Frontaal gebotst

Keek op de week (54)

Hebben nieuwe gasaansluiting. Mannen met baarden groeven grond open. Klapten bord uit: “Roken en open vuur verboden” met aan weerszijden rood brandblusapparaat. Zag er indrukwekkend uit.
Koffie ging er bij baarden in als koek.
Installeerden nieuwe pijp en drie uur later was klus geklaard.
‘Mevrouw, u mag cv-ketel resetten. Weet niet wat voor ketel u heeft,’ zei oudste baard.
Antwoordde schaapachtig: ‘Ik ook niet.’
Liep naar zolder, maakte foto van bedieningspaneel en holde terug.
‘Díe knop moet u hebben.’
Was makkie. Verwarming deed het weer. Lekker, joh!

Had gekookt. Doe dat vaker: aardappelkroketjes, gezonde groenten, en zalm omwikkeld met ontbijtspek uit oven.
‘Welke stuk wil jij?’ vroeg ik aan Joris.
‘De kleinste,’ zei hij.
Legde kleinste stuk zalm op eigen bord.
Wilde groter stuk op Joris’ bord schuiven maar Man duwde opscheplepel  terug. Vis verloor z’n evenwicht – hij leefde nog – en spartelde zo in Joris’ schoot.
Het huis was te klein.
Paar uur later kwam Roos thuis van college en plofte uitgeput op bank.
Man deed beklag over welk geploeter met vis hem was overkomen. Had verwacht door dochter met respect en meelevende blik bekeken te worden, doch Roos sprak  toonloos: ‘Nou, dan heb je echt wat meegemaakt.’

Het was typisch, naargeestig januariweer.
Op de dijk reed idioot achter me met flinke haast; zijn zenuwstelstel rechtstreeks verbonden met gaspedaal. Kleefde niet op me maar ín me en zou me weldra vooruit duwen in zijn macho Badkuip Met Wielen.
Joris en therapeut beweren bij eb en bij vloed dat ik temperamentvol type ben maar ik weet beter. Reed maximum snelheid en ging langzamer rijden.
Idioot besloot me in te halen via parkeervak aan linkerzijde van weg. Was kamikazeactie: pal vóór onoverzichtelijke bocht in dorp, en te weinig ruimte.
Remde onmiddellijk, rolde traag door bocht en zag het fout gaan.
Rechts langs de weg – pal naast woonhuis – stond kruiwagen met berg zand. Idioot moest links geparkeerde auto’s omzeilen, maar kon door hoge snelheid niet tijdig bijsturen, slipte en reed met hels kabaal frontaal tegen kruiwagen. Kwam paar meter verderop in grind tot stilstand. Schrok me het lazarus.
Trillend als mispelblad zette ik auto aan de kant en stapte uit. Als er niemand thuis was, zou ik briefje door brievenbus doen dat ik wilde getuigen.
Hoorde bestuurder luidkeels vloeken, voetstappen in grind, en diepe basstem brullen: ‘Wat een áchterlijke actie! Hoeveel seconden tijdswinst heeft het opgeleverd? Geen moer! Ik hoop dat je goed verzekerd bent, knul…’
Wist genoeg en draaide me om.
Kon onderweg maar aan één ding denken: wat als kruiwagen een kind was geweest?

Ook alweer twee jaar geleden…

Draaideurpatiënt

Afgelopen jaar heb ik diverse disciplines in de geneeskunde bezocht.

Nergens vind je zo’n afspiegeling van de maatschappij als in wachtruimten van ziekenhuizen.

Twee dames uit het hogere segment namen naast mij plaats. Ze droegen zoveel make-up, het leken wel wandelende schilderijen.
De vrouw met paardenstaart diepte uit haar tas een tablet op. ‘Er is hier toch wel gratis wifi, hè?’ vroeg ze met een kak-rrrr aan haar vriendin.
‘Vast wel,’ antwoordde die geruststellend.
Paardenstaart liet foto voor foto voorbij glijden. Zijdelings loerde ik mee en zag een witte keuken. Herstel: een witte vlek. Vloer, plafond, apparatuur, kozijnen, lampen, kookeiland…alles was uitzichtloos wit.
‘Was een klus de perfecte handgrepen te vinden,’ klaagde Staart. ‘Alles heeft een ribbel of randje.

