.
Thuis had ze van gekkigheid niet geweten wat ze eerst wilde doen: van blijdschap haar bed als trampoline gebruiken, of haar vriendinnen bellen.

Voorlopig is hij ruim een half uur te laat. Tien minuten geleden heeft ze zichzelf al uit staan kafferen dat hij haar in de kou laat staan. Het wordt tijd naar huis te gaan, maar ze wil koppig zijn. Stel  dat hij domme pech heeft: een lekke band, lege accu, file…
Ze zou het in een kroeg met de eerste de beste slampamper aan moeten pappen. Haar bloed kookt en ze moet vreselijk piesen. Toch maar over haar handen dan?

Van achteren hoort ze voetstappen dichterbij komen. Ze draait zich om. Het is nauwelijks vast te stellen welk mens er schuil gaat tussen de winterjas, sjaal en schaatsmuts.
Aarzelend zet ze stap in zijn richting. Een stoeptegel heeft net een opstaand randje en om niet te vallen grijpt ze de onbekende pardoes bij de mouw van zijn jas. Het ergst denkbare gebeurt: de man kan zijn evenwicht niet bewaren, en samen vallen ze om. Ze kijkt in de ogen van haar medeglijder en gloeit van blijdschap: hij is toch op haar gevallen!

De boom in!

 

De kerstboom staat, en ’t is net of dat ding niet weg is geweest.

Onze boom komt niet uit een bos maar uit een doos. Uitvallen dat kreng, níet normaal! Daarbij wordt de boom een tandje geholpen door Bella. Mevrouw Konijn kan er geen genoeg van krijgen  onder de boom door te “tijgeren.” Ze loopt daarbij steeds met haar dikke billen tegen de onderkant aan en dan regent het naalden. Bella houdt van snaaien, dus zet  ze steeds weer haar tanden in de boom.

Ze kan maar niet  geloven dat iets groens zo vies smaakt. Elke dag is het raak: ze neemt een hap van een dennentak, kauwt op de nepnaalden en…bah, nog viezer dan peentjestaart! Mokkend bedelt ze om een brokje om de vieze smaak weg te werken. Gebeurt dat niet snel genoeg, dan blijft ze in haar woede zitten en duwt ze met haar neus net zolang tegen een kerstbal, tot die – pats! – van een tak valt.

Toen we de kerstkransjes uit het zakje haalden, was Bella er als de kippen bij. Begerig hangt ze erbij in de buurt. Nu staat ze telkens kwijlend op haar achterste poten, maar Kind en ik hebben het lekkers  expres hoog gehangen.

Helaas heeft Bella ook nog een enorme liefde voor kabels en snoeren. In een onachtzaam ogenblik zette ze haar tandjes in het lichtsnoer. Het had weinig gescheeld of we hadden geroosterd konijn kunnen eten, óf Man had Bella gewurgd met hetzelfde snoer. Om problemen te voorkomen, hangen alle lichtjes nu een meter boven de grond. Logischerwijs is de onderkant van de boom leeg. Zie je het voor je? Wij wel.

Cadeautjes onder de boom? Laat ons niet lachen. Bella duwt alle pakjes als een sneeuwschuiver voor zich uit en verspreidt ze over de gehele benedenverdieping. De verrassing waar jouw pakje is aangekomen, verhoogt de kerstpret. Is het te groot om te verslepen? Geen nood: Bella vreet eerst de strik op, om daarna haar tanden in het papier te zetten. Wel zo makkelijk: hoeft de ontvanger zijn cadeau alleen nog maar van de grond te tillen.

Iemand die nog een goed tehuis weet voor een assertief konijn? Ter verduidelijking: het gaat om een oud exemplaar met weinig vet rond de heupen, dus vleesliefhebbers…die kunnen de boom in!

Groene bonkies

Sip kijkt Jantien naar haar bord waar elf groene knolletjes op liggen. Ze heeft een schurfthekel aan die dingen. Wat schurft is, weet ze niet precies, maar haar oma spreekt dat woord altijd met zo’n lelijk verwrongen gezicht uit, dat het wat Jantien betreft ook op deze knollen van toepassing is.

