Halloween 2013

Halloween?
Mij niet gezien.
Als kinderen bedelen om snoep, zeg ik maar zo: kindertjes die vragen, worden overgeslagen.

’s Nachts hoor ik in huis vreemde geluiden. Ze lijken uit de keuken te komen. Ik hoef niet naar Lief te kijken om te weten of-ie slaapt. Dat hoor ik zo ook wel: hij kan zonder solliciteren aan de slag bij de houtzagerij van Staatsbosbeheer. Jammer, want doorgaans hoort hij alles. Vroeger stond-ie bij het kleinste zuchtje of hoestje van Kind naast haar bed. Kennelijk is ze geruststellend groot gegroeid, want hij blijft in diepe rust.

Ik hoor nog steeds geluid, maar nu klinkt het anders.

Een inbreker? Een klopgeest? Een teleurgestelde snoepgeest? Ik grinnik om mijn eigen grapje, en stap zelfverzekerd uit bed. Ik ga gewoon beneden kijken. Ik doe de slaapkamerdeur open en loop de trap af, maar blijf halverwege staan. Stel nou dat het een inbreker is? Een echte?
Maar dat kan niet: ons huis is beter beveiligd dan Fort Knox. Natuurlijk, als iemand wil inbreken, lukt  dat altijd, maar niet zonder een berg herrie te maken.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst: hupsakee, de trap af. In het halletje aarzel ik weer. Zal ik een schoen van Lief pakken? Alsof ik daar een inbreker bewusteloos mee kan slaan.
Ik open de kamerdeur zonder geluid te maken.
Het geluid komt uit de keuken. Ik buig mijn arm de hoek om, druk op de lichtknop, en onmiddellijk floept het licht aan.

Het is Bella!
Ze is in Kinds plastic krat met bakspullen gesprongen, heeft er een koekblik uitgegooid, en laat dit nu alle plinten van de keuken zien.
Ik jaag mevrouw Konijn haar hok in. Zónder snoepje!

(Lief scharminkel, ik wou dat je nog bestond…)

Nieuw jasje

Een nieuwe herfst, een nieuwe lay-out…

Sommige broers geven hun zus een bos bloemen, een boek, of een slap handje. Mijn Broea bouwde een blog voor me!

Na vijf jaar en 150.000 bezoekers neem ik met een buiging afscheid van het “Desk mirror thema.” Het was de hoogste tijd voor een nieuw jasje.

Melody NIET bedankt voor het installeren. Je houdt niet van bedankt worden, en je weet, dan dóe ik dat ook niet. Ik geef je trouwens gelijk. Het stelt niets voor om vanuit Drenthe even naar mij toe te komen, en zo groot was je bijdrage nou ook weer niet. Sorry! Sorry! Ik heb je diverse hartverzakking bezorgd, maar gelukkig kreeg ik je elke keer met een kop koffie weer aan de praat.
Vergeet ik toch het beste paard van stal te bedanken, want Roos heeft de kopfoto voor me gemaakt. Dankjewel, Kind!

Lieve Lezers. Het is jullie vast nog niet opgevallen dat ik van blauw houd?
Ik hoop vooral dat jullie blijven lezen én reageren, want dat maakt bloggen de moeite waard.

De gezusters House

Hortend en hikkend komt hun auto naast de mijne tot stilstand. Er zitten twee rasechte Hollandse dametjes in die zich degelijk hebben voorbereid op het weer buiten. Reeds in de auto hebben ze hun doorzichtige regenkapjes al op. Buiten is het droog.

Ze lopen synchroon en op de manier zoals House dat doet: zwaar leunend op been en stok, zodat ze daarna een iets verende beweging omhoog maken. En allebei tegelijk, want ze zijn tot in de detail een tweeling! Ze lopen het winkelcentrum in, en nemen niet de moeite hun regenkapjes af te zetten. In hun vrije hand hangt een ouderwets tasje. Hun monden bewegen een stuk sneller dan hun benen.

Een uur later loop ik naar het toilet bij de Hema, en zie daar: de gezusters House gaan aan een tafeltje zitten. In de Hema schijnt blijkbaar de zon, want de kapjes mogen af. Ze voelen aan hun haar.
‘Ze zijn wel fijn die kapjes, hè, maar je haar gaat er altijd zo plat van zitten,’ verzuchten zij tweeën eensgezind. Ze vouwen de droogkapjes op en binden ‘m om de stoelleuning vast.
Ik duik het damestoilet in en doe ik een merkwaardige ontdekking: op de spoelbak ligt een autosleutel, die ik beleefd afgeef bij de klantenservice.

