Kerstballen

Je kan Roos’ jeugd teruglezen aan de kerstballen die in de boom hangen.
– Een egel zonder ogen. ‘Nee, hij slaapt!’ zei Roos verbolgen. Dat ik dat niet zag!
– Een metalen engel met belletjes. ‘Heel handig,’ zei Kind, ‘dan is het niet erg als jij hem laat vallen.’
– Maria met het kindje Jezus. ‘Ik vind Maria geen mooie naam,’ sprak Roosje-in-de-knop, ‘Ik noem haar Suzanne.’ Of het vanwege de naamsverandering of heiligschennis was, weten we niet, maar Maria verloor nog voor Kerst het kindeke uit haar armen. Sindsdien bungelt Jezus moederloos in de boom. ‘Ik hang er wel een rendier naast,’ zei Roos, ‘dan is-ie niet zo alleen,’
– ‘Wat is dit voor wit poppetje?’ vroeg ik, kijkend naar iets wat nog het meest leek op een kerstman in ondergoed met een flonkerend juweel in zijn buik. ‘Dat is een witte kabouter, mam. Ik vind zijn navel zo mooi.’
– Een engel zonder vleugels. Kind wilde alleen weten of ze goed vastzaten.
– Een roze big met glitters. Nog uit haar K3 periode.
– Een lolly in de vorm van een kerstlaars. Die heeft de Kerst louter overleefd omdat Kind beugelde.
– Een oranje breekloze bal. Dé uitvinding voor moeders met losse handjes.
– Voorts enkele ballen waar bij een zonnebril wenselijk is, waaronder een discobal met flikkerlicht. Ik had nog zo gehoopt dat de batterij leeg zou zijn.
– Roos’ laatste nieuw aanwinsten zijn kerstballen in de vorm van muffins.

Het had weinig gescheeld of we hadden Mevrouw Konijn ook in de boom kunnen hangen. In een onachtzaam ogenblik zette ze verlekkerd haar tandjes in het lichtsnoer. Het had weinig gescheeld of we hadden óf geroosterd konijn kunnen eten, óf Man had Saartje gewurgd met hetzelfde snoer.

Saar kan er maar geen genoeg van krijgen onder de boom door te “tijgeren.” Ze loopt daarbij steeds met haar dikke billen tegen de takken waardoor het naalden regent…en ballen. Noodgedwongen hangen alle lichtjes en versieringen een meter boven de grond. Logischerwijs is de onderkant van de boom leeg. Zie je het voor je? Wij wel…

Kerstboom

Midwinter

Noorderlicht

Met de broekspijpen avontuurlijk in zijn laarzen gestopt, stappen zijn voeten over het schelpenpaadje. Af en toe maakt het pad een flauwe bocht. Dan pakt zijn kleine broertje zijn hand vast en wriemelt zijn zusje haar hand in de zijne, waarbij het emmertje in zijn hand onhandig tegen hun benen bonkt.

Hij heeft kriebels in zijn buik want papa heeft hem een verrassing beloofd. Een verrassing die hij gisteren bij toeval op het strand ontdekte. Hij kan ‘m niet meenemen naar huis, maar zal hem wel iets leren over de baan van de aarde om de zon.
Alles wat met planeten te maken heeft, vindt Kjell super. Helemaal omdat deze maand in Zweden vrijwel nergens overdag de zon zal schijnen en iedereen naar het Noorderlicht kijkt. Hij zou dat zó graag eens willen zien. Gelukkig heeft hij een levendige fantasie.

Het pad gaat over in rul zand. Helmgras kietelt tegen zijn blote handen. Eigenlijk is het te koud om zonder handschoenen te lopen, maar voor deze ene keer mag het.
‘Kom,’ moedigt papa hem aan, ‘je bent er bijna!’
Opgetogen pakt zijn vader zijn handen vast. Hij warmt ze even in de zijne en legt ze dan tegen een ruwe rots.
‘Dit is een rotstekening van het zonnestelsel in het jaar 2000, en hier in het midden – waar je een bobbel voelt – is de zon.’

Terwijl Kjell nog hijgt van de inspanning, volgen zijn vingertoppen aandachtig de zon en de groeven in de rots. Zijn hart gaat er sneller van kloppen. Deze groeven maken voor hem een hemelsbreed verschil. Niet alleen leren ze hem iets over de baan van de planeten om de zon, maar ze leren hem ook iets over hemzelf.