Achterlijke groene dingen. Als ze hard zijn, kun je er tenminste nog mee gooien, maar eenmaal in een pan op het fornuis, begint het gedonder: stinken! Jantien kan niets viezers verzinnen, ze eet nog liever gras.

Iedereen is al van tafel. Alleen zij zit hier nog met die schurftdingen. Haar moeder had gezegd: ‘Als ik straks terugkom, is je bord leeg, begrepen?’ Jantien had ja geknikt. ‘Wat zeg je?’ had haar moeder gevraagd, die heus wel wist dat ze niets gezegd had. ‘Ja mam,’ had Jantien zacht geantwoord. Daarna waren haar broertjes naar buiten gehold, en ging haar moeder de Kliko op de stip zetten. Nou, Jantien heeft hier nog wel iets wat de Kliko in kan. Ze prikt een groen bonkje aan haar vork en voor haar mond houdt ze stil. Alleen die lucht al…

Wat had haar moeder ook alweer gezegd? Jantien denkt er diep over na… Kijk, jokken tegen haar moeder vindt ze niet echt verkeerd, maar liegen… Ze komt overeind en kijkt voorzichtig naar buiten. Haar moeder staat met de buurvrouw te praten, en haar broertjes voetballen op ’t trapveldje. Ze is helemaal alleen in huis. Ze pakt haar bord op, loopt er mee naar de wc, en piekt de knolletjes een voor een de pot in. Ze trekt door en kijkt met voldoening hoe de spruitjes verzwolgen worden door het water. Ze heeft ze allemaal verdronken. Net goed!

En ze hoeft niet te liegen tegen haar moeder, want die had er niet bij gezegd dat ze haar bordje leeg moest éten.

Gamma in Groningen

‘Groningen was top,’ zegt ze door de telefoon.
Haar vader heeft haar zojuist opgepikt bij het treinstation en in de auto belt ze even naar huis. Niet zozeer om haar belevenissen met mij te delen, maar om te vragen of ik nog iets eetbaars voor haar in huis heb. Ik som een aantal mogelijkheden op, maar ‘Ach,’ zegt ze uiteindelijk, ‘het maakt niet zo veel uit wát het is, als het maar véél is.’

Het alleen reizen per trein was een belevenis. Alleen, ja, ze had alle mogelijke informatie bij haar, behalve waar nou ook alweer het verzamelpunt was. Ergens in de buurt van een broodjeszaak? Verderop had ze een kudde jongelui zien staan. Ze was er zo onopvallend mogelijk naar toe gelopen en had fluisterend aan een meisje gevraagd of “dit van de Gamma” was, en dat was ook zo.

Met hoogdravende gebaren vertelt ze dat ze ’s avonds tapas hebben gegeten. De gefrituurde ui-ringen vond ze het lekkerst. Die at ze zo: doormidden snijden, de ui er uittrekken, en de ring opeten. Daarna hadden ze een pubquiz gedaan. “Hoeveel inwoners heeft de stad Groningen?” Dat was een lastige vraag, maar gelukkig waren er ook vragen over economie-formules.
‘In je vrije tijd?’ informeer ik voorzichtig. Ze is totaal niet van de wijs te brengen en zegt: ‘Het was ècht lachen, man mam!’

Ze zwelt op van trots dat ze vier colleges heeft gehad. Stuk voor stuk van hoogleraren en speciaal voor hun groepje. Oh, en ze heeft ook een workshop “debatteren” met een oefengedeelte gehad.
In stilte hoop ik van ganser harte dat ze deze nieuwe vaardigheid niet al te temperamentvol thuis in de praktijk gaat brengen.

Ze heeft maar weinig foto’s gemaakt. Om precies te zijn staan er drie op haar mobiel. ‘Kijk: twee daarvan zijn bewogen want daar staan gasten op, maar de eerste foto is goed gelukt.’ Ik begrijp het: op die foto staat een stuk onroerend goed, namelijk het station van Groningen.