Beladen met boodschappen sta ik bij mijn blauwe koets. Net op tijd, want het begint te spetteren. Vanuit een ooghoek zie ik tweeling House aan komen hobbelen. Het spetteren gaat over in plenzen, en voor hun doen stappen ze stevig door. Tot ieder naast een autoportier staat.
Ze voelen synchroon in jaszakken en tasjes, en wisselen ongeruste blikken.
Er begint me iets te dagen. Ik stap uit.
‘Bent u uw autosleutel kwijt?’ Ze knikken.
‘Ik heb ‘m gevonden’, zeg ik, ‘op het toilet bij de Hema.’
Ze kijken elkaar aan. Moeten ze dat hele pokkeneind teruglopen? Vandaag nog? Zaten ze nou maar in een rolstoel. Samen met de regen zakt de moed hun in de schoenen.
‘Ik ga wel even,’ bied ik aan. Ik hol naar de klantenservice voor de sleutel, breng een bliksembezoek aan het cafetaria  – ‘sorry, ik ben iets vergeten, ja, dank u wel’ – en race naar de uitgang. Buiten trekken ze alle sluizen open. Mensen wachten op een kluitje bij de uitgang tot het ergste water gevallen is. De zusjes House staan zeikzat en verkleumd naast hun auto. Zonder regenkapje.
Dáár krijgen ze pas plat haar van…

Daar zakt mijn broek van af

spijkerbroek1

Hoe bestaat het: springt de knoop van mijn spijkerbroek. Niet thuis op de bank, wat immens praktisch zou zijn, maar als ik naast mijn fiets op de pont sta te wachten. Het lipje van de rits is ook nog onbetrouwbaar, want als er teveel spanning op komt te staan, laat-ie het afweten. Net een mens.

Met mijn rechterhand aan het stuur en de linker aan mijn broek, hobbel ik de pont op. Ik moet de schuine verhoging op, wijst de kaartjesverkoper. Ja, dat weet ik ook wel, maar daarvoor moet ik mijn fiets optillen.
Doe ik dat niet, dan schuift de fiets scheef weg, en valt-ie.
Doe ik dat wel, dan zakt mijn broek naar beneden.
‘Wilt u het voor me doen,’ vraag ik aan de kaartjesman.
‘Sorry?’ zegt hij. Ik kan het de stakker niet kwalijk nemen. Krioelt het van de jonge meiden, vraagt uitgerekend een 100-jarige om hulp.
‘Wilt u het alstublieft voor me doen? De knoop is van mijn broek gesprongen.’ Ik kijk er zo hulpeloos mogelijk bij. Als ik wil, kan ik dat best.
De andere passagiers volgen ons gesprek op de voet. Ik zie ze denken: een vrouw in onderbroek met haar broek op de enkels. Toe, laat ons ook eens lachen.
Gelukkig staat de kaartjesknipper me bij.

Mijn volgende uitdaging is om in rechte lijn van de pont naar boven de dijk op te fietsen. Het lukt, maar je moet niet in mijn spieren kijken; daar is het oorlog. Als ik zonder ongelukken de supermarkt in het dorp kan bereiken, ben ik gered.

Mijn fiets op slot zetten, lukt niet, maar ik ben toch binnen tien seconden terug.
Ik hol door de klaphekjes naar de groente- en fruitafdeling, ruk met één hand een plastic zakje van een rol en verbind daar twee riemlussen ter weerszijden van de rits mee. Eindelijk kan ik met twee losse handen over straat. Gered door een gratis plastic zakje. Was alles in het leven maar zo gemakkelijk op te lossen…

Zoetmakertje

Twee meisjes met vlechtjes. Wat motten die van ‘m? Hij heeft het niet zo op vrouwen, ook niet als ze nog in de groei zijn. Hij draait zich om en loopt weg van het kijkgat van zijn deur.