Ik weekte mijn ogen los van het scherm en keek naar twee dames links van mij. Qua opstelling en gedrag zouden ze een tweeling kunnen zijn. Een stoïcijnse blik; handtas op schoot; gehuld in pleisterkleurige kousen en comfortschoenen.

Tegenover me liet een jongeman met overtuiging een boer. Zijn moeder stootte hem met haar elleboog vinnig aan.
‘Wat nou!’ riep de knul.
‘Je benniet thuis!’ snerpte ze.
De zoon zette een ongeïnteresseerde blik op en schraapte een rochel omhoog.

Een echtpaar kwam binnen. De vrouw in beige regenjas dirigeerde haar man naar twee stoelen. ‘Ga jij daar zitten. ik regel alles.’
Na zich gemeld te hebben bij de balie ging ze naast haar man zitten. ‘Ik denk dat we zo aan de beurt zijn,’ zei ze voldaan.
‘Mens, heel de wachtkamer zit vol,’ bromde haar man.
‘We hebben een afspraak om 15 uur 15 en tijd is tijd,’ zei de vrouw op afgemeten toon.

Paardenstaart veegde verder en we belandden in de woonkamer. Wederom alles wit.
‘Mooi, hè?’ wees ze naar het behang. Het lijkt simpel, maar wit behang uitzoeken…’
‘Zullen we straks beneden nog even koffiedrinken?’ onderbrak haar vriendin de monotone rondleiding.
‘Hier om de hoek kunnen we gratis koffie pakken,’ antwoordde Staart. ‘Weet je hoeveel kleuren wit….’

Mens, mens, wat een geleuter.
Ik was een halfuur te vroeg en de afspraak liep een halfuur uit. Ik trok het effe niet meer, stond op en ging op zoek naar de koffieautomaat waar Staart het over had.
Op de gang rolde een oudere man in een stoel voorbij die tegen zijn zoon foeterde: ‘Koken kon ze ook niet! Ik had dat mens veel eerder de deur uit motten douwen!’
‘Rustig nou maar, pa. Ze is nu toch weg?’

De koffieautomaat om de hoek bleek ook heet water te verschaffen, en met die oogst liep ik terug de wachtruimte in, en ging in de buurt van de Tweeling zitten. De afwezigheid van witte ruis beviel me maximaal. Net toen m’n beker water leeg was, verscheen de neuroloog.

‘Nu zijn wij aan de beurt,’ zei de vrouw van de regenjas, en sjorde aan haar man ’s arm ten teken dat hij overeind moest komen. Hij ontworstelde zich aan haar greep maar ging toch staan.

‘Mevrouw Kakelbont,’ riep de neuroloog.

Moeten wachten in een ziekenhuis kan een tergende bezigheid zijn.
Aan mij lag het niet: zes minuten later stond ik weer op de gang.

De flamingo en de krokodil

Keek op de week (53)

Ben door cvs snel overprikkeld voor licht en geluid. Werd Oudejaarsdag gallisch van  vuurwerkknallen; leek wel oorlog. Deed oordoppen in maar KA-BOEMSs kwamen er doorheen. Roos wist oplossing. Gaf me haar hoofdtelefoon met omgevingsgeluidendemper. Zocht op YouTube naar crackling fireplace with thunder, rain and howling wind, duwde me in een stoel en zette zelfgeklopte cappuccino voor m’n neus.
Ondanks Kinds goede zorgen is mijn enige voornemen: ga laatste dag van dit jaar onder steen liggen.

Had zin uit comfortzone te stappen en besloot Nieuwjaarsduik in de Lek te maken in naburig dorp. Samen met stuk of zestig andere idioten. Gekleed in rookworstmuts en badpak (was bang dat door kou m’n bikinibroek op m’n enkels zou zakken) rende ik over aangeharkte strand door vrijwilligers het ijskoude rivierwater in. Snel door de knieën zakken tot schouders nat zijn en metéén weer eruit.
Alleen in gedachten, hoor. Ben toch niet gek?

Dit krijg je wanneer in huize Kakelbont iets op de grond valt: Saar zet haar gebit erin.

Gewend aan dergelijke tandafdrukken, keek ik verheugd bij zien van deze kaart uit Belarus.
Deze Postcrosser heeft óók huiskonijn!