En dan hier – tada! – haar certificaat!’
‘Voor je CV,’ merkt Man droog op.
‘Die twee dagen waren anders indrukwekkender dan dit hele certificaat,’ merkt ze luidruchtig op. Trouwens, moet ze dankbaar zijn voor iets wat ze zelf verdiend heeft?
Debatteren…ik bedoel maar.
Of ze moe is? Ben je gek! Ze gaapt alleen omdat ze de straks zo’n honger had.
Ga toch maar je tandenpoetsen, dringen Lief en ik aan.

‘Best wel lekker, weer slapen in mijn eigen bed,’ mompelt ze tegen haar vader als hij haar instopt.
Groningen was leuk, maar je moet het niet overdrijven.

Gamma-Kind

Nee, ons Kind komt niet bij een bouwmarkt vandaan, maar een docente van school vroeg Roos of ze belangstelling had voor een Gamma Masterclass van de Rijksuniversiteit Groningen. Onderwerp: social media; er is plaats voor 24 deelnemers; en kost en inwoning worden geregeld.
Kind sloeg steil achterover. Zij? Twee dagen onder schooltijd naar Groningen? In welk een gezegend land leeft zij? Pas nog vond ze haar leven ondraaglijk zwaar.

Ze was er nog niet: eerst een aanbevelingsbrief schrijven, en door de landelijke selectie komen, maar als ze werd toegelaten, dan hád ze ook wat.
Roos ging aan de slag.
Was ik op mijn zestiende de trotse bezitster van twee zwemdiploma’s en een bewijs van goed gedrag van de schooltuinvereniging, Kind knipte met haar vingers en prompt rolden twee getuigschriften haar e-mailbox binnen. Eentje vanwege de Leerlingenraad, de ander vanwege de Schoolkrant.

Sinds Roos wist dat ze was aangenomen, kon ze niet meer normaal doen, en deinde ze door huis als een storm op zee. Dronken van blijdschap riep ze: ‘Ik wist het wel!’ Vergeef het haar: ze is nu eenmaal geen bescheiden mens.

Mevrouw moest voor vertrek nog wel het nodige inlezen over bedrijfskunde, economie, recht, en sociologie. Dit deed  zij onder het mom: ‘Ik ga er niet voor mijn lol naar toe.’
‘Oh nee, waarom dan wel?’ vroeg Man.
‘Nou, omdat dat later goed op mijn CV staat.’ Ze keek er veelbetekenend bij. Lief en ik keken elkaar in de ogen en zwegen.

Vandaag gaat Kind het avontuur tegemoet. Krijg ik haar normaal met acht paarden haar nest nog niet uit, dat vanochtend 5.30 uur de wekker ging, vond ze “cool!” Ik hoop wel dat ze in het Noorden ernstig rekening houden met haar immer rammelend maag, èn dat de Groningse moeders hun zonen binnen houden.
Nu is het slechts afwachten of Kind al haar persoonlijke bezittingen weer mee terug naar huis zal nemen, want alles wat niet aan haar vastzit, verliest ze. Maar ongetwijfeld komt ze terug met een rolkoffertje vol verhalen.

Happy feet

‘Sooooow! Wat hier staat wil ik hebben! Dit is ècht iets voor mij!’
Kind en ik kijken elkaar aan en sprinten om het hardst naar de eettafel, waar Man boven een verse stapel reclamefolders hangt. Wat In hemelsnaam Wil Hij Dolgraag Hebben? Hij weet NOOIT wat! We drommen samen rond de folder. Zijn vinger wijst naar een afbeelding.
Is dat alles? Hmm…en dan ook nog zo goedkoop…
‘Jammer, pap,’ zegt Kind met een brede grijns, ‘die winkel zit helaas voor jou niet hier in de buurt.’
Ze geeft haar vader een amicale schouderklop. Buiten Liefs gezichtsveld wenkt ze mij met een subtiele handbeweging. Ik snap er niks van, maar zij is dan ook een stuk slimmer dan ik. Wij nemen onze uitgangspositie weer in en begraven ons in ons boek. Kind reikt mij onderhands een briefje aan.