De bel gaat weer. Waarom loopt dat opgeschoten volk niet door? In zijn haast de meisjes weg te jagen, stoot hij zijn voet tegen een deurpost. De pijn in zijn kleine teentje is onbeschrijflijk en bezorgd kijkt hij naar zijn onderdaan. Die bloedt niet maar zal straks zeker blauw zien.
Nondedju, gaat die bel alweer!
Hij voelt een driftbuitje opkomen. Met zijn kleine teentje dat steekt als de hel, strompelt hij naar de voordeur en smijt ‘m met alle ergernis die hij in zich heeft, open. Daar staan dezelfde twee meisjes.

‘Wij zijn de zusjes van Wouter…’ begint de oudste, maar ze stopt met praten zodra ze het boze gezicht van de man ziet. Haar onderlipje begint te trillen.
‘Wat motten jullie?’ snauwt hij. De kleinste zet het direct op een brullen.
‘U…u…eh…heeft de voetbal…eh…van ons broertje afgepakt.’
‘Oh, en die willen jullie terug?’ kaatst de ballendief.
Saskia en Lizette kijken elkaar aan. Tuurlijk willen ze die bal terug, maar dat doet die nare man toch niet, en daarom hebben ze iets voor ‘m meegenomen. Het is een groot offer, maar dat hebben ze er voor over.
‘Wat blieven jullie dan?’ Zijn vraag klinkt als een commando.
‘Toe, geef ’t maar, Saskia,’ moedigt de oudste haar zusje aan.
Alsof ze een paard een suikerklontje geeft, houdt ze de man op haar vlakke hand een kleverig spekkie voor.
‘Dit is voor u, meneer,’ zegt ze zacht. Ze durft hem niet in zijn gezicht te kijken.
De man is verbluft. Geven ze hem snoep? Van verwarring weet hij geen boos woord uit te brengen.
Een tikkeltje van slag, vraagt hij: ‘Wat moet ik daarmee?’
‘Opeten, meneer. Omdat u nog niet zoet genoeg bent.’
Nog dezelfde week krijgt hun broertje zijn bal terug.

Dijkverzwaring

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor de maand oktober met als thema: kwaliteit. 

dijkverzwaring

‘Erg hè, mevrouw, dat alles gesloopt wordt? U bént toch van hier?’ Ik knik.
‘Mijn huis stond daar,’ wijst de man naar links, ‘ik heb er 53 jaar gewoond. Het is opgeofferd aan de dijkverzwaring.’ Ik kijk de man aan. Hij is een gedrongen kerel, met waterblauwe ogen, en welig tierende wenkbrauwen in een rood gezicht. Hij neemt een haal van zijn sigaret, en blaast nadrukkelijk de rook uit. De wind blaast de rook terug.

‘Mijn kinderen zijn er geboren, en mijn vrouw is er overleden.
Ik heb drie jaar ruzie gemaakt met de gemeente, maar voor de dijkverzwaring moet alles wijken. Ik snap het wel, hoor… Nou woon ik in een zorgcentrum…alles erop en eraan…’ Hij neemt een laatste haal van zijn sigaret, gooit ‘m op de grond en trapt ‘m nijdig uit met zijn voet.

We staan bij de oude scheepswerf te kijken. Weldra zal ook deze karakteristieke loods gesloopt worden.
De man vervolgt: ‘Er groeiden appels en peren aan de bomen. Laagstam, hè? Ook weg. Foetsie!’ Hij doet zijn armen omhoog en laat ze met een verontwaardigd gebaar weer zakken. ‘Ik heb nou centrale verwarming. Ook in de winter bij min twintig zal er water uit de kraan komen.
Ik heb vaak gemopperd op dat koude kolerehuis,’ biecht hij geemotioneerd op. ‘Zelfs met voorzetramen waaide er nog zand op de vensterbanken. Mijn vrouw werd er wel eens gek van.’ Hij wendt zijn hoofd af en kijkt in een verte die ik niet kan zien. Oprechte ontroering overvalt me.

Hij diept een zakdoek op, snuit zijn neus en vraagt of ik het begrijp.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik, ‘Uw huis ademde geschiedenis.’
‘Ja…ja…dat heeft u mooi gezegd. Zo is het precies.’
De zon glimlacht door de wolken heen. De man ziet het niet, hij leeft in heimwee naar betere tijden. 

Jantien

Met haar jas scheef dichtgeknoopt, holderdeboldert Jantien de trap af. De vuilniszak die ze met haar meesleept is zwaar, en ploft tree na tree achter haar aan naar beneden. Halverwege de trap stuitert haar buurmeisje Laura voorbij. Wild wippen haar vlechtjes heen en weer. In het voorbijgaan steekt Laura pinnig haar tong uit.