Helaas. Mijn enthousiaste verdampte tot vriespunt na lezen van bijgevoegd briefje van Tante post:

‘Wat vind jij de allerbeste voetballer van de wereld?’
Jongen dacht tijd na, riep toen: ‘Kuyt!’
‘Die voetbalt niet eens meer.’
‘Nou en? Ik vind hem de beste, Floyd.’
‘Dan vind ik Gullit de beste. Hij is een legend,’ antwoordde Floyd.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten gaf hij een loeier tegen voetbal.
‘Naast!’ riep Kuyt en holde achter bal aan.
Floyd riep: ‘Schiet ‘m tegen die hond!’
Kuyt keek aarzelend van vriendje naar mij en Rosa.
Ik wilde zeggen: ‘Dat doe je maar één keer,’ maar beheerste me. Jongens waren 9 of 10 jaar en gewoon beetje baldadig.
‘Zijn jullie goeie voetballers?’ vroeg ik.
‘Ja! Ja! Ja!’ juichten ze.
‘Goeie voetballers schieten niet op honden.’
‘Het was ook maar een grapje, mevrouw.’
‘Ik wíst het!’

Heb zo’n leuk nichtje van twee jaar en handvol maanden.
Jolie zat met ouders en grootouders aan strand op Curacao en speelde met zand, zee, en schepjes.
Er stapte een flamingo voorbij. Gefascineerd keek Jolie naar het beest. Gilde blij: ‘Mama, kijk! Een krokodil!’

De netelige situatie

Teun stapte het grand-café binnen en ging aan een tweepersoonstafeltje bij het raam zitten.
Een kerel sleepte een kerstboom achter zich aan en gooide ‘m naast de deur van het etablissement op de grond. Binnen begroette hij de uitbater joviaal: ‘Mijn beste wensen nog! Ik kom voor m’n gratis bakkie koffie.’
‘Gratis koffie?’ zei de eigenaar. ‘Dat is een vergissing.’
‘Het stond in de krant,’ hield de man vol.
‘Géén advertentie van ons,’ antwoordde de uitbater kortaf.

De man van de kerstboom liep als een geschopte hond weg en liet als blijk van waardering de deur openstaan.
Kwaad beende de eigenaar hem achterna: ‘He! Neem je boom mee!’
De wegloper draaide zich even om en riep: ‘Smerige vrek!’
Een juiste typering, constateerde Teun tevreden.
‘Dat is toch niet normaal?’ zei de uitbater terwijl hij de winterkou buitensloot, en vroeg aan Teun wat hij wilde drinken.
‘Een koffie, graag.’

Terwijl Teun in het kopje roerde, legde hij met zorg het erbij gekregen speculaasje apart.

De kerstbomen naast de deur stapelden zich op.
Binnen liep alles in het duizend. Toeristen wilden uitsmijters, kantoorpersoneel broodjes, dames een high-tea en ex-kerstboombezitters koffie.
Die laatste groep was het grootst en brutaalst. Ze bezetten met hun auto’s alle parkeerplaatsen, en een oude dame had zelfs het lef haar mini-boom mee naar binnen te nemen. Bij iedere stap die ze deed, dwarrelden naalden op de grond. Het personeel – een echtpaar van middelbare leeftijd – raakte zo overprikkeld dat hun zenuwen wel moesten exploderen.

Razend van drift plakte de uitbater een met dikke stift beschreven vel papier naast de deur. Mensen die het lazen kiepten hun boom morrend bij de stapel die er al lag, en keerden het café de rug toe. Niets was meer zeker in het leven en dat begon al op twee januari. De rest van het jaar zouden ze het pand zeker mijden.

Uit zijn jaszak pakte Teun een plastic zakje. Hij belegde de van huis meegenomen boterhammen met twee speculaasjes en begon te eten.
Direct liep de eigenaar naar hem toe: ‘Meneer, u zit hier al de hele ochtend en heeft slechts twee koffie besteld! Het is niet toegestaan meegenomen etenswaren te nuttigen.’ Op zijn gezicht stond geschreven dat zijn glimlach voor de rest van de week in stukken lag.
Teun zag het als geestelijke fysiotherapie om niet te gaan schuddebuiken. Hij hield zijn gezicht zo neutraal mogelijk, en antwoordde mild dat hij pas zou vertrekken wanneer het hem beliefde en dat dat pas was nadat hij zijn boterhammen had opgegeten.