Twee dagen later: lang leve internet!
Kind verwarmt Paps cadeautje in de magnetron, en zodra hij binnenstapt, verwisselt ze de nieuwe als de sodemieter met zijn pantoffels die altijd onder zijn stoel staan. Liefs gezicht is één groot vraagteken.
‘Wat zijn dat voor badslippertjes?’
‘Die zijn voor jou.’
‘Voor mij? Is het de bedoeling dat ik die aantrek?’
‘Ja hoezo, deez wilde je toch?’ vraagt Kind ietwat beledigd. ‘en je loopt hier toch privé en uit het zicht?’  Begeerte gaat niet bepaald met Man op de loop, maar uit liefde voor zijn gezin wil hij best met opgeheven hoofd een vernederend rondje lopen. Hij trekt de voorverwarmde bordeelsluipers  slofjes aan en paradeert ermee door de woonkamer. Slof, slof, hij draait galant een pirouette, slof slof, een rondje om de bank…

Alleen al van het kijken ernaar krijgen Kind en ik warme voeten. Lief, doorgaans een tank in menselijke verpakking, ziet er ineens een stuk minder stoer uit. De emoties lopen hoog op. Kind en ik houden het niet helemaal droog. Gierend en slap van de lach vallen we elkaar in de armen.  Je moet wel enorm stevig in je tijgersloffen staan om in deze toffeltjes gezien te willen worden.

Lief kijkt naar zijn voeten en weet niet wat hij ziet. Bij elke stap die hij zet, laat hij een spoor van vulling achter: kleine warmhoudkorreltjes. Bella holt er als een stofzuigertje achteraan, totdat de smaak van een korrel tot haar doordringt en ze het minachtend uitspuugt: ze kauwt liever op een droog strootje…

Happy feet

 

 

Man geeft toe dat de slippertjes héérlijk warm zijn. Kind en ik vinden dat hij ze binnenshuis best kan dragen, we zullen hem heus niet elke dag onder zijn neus wrijven dat het geen porem is. Zo zijn wij eenvoudigweg niet.

 

 

Ruimte voor de ziel

Schrijfopdracht WE-300 van Plato met als thema: scheiding.

Het is stil in de schemerige zitkamer. De zware, dichtgetrokken veloursgordijnen laten nauwelijks een reepje licht door. Roerloos zit ze op de stoel naast het bed van haar man. Hij ademt zwaar en onregelmatig. Ze heeft geen licht nodig om te zien dat de gestalte broodmager is, zijn gezicht doorgroefd, en  zijn lichaam een schim in veel te grote kleren is geworden.

Langzaam, bijna sluipenderwijs, heeft de ziekte de regie overgenomen en hem verteerd. Hij heeft de aftakeling manmoedig ondergaan; zijn geest vele malen sterker dan zijn lichaam. Hij voelde boven alles boosheid. Boos, omdat zijn lichaam hem in de steek liet. Boos, dat het wel energie stopt in baardgroei maar niet in genezing. Hij wil en kan zich niet overgeven aan dit laatste gevecht. Omwille van haar wil hij blijven en rekt hij iedere seconde.

Toen ze elkaar leerden kennen, meer dan een halve eeuw geleden, was het net of ze in elkaars gezelschap geluid konden zien, en kleur konden ruiken. Dat was altijd zo gebleven en samen hebben ze een rijk leven gehad. Ongrijpbare gedachten fladderen door haar hoofd.

Dan neemt ze een rigoureus besluit. Ze knijpt voorzichtig in de lange, knokige vingers van zijn knoestige hand.
‘Lief,’ zegt ze zacht, haar gezicht zo dicht mogelijk bij het zijne. ‘Lief… zou je niet eens gaan…? Heeft het niet lang genoeg geduurd?’ Even zoeken zijn ogen de hare. Zijn stem is niet meer dan een fluistering. Ze voelt de reactie in zijn lichaam; alsof een last van hem afvalt.
Langzaam, als een nachtkaarsje, gaat hij uit, tot hij tenslotte stopt met ademen.
Ze weet: hij is voor altijd weg.

Lange tijd later staat ze op, loopt naar de gordijnen, schuift ze opzij en opent een raam. Nu kan zijn ziel naar buiten toe. Waar altijd kleur en geluid zal zijn.