Van opluchting slaakt hij een diepe zucht. Met de zoute zeelucht in zijn neus, lacht hij een stralende lach. Ineens ziet hij niet meer op tegen zijn nieuwe school met dat hele moeilijke vak. Nee, hij kan nu alleen nog maar uitkijken naar de lessen in dat o zo moeilijke geheimschrift dat braille heet.

Zweden Heestrand

Ik jou ook

‘Mijn tas is stuk,’ chagrijnt Roos.
Dat heeft ze me vorige week al geappt, dus daar hoeft ze nu ze de deur uit moet niet mee aan te komen.
‘Ik laat mijn eten wel thuis,’ zegt ze terwijl ze haar lunchpakket uit haar tas klauwt.
Is ze helemaal gek geworden! Ik heb haar broodjes gesmeerd, haar appel gevierendeeld en winterwortel in hapklare repen gesneden. Ik prop het eten weer terug.

Het valt ook niet mee voor Roos. Gisteren zat ze nog met haar vader op een terras in Zuid-Frankrijk. Mijlenver van elk strak format verwijdert en vanochtend loeide de wekker weer. Aan de andere kant: zij heeft zoete herinneringen gemaakt. Ik zat thuis in de regen. Doe ik kortaf? Nou dan.

Ze beent weg naar de keuken en rommelt vruchteloos in een kastje. ‘De kauwgom is op,’ foetert ze.
‘Je kan ook gewoon je tanden poetsen,’ zeg ik. ‘En schiet op, je mist je bus!’ Terwijl ik dat zeg, horen we een optrekkend geluid en voelen we de grond licht trillen. ‘Daar gaat-ie,’ zeg ik.
‘Nee, dat is die van de andere kant,’ zegt Roos. Even kijkt ze tevreden, dan klaagt ze: ‘Ik ben mijn OV kwijt.’
Verbaast me niets. Ze kan haar eigen kont nog niet vinden met een GPS.

‘Hierzo, nou breekt er ook nog een veter,’ jammert ze.
Dit is echt een diep trieste dag. Je zou bijna zeggen: een kutdag.
Ik trek een veter uit mijn schoen en geef ‘m aan Roos. Hé, ik zie een klein blauw pakje op de grond achter de schoenen liggen. ‘Kijk eens,’ zeg ik, ‘je kauwgom,’ en duw het pakje in haar hand.

Roos doet de voordeur open en rilt als een geschoren Chihuahau.
Ik pak haar sjaal en rol ‘m om haar nek.
Ineens komt ze dicht tegen me aan staan. Haar neus tegen mijn schouderblad.
‘Sorry, mam,’ zegt ze.
‘Geeft niets,’zeg ik vergoelijkend, ‘Ik heb jou ook gemist.’

In een deuk

In een deuk

Roos spreekt zes talen maar Koeterwaals hoort daar niet bij, dus mag ik aantreden.
Een man vult de deuropening. Hij heeft wenkbrauwen waar die van Ruud Lubbers bij in het niet vallen. Uit zijn neus en oren groeien zwierige bosjes haar. Gelukkig zit het bovenste knoopje van zijn overhemd dicht.
De man wenkt me dat ik hem moet volgen.
Ik zou niet weten waarom.
‘Oe aatoe,’ geeft hij als verklaring.

We lopen om mijn auto heen en Wenkbrauw wijst naar mijn spatscherm.
‘Ikke boes,’ zegt hij, en maakt met zijn handen een schampbeweging.
Ik kijk rond maar zie nergens een bus. Wel een deuk in mijn auto.
‘Schadeformulier invullen,’ zeg ik.
‘Nee, nee, purrtientjus,’ wijst hij naar de deuk.

Laat iemand nou vorig jaar op dezelfde plaats eenzelfde deuk hebben veroorzaakt. Kosten: 500 euo.
Ik schud nee en haal Joris erbij.
Joris krijgt een hand.
Wij menen te verstaan dat Wenkbrauw iemand bij een garagebedrijf kent die de deuk voor een “purr tientjus” repareert, doch hij kan het ook over de toestand in de wereld hebben.
Hij duwt Lief een kaartje van een garagebedrijf in zijn hand, en ik noteer Wenkbrauws naam en adres. Bij het afscheid prijs ik de mans eerlijkheid.