De aderen in de nek van de uitbater zwollen nog verder op.
Zich geen raad wetend met zichzelf en de situatie liep hij naar buiten. Bij het zien van de berg naaldbomen op zíjn stoep kon hij nauwelijks ademhalen en belde hij de politie. Die raadde hem aan de gemeente te bellen. De gemeente zei: ‘Wij versnipperen geen kerstbomen van particulieren.’
‘Ik ben geen particulier en het zijn NIET mijn kerstbomen!’ loeide de eigenaar als een misthoorn door de telefoon.

Teun stond bulderend van de lach op, pakte zijn telefoon en maakte een foto van de stapel dennen die het waterige zonlicht begonnen te verduisteren. Zijn spel zat erop. Het plaatsen van de advertentie in de lokale courant had hem heel de ochtend reuring opgeleverd, en het was hem elke eurocent waard geweest.
Had de uitbater zijn kleindochter maar niet moeten belazeren. Merel had met hard werken in de drukke decembermaand 60 euro tip verdiend, en die had de eigenaar  in eigen zak gestoken.

Na de foto rekende Teun de koffie af. Hij gaf geen tip. Hij keek wel uit.

Tussen kerst en oliebol

Keek op de week (52)

Laatste week van jaar is tevens de vreemdste. Ben alsmaar kluts kwijt welke dag het is.
Hoedanook: nog één dag en dan is 2017 geschiedenis. Prima; ben er klaar mee.

Roos hervond zich snel na overdosis slaap. Ging naar kerstmarkt in Maastricht (wat je ver zoekt, is lekker), naar hightea, had filmavondjes en bakte er lustig op los. Homemade granola, bananenbrood en overheerlijke koekjes. En dat alles zonder suiker. Als dát niet zoet is…

Hoezee! Kon regenlaarzen ophalen.
‘Dat is dan 75 euro,’ zei verkoopster in schoenwinkel.
Amuseerde me kostelijk.
‘Er zitten nieuwe zolen onder, hoor mevrouw,’ zei het kind nuffig.
‘Nieuw? Moet je zien, de kiezelsteentjes van m’n laatste rondje zitten er nog tussen. Wat staat daar op je kaartje?’ wees ik.
Verkoopster bekeek het langdurig; alsof ze iedere letter afzonderlijk spelde.
Ik had het woord ondersteboven al zien staan.
‘Garantie,’ zuchtte ze en keek erbarmelijk teleurgesteld.
‘Bedank je bazin voor de service,’ zei ik terwijl ik de winkel uitliep.

Kwam terug van wandeling met Rosa. Onderweg naar huis besloegen alle autoramen. Moest ’s middags nog weg en had geen zin ramen aan binnenkant droog te maken, dus liet raam aan bestuurderskant 10 cm openstaan.
Tijdens lunch ging de bel. De buurman: ‘Weet je dat je autoraam openstaat?’
‘Bedankt dat je het komt zeggen! Ik doe het expres, dan kan het vocht eruit.’
‘Het regent!’
‘Ja, dan nog is m’n auto vanbinnen vochtiger dan buiten.’
Buurman voelde nog net niet aan m’n voorhoofd.
Halfuur later: weer de bel. Hield m’n hart vast. Voor de deur stond onbekende, verregende vrouw achter kinderwagen. ‘Weet u dat uw….’
‘Fijn dat u het komt zeggen, dank u wel! Ik zal ‘m meteen dichtdraaien,’ loog ik. De kans dat ze binnen halfuur weer langs zou lopen, leek me klein.
Dat ge-bemoei: je zou er een warm gevoel van krijgen.

En nu: op naar 2018! Een nieuw jaar met nieuwe kansen.
Lezers: bedankt voor jullie trouwe bezoekjes, aanmoedigingen in tijden van nood, en reacties. Mijn diepe dank voor jullie lieve kaarten, whatpps en cadeautjes. Ga daar vooral mee door.
Veel liefde, voorspoed maar vooral een goede gezondheid. Met veel slaap (-:

♥ Dat het beste van het afgelopen jaar, het slechtste mag zijn in het nieuwe ♥

Stukslaan

Keek op de week (51)   

Had 2,50 euro gespaard bij Krui.dvat en ging die stukslaan. Wilde smeersel voor na het douchen en Niv-ea was in aanbieding: 1 + 1 gratis. Pakte twee flessen en oh…horror, las waarschuwing: “Bij twee producten gratis cd van Nick en Simon.”
Wond me vreselijk op. Kunnen ze wel? Alsof leven van gemiddeld mens vlak voor kerst al niet ingewikkeld genoeg is.
Weet trouwens na tig jaar en diverse ezelsbruggen nog steeds niet wie wie is.
Wat moest ik doen om aan cd te ontkomen? Eén fles terugzetten? Aan m’n roodkoperen fluitketel! Zou cd weigeren of – indien caissière aandrong – ‘m aan eerste de beste voorbijganger geven. Desnoods als sjoelschijf gebruiken in winkelcentrum…
Maakte me nodeloos ongerust: cd was op. Ongelofelijk.