Zij wel…
Al tijden verlangt Jantien vurig naar precies zo’n zelfde felroze bal. Van jaloezie en afgunst gaat haar onderlipje trillen. Het is ook niet eerlijk: haar buurmeisje heeft álles wat Jantien niet heeft. ‘Behalve veel broertjes en luizen,’ zegt Jantientjes moeder altijd opgewekt, ‘dus leen haar eens je muts uit!’ Die muts heeft ze dus ook al. Jantien is zo boos, dat er rode halvemaantjes in haar handpalmen komen te staan.

Watertandend kijkt ze haar buurmeisje na. Oh, als zij zo’n bal zou hebben, zou ze voor jaren gelukkig zijn, maar haar moeder blijft volhouden dat zo’n stuiterding niet goed voor je is; je hersens raken ervan door elkaar geschud. Jantien vindt dat onbelangrijk, met spellen is ze toch al de beste van haar klas.

Zomaar, op de een na laatste tree, krijgt Jantientje zo’n briljant idee dat ze er een nerveus gefladder van in haar maag krijgt. Vliegensvlug kwakt ze de zak in de vuilnisbak, en rent de trap weer op. Binnen pakt ze een vuilniszak uit het gootsteenkastje en holt ermee naar de jongenskamer.

Buiten is het even wennen. Met een zelfvoldane trek op haar gezicht, zet ze de achtervolging op haar buurmeisje in. Jantien scheert zo rakelings langs op haar zelfgemaakte skippybal, dat Laura ervan stilvalt en haar buurmeisje vol ongeloof nakijkt. De plastic voetballen bewegen wat ongemakkelijk heen en weer in de vuilniszak, maar dat doet aan Jantientjes plezier niets af. Integendeel. Ze geniet.

Skippybal

Tante Ali

Tante-Ali1Mijn schoonvader wist niet waar hij het zoeken moest als ze aan kwam lopen. Zijn zus Ali was dan ook een speciaal geval. Met drieenhalve tand in haar mond, gekleed in een morsig hoofddoekje, blikdichte pantykousen en een antieke jurk waar de kringloopwinkel de neus voor ophaalde, was ze net een wandelende zak van Max. Niemand kon een gesprek met haar volgen: ze praatte onsamenhangende zinnen, en zei zo vaak: “En nou komp ut,” dat dat haar tweede naam binnen de familie werd.

Tante Ali was een oude vrijster die in het ouderlijk huis was blijven wonen. Het liefst wilde ze dingen ontkennen, deed niets om in het gevlei te komen en knapte zelfs van een beetje vriendelijkheid niet op. Ze bewaarde álles; ze had nog kranten, voedselbonnen en brieven uit de Tweede Wereldoorlog. Op één brief stond een postzegel van h.i.t.l.e.r en een “gelezen” stempel.

Aan tv en een “wasmachien” deed ze niet. Koffie schonk ze ouderwets op, en dat waren de lekkerste bakkies, als je tenminste kon voorkomen dat ze er een kwak gekookte melk met vel ingoot.
Zelfs in horrorwinters brandde er alleen een gashaard in de keuken, en, zoals een neefje het eens treffend beschreef: “op de wc kwam de stoom van je pies.” Toen Tante de steile trap naar de slaapkamerverdieping niet meer op kon lopen, sliep ze beneden in de keuken op de grond. Zonder bed of matras.

Om verjaardagstress te vermijden, trakteerde ze zichzelf jaarlijks op een rit met het OV naar de dichtstbijzijnde Ik.eavestiging, en daar kwebbelde ze dan in zichzelf dat niets meer zoals vroeger was.

Ze vergat niets en tot op het laatst was haar geest sterk als een beer. De begrafenisondernemer uit het dorp –  een zeer religieus man – had ooit een scheve schaats gereden met een dorpsgenote (wel een levende),  en daarna heeft Tante nooit meer een woord tot de man gesproken. In haar testament had ze laten vastleggen dat ze niet door hem ten grave gedragen wenste te worden. Roos’ naam (in het echt heet ze anders) heeft ze nooit één keer goed uitgesproken. Wat ze er ook van maakte, we lieten het maar zo; het was geen dwarsigheid. Die bewaarde ze voor de dominee en de buren.