Joris rijdt naar de vorige schadehersteller, en krijgt een offerte mee van 520 euro.
Lief rijdt naar Wenkbrauws schadebedrijf.
‘Ik ken die man niet,’ zegt de garagist. ‘Die meneer is één keer geweest en vroeg wat het kostte om zo’n deukje te repareren. Bij “zo’n deukje” had hij met duim en wijsvinger een rondje aangegeven.

Vanwege mijn snel opspelende geirriteerdheid handelt Joris het verdere verloop af. Hij vult een schadeformulier in en stopt het bij Wenkbrauw door de brievenbus.
Week na week gaat Lief polshoogte nemen.
De smoezen die Wenkbrauw verzint zijn niet aan te slepen.
Hij heeft geen schadeformulier gezien.
Hij heeft de schade niet zelf veroorzaakt, maar een klant van hem. Lief kan die klant te spreken krijgen als hij over twee weken naar de markt in Rotterdam komt.
Hij heeft nu geen tijd een schadeformulier te ondertekenen want morgen vertrekt hij naar het offerfeest in Marokko…

Tot Joris het toverwoord “Politie,” uitspreekt.

Hoezee! Na welgeteld vijf maanden na de aanrijding krijg ik groen licht van de verzekeringsmaatschappij.
Aardig dat Wenkbrauw aanbelde om zijn daad te bekennen. Zal hij daar nou spijt van hebben, vraag ik me af, of is dat een erg valse gedachte?

Stoelendans

De bel gaat.
Op de stoep staat een jonge vrouw. ‘Bent u uw groene ton kwijt?’ vraagt ze. Ze draagt blauw/zwarte kleding en om haar heup hangt een koppel. Is zij van de buurtwacht?
Ik doe een paar stappen naar voren, kijk naar rechts, en zie onze groene ton gezusterlijk naast de grijze staan.
‘Nee,’ zeg ik, ‘onze ton is niet kwijt.’
‘Dat is niet uw ton, mevrouw,’ zegt ze.’
‘Dat is wel mijn ton,’ werp ik tegen.

‘Dat is niet de ton die op uw huisadres geregistreerd staat,’ zegt ze streng. Met haar wijsvinger tikt ze op een apparaatje dat de grootte heeft van een mobiele telefoon. ‘Heeft u uw ton gisteren op de voorgeschreven plek laten legen?’
‘Ja,’ zeg ik. Dat lijkt me beter dan hem leeg te storten in de voortuin van de buurman die aan vechtsport doet.
‘Hoe lang heeft u die ton al?’ vuurt ze de volgende vraag af.
‘Achttien jaar,’ antwoord ik. ‘Waar gaat dit over?’
‘Ik heb een klacht van een bewoner van de straat hierachter. Uw ton bezorgt daar al veertien dagen overlast. En die ton  – wijst ze streng – Is Niet Van U.’
Nou, dat zal me jeuken; hij doet het toch goed?

Voor de lieve vrede laat ik me van mijn welwillende kant zien, trek mijn jas en schoenen aan, en achtervolg de vrouw naar wat mijn ton zou moeten zijn.
‘Deze staat op uw huisadres geregistreerd,’ zegt ze. Ze kijkt erbij als een generaal die een veldslag gewonnen heeft.
Ik voel me werkelijk een stuk rijker dan toen ik vanochtend uit bed stapte.
‘Wordt u er gelukkig van als ik hem omruil?’ vraag ik, terwijl ik de deksel optil.
‘Ja, mevrouw, ‘ zegt ze, ‘als u dat zou willen doen, graag.’
Het blijkt geen slechte ruil. Ik heb nog nooit met een romantische bril naar een kliko gekeken, maar in deze zit geen lijk, hij is geleegd en op de buitenkant zitten stickers van vlinders. Blauwe vlinders.

De vrouw ontfermt zich over mijn ex-ton.
Eén vraag brandt op mijn lippen. ‘Van wie is-ie?’
Ze tikt het nummer in het apparaatje en er bliept een adres uit. ‘Deze informatie mag ik helaas niet met u delen,‘ zegt ze.
Dan zeg ik lekker ook niet dat de groene ton van de buren in hun garage staat en ik daar de sleutel van heb. ‘Goedemiddag!’

De komende drie uur loopt de vrouw verhit de straat op en neer om bij elk huisnummer de juiste ton af te leveren.
Aan het eind van de dag kunnen alle wijkbewoners met een gerust hart naar bed.