‘Schrijf jij nog steeds?’ vroeg man naast me in apotheek.
Kreeg terplekke bijkans zenuwinzinking. Vroeg aan binnenkant van m’n hoofd: wie ís die man? Kreeg geen antwoord.
‘Hoe…eh…weet u dat ik schrijf?’
Kerel keek me wazig aan; alsof ik uit een ui kwam.
‘We hebben ooit op schrijfles gezeten. Vier bijeenkomsten; tien personen.’
Gaapte man aan. Hij had een door het leven getekend gezicht en piepende longen. Maar wát een geheugen.
Het begon langzaam te dagen in mijn Oosten: dit was de man die altijd voorlas uit eigen werk. Hij zag er onschuldig uit.
‘Ik schrijf nog wel eens,’ bekende ik. ‘En u?’
‘Geen tijd meer voor,’ zuchtte hij.

Lekkende regenlaarzen weggebracht.
‘Ik moet speciale lijm bestellen, mevrouw, dus het kan even duren,’ zei bazin van schoenenwinkel.
‘Geeft niet,’ zei ik, ‘áls ze maar gemaakt worden.’

Kind verkeerde afgelopen week één dag in vegetatieve toestand.
Sinds september doet ze dubbele Master aan het Erasmus. Met logischerwijs dubbele tentamens, terwijl dubbele colleges gewoon doorgingen. Ook ’s avonds.
Na tentamen nummer negen, kwam ze thuis met krijtwit gezicht. Zag niet waar Roos ophield en de muur begon.
Ik duwde haar trap op naar boven en Kind liet zich languit op ons bed vallen. Ze sliep voor haar lijf het matras raakte. Deed haar naam eer aan: DoornRoosje.

‘Mannen,’ hoorde ik een vrouw voor me met breek-me-de-bek-niet-open-gezicht tegen een kennis zeggen. ‘Hij ziet het verschil niet tussen een citroen en een grapefruit. Allebei geel, zegt-ie dan.’
‘Die van mij kan ik ook niet om een boodschap sturen,’ sprak kennis moedeloos.
Wilde iets zeggen maar bedacht me. Stel dat ik – naar eer en geweten – zeg dat Joris zelf boodschappenlijsten maakt, alle inkopen doet, let op uiterste verkoopdatum en thuis alles inruimt, dan wil een van die vrouwen ‘m straks hebben, en kan ik zelf boodschappen voor heel de week gaan halen. Doei!

De kerstboom staat. Kaarten stromen binnen. Zelfs cadeautjes!
Kreeg van lieve Zus een DIY optuigkerstboom door brievenbus (-: Met lichtjes: een baken in het donker.

Lieve lezers: fijne kerstdagen! Maak het vooral gezellig met allen die je lief zijn…

 

Een wees van 200 kilo

Schoonbroer en –zus kochten in september een nieuw huis. Daarin stond een wees van ruim 200 kilo die nog door de zoon van de (dementerende) eigenaresse verkocht moest worden.
‘Iets voor jou, nicht?’ vroeg Zwager. ‘Het is een bekend merk: een Schimmel.’
Ook al sprak Zwager het op z’n Duits uit, ik moest toch meteen aan het paard van Sinterklaas denken.

Roos was op slag zwanger van de zenuwen. Verlangend keek ze haar vader aan maar die kapte het meteen af. ‘Dat krengt dateert nog van voor de Golfoorlog!’
‘Nou en? Op een oude piano kan ze het toch leren?’ suggereerde ik maar Joris zweeg in alle plaatselijke dialecten.
Jammer, want Roos is vier jaar geleden op keyboard-les gegaan om ooit over te kunnen stappen op piano.

De eigenaar zette het muziekinstrument op MP: “Bieden vanaf 100 euro.”
Er brak een storm los. Een kenner belde op: ‘Meneer, u weet niet wat u in handen heeft. Aan een muziekhandelaar kunt u er minstens 1200 euro voor vragen. De piano dateert van 1970 en is er een uit “de vijfde serie.”’
Whatever that may be.