Huishouden

Persoonlijke schrijfopdracht van Plato met als thema: huishouden.

Deskundig speurt hij met de Swiffer in zijn hand de woonkamer rond. Vanochtend heeft hij alles gezeemd, maar stof valt heel de dag door naar beneden. Dat zie je, zeker wanneer je zoals hij dagelijks de ramen zeemt en zonnestralen vrij naar binnen schijnen.

Hij kent mensen die boekenplanken hebben met een grijze waas eroverheen. Of die televisie kijken zoals ze vroeger in koude winters naar buiten probeerden te kijken: eerst tegen het glas blazen en  dan met je hand een opening in een ijsbloem poetsen. Of mensen bij wie je voeten vastplakken aan de keukenvloer. Zelf poetst hij alles tot het blinkt. Hij is trots dat zijn kookplaat zo glanst dat hij zijn spiegelbeeld erin kan zien.

Na de dood van zijn vrouw kreeg hij zo’n enorme dreun van eenzaamheid, dat hij bedacht ter afleiding de meest vlekkeloze schoonmaker ooit te willen worden. Niet dat hij er plezier aan beleeft. Na zichzelf een weekend lang grondig geobserveerd te hebben, was het tot hem doorgedrongen dat hij een slaaf van zichzelf geworden was. Dat hij geen leven meer had, zo ernstig zat hij bij zichzelf onder de plak.

Sinds hij in therapie is, gaat het gelukkig wat beter. Hij kan er al voorzichtig grapjes over maken: “Ik ben S en heb metvrees.” Dat was het begin van de stap vooruit.
De therapeut had gezegd dat hij niet mocht verwachten dat hij van de ene op de andere dag genezen zou zijn, maar dat het juist in kleine stapjes moest gaan. Daar is hij zich van bewust en daarom is hij ook zo tevreden over zichzelf. Twee vliegen in een klap, daar houdt hij van!
Glimlachend pakt hij de bloemenvaas. Hij gooit de bloemen weg, spoelt de vaas schoon en gooit er een tablet Steradent in, samen met zijn kunstgebit.

Vanillevla met mayonaise en zwarte spikkels

Tegenover ons tafeltje komt een stelletje zitten. Hij heeft korte, bruine krullen; zij een verpletterende schoonheid. Ze bestellen wat te drinken en bestuderen de menukaart. Het meisje knikt dat ze een besluit heeft genomen, en legt de kaart weg. De jongen staat op en zegt: ‘Bestel voor mij maar hetzelfde als voor jou. Ik ga even naar het toilet.’
Ze lacht koket en blaast hem een luchtkusje toe.

Nou, nou – denk ik – die heeft het goed te pakken.

Kind doet een spelletje, Lief zit te internetten op zijn aaifoon, en ik volg het gesprek bij de buren.
In afwachting van hun bestelling, kwebbelen ze er lustig op los. Zij buigt zich steeds verder over tafel. Nog even en de jongen kan via haar decolleté haar navel bestuderen.
Bij haar gebeurt alles aan de oppervlakte; hij doet iets afstandelijker. Misschien kan hij het nog niet bevatten dat deze blondine haar licht laat schijnen over hem.

‘Eigenlijk houd ik niet zo van knoflooksaus,’ bekent hij als hun Pizza Calzone geserveerd wordt. Zij neemt dat voor kennisgeving aan en begint verwoed te eten. Voor iemand die niet van knoflooksaus houdt, werkt hij de pizza met de berg saus in een sneltreinvaart weg.
‘Moet jij nou vanavond op de bank slapen?’ informeert hij langs zijn neus weg.
Aha, denk ik, nu komt de aap uit de mouw, ze is al voorzien! Geen wonder dat hij enigszins gereserveerd doet.
Haar houding verandert van het ene op het andere moment. In plaats van nog langer met hem te flirten, kijkt ze hem strak aan.
‘Ja, je woont samen of niet,’ doet hij er nog een schepje bovenop.
Na deze opmerking bekoelt de conversatie.
Hij stelt voor nog een ijsje te nemen.
Zij zegt snibbig dat ze een muntthee met honing wil.