Van de eigenaar mochten wij de piano voor 750,00 euro kopen.
Dat bericht raakte bij Man de juiste snaar. Die oude piano was geen risico maar een investering.
Roos verloor gek genoeg op slag alle belangstelling want zij vond het muziekinstrument te duur.
Ik zei: ‘1200 euro? Zijn die toetsen soms van ivoor? Dan komt die piano er bij mij niet in!’
Joris lachte honend. ‘Onnozel halsje. Eén ivoren toetst kost al 1200 euro.’
Daar zat wat in, waarop ik maar knikte.

’s Avonds ontving Kind een appje van oom Tony: “Als je de piano nog wil, moet je snel zijn!”
Joris lag al gestrekt.
Wat nu?
Ik stelde voor: ‘We vragen de maten en als we plaats hebben, doen we het.’

We hadden geen rolmaat maar wel twee linialen en…plek.
Roos – eeuwige twijfelkont – moest zowat aan de zenuwpillen.
‘We doen het,’ zei ik.
‘Je bent gek!’ riep Roos.
‘Nee hoor. Die piano valt je toe. Zie het als een buitenkans.’
Vol verwachting klopte haar hart, zwijmelend ging ze overstag en appte: ‘Ja!’
Ze legde een briefje op haar vaders ontbijtbord: “We hebben de piano gekocht!” en sprong daarna butsen in de parketvloer van blijdschap.

Nu zijn we een piano rijker. Onderhand kunnen we een huiskamerorkest beginnen met een keyboard, gitaar, ukelele, en diverse mondharmonica’s. (Iemand trek in koffie?) En er komt een geluid uit dat oude kreng!

Vorige week vroeg de buurvrouw: ‘Wie van jullie speelt er piano?’
‘M’n dochter,’ zei ik. ‘Hebben jullie er last van?’
‘Oh nee! We vinden het práchtig.’

Wanneer Roos speelt, zitten Joris en ik op de eerste rang.Ze speelt muziek van de Beatles, Keane, Coldplay en Tom Odell maar ook klassiek.
Deez bijvoorbeeld. Toevalligerwijs ook uitgevoerd op een Amerigo.

 

De verschrikkelijke sneeuwvrouw

Keek op de week (50)

Joris, Roos en ik betraden oude sodafabriek. Het pand van eind 19e eeuw – waar fotografen camera’s te kort komen – was een feest.
En koud! Maar binnen moesten onze hersenen zo hard werken dat we kou vergaten.
Wij – drie volwassenen in bezit van volledig verstand – lieten ons vrijwillig en tegen betaling, een uur opsluiten voor zinloze maar onweerstaanbare bezigheid. Opdracht: zoek de ketting die een zielig meisje bevrijdt uit klauwen van Dracula.
Alles draaide om cijfers en codes. Code op juiste kistje leverde nieuw spel-onderdeel op: een legpuzzel, sudoku, vreemdsoortige letters, XVI “vertalen” in vier cijfers, geurzakjes determineren en veel, veel raadsels oplossen, zoals:
1) Ik kan niet zonder zuurstof maar heb geen longen
2) De maker wil het niet houden. De koper wil het niet hebben. Degene die het krijgt, weet het niet.
De minuten tikten weg…
Uiteindelijk leverden al onze inspanningen één vreemd woord op. Een woord met te veel letters om slot van doodskist van Dracula te openen. Roos had ergens woordenboek gezien en zocht vertaling: ‘Steen!’
In doodskist naast Dracula lag ketting met daaraan een sleutel.
Nog 1 minuut en 39 seconden…
Sleutel paste in enig overgebleven niet-gekraakte kleine kast. Deur open, tuinmeubelhoes viel naar buiten en daar was het ontsnappingsluik. Op het nippertje!
Joris en ik waren het volgende dag met elkaar eens: zonder Roos zaten we nóg opgesloten in escaperoom. Zij heeft aangeboren intellect en overzicht dat wij ontberen.