Ons eten wordt gebracht. Eindelijk, ik lust wel een heel paard! Toch kan ik een rilling niet onderdrukken.
‘Heb je het koud?’ vraagt Joris, en vervolgt in één adem: ‘Wat is dit?’ Op één helft van zijn bord ligt een Pizza Calzone, de andere helft is bedekt met een witte brij: een kruising tussen vanillevla en mayonaise met zwarte spikkels.
Ik gruw ervan en zeg met een alwetende blik: ‘Dat is knoflooksaus.’
De hoeveelheid saus is zelfs Joris teveel. Hij wappert met zijn hand de lucht weg. Dat mislukt jammerlijk.
‘Vraag een schoon bord met minder saus,’ adviseer ik. Ook dat wuift hij weg.
Je hoeft niet te vragen wie erbij ons vannacht op de bank slaapt.

Dronken

Ik ben dronken maar niet van de drank. Jammer; had ik er ten minste nog lol van gehad. Door de verhoging van mijn medicijnen ben ik ongeschikt machines te bedienen en auto te rijden, dus moet ik voor de boodschappen op de fiets naar het dorp toe. Ik duim hartstochtelijk dat ik geen bekende tegenkom. In deze staat van ontwrichting kan ik dat er absoluut niet bij hebben.

Schichtig kijk ik de winkel rond. De kust is veilig. Mijn ogen zitten dicht van slaapgebrek. Op de tast pak ik levensmiddelen uit de schappen en kwak ze in het karretje. Sta ik bij het pasta-schap, gooit een winkelwagen van rechts zich voor het mijne.
‘Hé…Mirjam,’ roept een rood gestifte mond.
Oh nee, denk ik, niet zij, niet Emerenske, waar heb ik het aan verdiend? De grootste roddelnicht van het hele dorp. Ze ziet er altijd tiptop uit. Vergeleken met haar voel ik me een slons. Net wat ik gebruiken kan.
‘Zag ik jou nou laatst op de dijk fietsen…kan dat?’ vraagt ze, mij onderzoekend aankijkend.
Ik knik ja, want dat is het makkelijkst.
‘Ik zwaaide nog, maar jij zwaaide niet terug,’ zegt ze verongelijkt.
‘Sorry, ik zag te laat dat jij het was.’
‘Heb je last van je ogen?’
‘Ja, hooikoorts,’ lieg ik.
‘Ik wist niet dat dat kon in de herfst.’
‘Zolang het boven de tien graden is, groeit het gras, en heb je pollen.’ Ik sta versteld van de  onzin die ik uitkraam.

Daarna vallen haar woorden als een waterval. Emerenske oreert en ik luister. Iets terugzeggen is overbodig. Ze verteld wat ze heeft gekocht, waar en wat het wel niet kostte…over de bouw van hun tweede huis in Portugal…’

Ik wil weg, maar haar karretje blokkeert het pad. Alleen in z’n achteruit kan ik ontsnappen. Dat mens lult maar raak. Hoe kom ik in hemelsnaam onder haar uit? Ongelogen, op datzelfde moment hoor ik muziek en begint Frans Bauer te zingen. Dit is voor het eerst in mijn leven dat ik blij ben dat ik de man hoor, al klinkt het alsof hij met z’n hoofd in een emmer zit.
Emerenske pakt haar telefoon en maakt een verontschuldigend gebaar naar mij.
Geeft niets, mimiek ik, kan iedereen overkomen. Ik weet niet hoe snel ik mijn hielen moet lichten.

Buiten, naast de fiets, hoor ik een bekende stem mijn naam roepen. Alsjeblieft niet, straks vraagt ze of ik bij haar op de koffie kom. Of erger nog: zij bij mij! Flink zijn, meid, moedig ik mezelf aan, doe net of je gek bent, dat is je allerbeste eigenschap, en stap op die fiets. Met bovenmenselijke krachtsinspanning rijd ik slingerend en met gevaar voor eigen leven tussen de auto’s door richting huis.

Om de hoek komt een kennis te paard aanrijden. Een lieverd, maar oeverloos lang van stof. En ze wil almaar dat ik op de thee kom. Ik snap al die mensen niet, alsof ik zo’n leuk mens ben. Ik neem geen risico en verstop me achter de garagedeur.

Als de paardenbillen voorbij zijn, gooi ik de deur open en stap naar buiten. Samen met de boodschappentas, want ik was vergeten dat ik ‘m daar had neergezet. Ik val op straat en kijk de rode kool na die van de stoep naar het midden van de weg rolt. Als iemand vandaag een borrel verdiend heeft, ben ik het.