Ging met lekkende laarzen naar schoenenwinkel.
‘Heb deze pas laten verzolen maar ze laten los.’
Verkoopstertje keek naar zolen die erbij hingen als natte kranten, en zei met hardgrondige desinteresse: ‘Tja…ze zijn gelijmd. U hebt er zeker mee in de regen gelopen?’
‘Mensen met regenlaarzen doen dat vaker,’ bekende ik.
‘Dáár komt het dus door. Ik denk niet dat ze nog gemaakt kunnen worden.’
‘Denk dan nog eens opnieuw,’ moedigde ik haar aan.
Verkoopster toonde gelaatsuitdrukking van iemand voor wie denken tegennatuurlijk is.
‘Mag ik je bazin even spreken?’ vroeg ik.
‘Die is er vrijdag pas weer,’ klonk het kortaf.
‘Prima. Tot vrijdag!’

‘Wat een herrie van jewelste bij jullie. Is iemand de woonkamer aan het verbouwen?’ vroeg Opa Kakelbont door de telefoon.
‘Nee, dat is Saar. Die wil een groen blaadje, en dat laat ze weten door haar lege schoteltje heen en weer te smijten op de parketvloer.’
‘Sjonge, jonge, het zal je huisdier maar zijn.’
Stiekem vindt Opa Saar wel lief, want mevrouw Konijn staat kwispelstaartend naast Rosa om Opa bij binnenkomst te begroeten.

Zocht plekje midden in de polder want het was weer zo ver.
Jas omhoog, vest en T-shirt ook. Ha, daar waren knoop en rits van m’n spijkerbroek.
Pssssssssssssssst.
Klaar.
Daarna alles weer ophijsen.
Dacht ik klaar te zijn, bolde jas vreemd op. Was geen gezicht. Alles weer omhoog. Bleken franjes van vest in m’n spijkerbroek te zitten. Ik rukte en trok…
‘Hebbie de kouwe pies?’ hoorde ik vrouwenstem vragen. Keek in gezicht van  Verschrikkelijke Sneeuwvrouw. Haar strak getrokken capuchon, jas, skibroek en laarzen waren volledig besneeuwd. Ze was in prettige gezelschap van twee labradors.
Mijn schaamte kende grenzen: met Roos’ Laplandmuts was ik zo goed als onherkenbaar.
‘Ik heb hier ook m’n vaste plekjes, hoor,’ sprak ze geruststellend.
Sneeuwvrouw bleek veel minder verschrikkelijk dan ik dacht.

Vurwende soddemieters

Het is windstil met een helderblauwe lucht. Mijn adem stoomt in wolken naar buiten. De overgang van de wal naar de sloot is op sommige plaatsen moeilijk te zien en bij tijd en wijle zak ik kuitdiep weg in de sneeuw. De witte wolbalen midden in het weidse landschap blijven dicht bij elkaar staan en krabben met de voorpoten de sneeuw weg op zoek naar gras. Eentje houdt de boel in de gaten zodat de rest op grasjacht kan.

Halverwege liggen drie roerloze gestalten. Zouden het dode schapen zijn of liggen ze op hun rug? Er zit totaal geen beweging in. Ik klim over een hek en loop in hun richting. Vlakbij gekomen zie ik dat het gedeeltelijk ondergesneeuwde bonken hooi zijn. Aha, bijvoer voor de dames! Da’s mooi, want hun buiken zitten vol pootjes.

Als ik me omdraai voor de terugweg, staat de boer bij het hek. Ik steek m’n hand op. Een minimaal knikje met zijn hoofd is zijn antwoord. We kennen elkaar van gezicht.

Alhoewel, met de muts die ik op heb…

Zonder muts, sjaal of handschoenen staat hij met open jas doodleuk tegen het hek geleund. Een verrekijker om zijn nek. Tweemaal daags controleert hij de kudde.
‘Daagie daat ze dot ware?’ vraagt hij als ik dichterbij kom.
Ik knik en voel me ietsiepietsie betrapt.

‘’t Binne vurwende soddemieters,’ zegt hij. ‘Ze krabe liever met du potte de sniw weg voor un plukkie dot graas, dan da ze ingekooild graas vrete. Net zo eigenwijs als vrouwen,’ vervolgt hij in dialect. Hij kijkt me recht in de ogen, zodat ik goed begrijp wat hij bedoelt.
Ik grinnik; hij zegt het met een twinkeling. ‘IJzersterk soort hè, om onbeschut bij min tien de nacht door te komen,’ zeg ik bewonderend.
‘Mijn zoon heeft voor hij vanochtend naar zijn werk ging het hooi neergegooid, maar ze blieven het niet, zie je ‘t? Ik zou ze liever binnen halen, maar dat moet met de veewagen en dat levert te veel stress bij ze op.

Heb je het koud? vervolgt hij op dezelfde toon. Vol verbazing ziet hij hoe ik me tot de wenkbrauwen heb ingepakt en het nog niet warm heb. Dat moderne volk ook!
Hij stapt in zijn auto, waarvan het raam tot halverwege openstaat, en ik graaf mijn fiets uit.
Als de sodemieter naar huis. Hopen dat ik niet doodvries onderweg in mijn dikke jas, thermohemd en handgebreide 100% wollen schapentrui.

Waar is hier de nooduitgang?

Keek op de week (49)

In Cultuurhuis stond delegatie mensen in deftige dracht. Plus een tv-camera. Als ik ergens stress van krijg, is het van een (tv)camera.
‘Wat is er aan de hand,’ vroeg ik aan willekeurig slachtoffer.
‘Om vier uur wordt het wandkleed naast ingang onthuld.’
Bracht vliegensvlug geleende boek terug bij bieb. Wilde weg, maar daar had je het gedonder al. Buitendeur bleek gesloten en presentatie begonnen. Keek koortsig in het rond op zoek naar ontsnappingsmogelijkheid.
Pedante man met zijden sjaaltje om de nek riep gezaghebbend: ‘Pak een stoel en ga zitten!’
Dat maak ik toevallig zelf wel uit.
‘M’n hond zit buiten,’ mompelde ik.
‘Die zit er over een halfuur nog steeds, mevrouwtje.’
Wat een poeha! Neem ik toch de nooduitgang. Drong dwars door menigte in richting van verlossende deur.
‘Wilt u naar buiten, mevrouw?’ vroeg zeer, zéér vriendelijke man.
‘Graag,’ zei ik met stralend gezicht. Hij leidde me naar artiestenuitgang en hield zelfs de deur voor me open. Ga deze vrijwilliger voordragen voor lintje bij de koning.

Schreef jaar geleden in Keek op de Week dat ik wilde huilen, schreeuwen, slaan, en gooien met servies. Want: ik was te laat met insturen van Top 2000-lijst. Lurkende binge lezeres was zo vriendelijk mij op deze grove misrekening te attenderen. David Bowie staat maar vijf keer in m’n lijst. Heb me ingehouden. FB-vrienden kunnen lijst bekijken.

Joris’ driedaags congresbezoek aan hoofdstad was moeite waard.
‘Portier voor de ingang. Waanzinnig vriendelijk personeel. Jas en gepakte biezen werden bij balie aangepakt en naar hotelkamer gebracht. Lunch was toppie. Niet deelgenomen aan gezamenlijk diner. Duurde drieënhalf uur! Heb gewoon in restaurant van hotel gegeten.’
Ik voelde iets merkwaardigs in mijn maagstreek. ‘Ben je burgerlijk ongehoorzaam geweest?’
‘Inderdaad,’ gniffelde Man. ‘Je hebt gelijk: je voelt er niets van. De douche was apart, joh. Die stond midden in de kamer. Als je in bad lag, had je uitzicht over de stad. En op andere badgasten.’
‘Kon je die zien liggen?’
‘Uh… nee. Ze lagen te ver weg.
‘Had nou de verderkijker maar meegenomen.’
‘Jaha, een gemiste kans. Toen ik terugkwam van diner, was m’n bed opengeslagen, en lag er op de grond een handdoek met twee pantoffels erop.’
‘Dat méén je niet.’
‘Jawel.’
Ik complimenteerde Man: ‘Knap dat je naar huis teruggekomen bent.’
‘Miste m’n bed. Heb nog een keer aan je gedacht.’
‘Eén hele keer? Toe maar.’
‘Was bij presentatie. Werd kort filmpje getoond waarin David Bowie in 1999 geïnterviewd werd door BBC-journalist Jeremy Paxman. Bowie voorspelt dat over 20 jaar internet hét communicatiemiddel wereldwijd zal zijn. Journalist had z’n bedenkingen en keek very bored.’
‘Jij niet,’ zei ik. ‘Jij ging staan, maakte van je handen een roeptoeter en brulde: “My wife is Bowie’s biggest fan!” Waarna eerst verbaasde blikken, maar daarna een daverend applaus volgde.’
Man schaterde van de lach, maar werd tegelijkertijd beetje blozerig van het idee.
Zo leuk sneu! Heb hard gelachen  geweend. Joris kon niet slapen in eenpersoonsbed. Hotelkamer lag op tiende verdieping pal naast vier liften…