Spijbelen

‘Mama, zullen we samen paddenstoelen gaan kijken in het bos?’
‘We kunnen woensdagmiddag gaan,’ stel ik voor, ‘dan heb je geen school.’
Voor iemand die net zelfstandig veters kan strikken, schudt Roos met een ijzeren hardnekkigheid nee. Ze gebaart dat ik moet bukken en fluistert iets in mijn oor.
Ik ben verbluft. Waar moet dat heen met dat kind?
‘Dat kun jij foto’s maken,’ merkt ze nog geraffineerd op. Ik begin over regels en hoe het heurt, maar halverwege haper ik. Eigenlijk vind ik haar voorstel meer dan plezierig. Blinkt het leven niet genoeg uit in idiote regeltjes?

De volgende ochtend bel ik school dat Kind niet komt.
‘Ze is verkouden,’zeg ik. Zo jok ik zonder te liegen, want Roos heeft vannacht liggen blaffen als een zeehond.

Met een rugzak vol versnaperingen en papieren zakdoekjes, rijden we langs school het dorp uit. Roos ligt dubbelgevouwen tussen de voor- en achterbank, waar ze giechelt van pret, en bibbert van angst om ontdekt te worden.

Het Kralingse Bos is een explosie van herfstkleuren. Het belangrijkste bezoeken we het eerst en dat is het houten klimdorp, gevolgd door de kinderboerderij en het hertenkamp. We banjeren avontuurlijk door het bos en bewonderen heel wat paddenstoelen. Kind snottert en snuit, maar vindt het een feestje. Minstens tien keer zegt ze: ‘Gezellig hè?’

Aan het eind van de middag doet Kind een bijzondere ontdekking.
‘Mama, kom eens gauw! Hier liggen allemaal vingertjes…’ Zwijgend wijst ze naar een plekje op de grond te midden van een hoopje bladeren.
’Ohh…’ zeg ik aangenaam verrast, en maak foto na foto.

Dan is het tijd om naar huis te gaan. Op de terugweg rijden we opnieuw langs school, maar ditmaal hoeft Roosje-in-de-knop zich niet te verstoppen, want ze ligt afgepeigerd te ronken op de achterbank.
Als ik haar de volgende dag van school haal, wenkt de juf me.

‘Hebben jullie gisteren zo’n leuke dag gehad?’ informeert ze ondeugend. Ik geef het volmondig toe, want met deze mogelijkheid had ik al rekening gehouden.
‘Ze was er zo vol van, dat ze het niet voor zich kon houden,’ zegt juf op een toon alsof het haar spijt.
‘Maar hoe zit het nou met die vingers…?’ Aan jufs vieze gezicht te zien, heeft Kind gepassioneerd over haar ontdekking verteld.
Ik leg uit dat we een inktviszwam gezien hebben. Een paddenstoel met tentakels als een echte inktvis, maar die kind vingertjes blijft noemen.
Juf knikt opgelucht.
‘Ik zal jullie uitje niet doorvertellen aan m’n collega’s hoor,’ zegt ze, ‘kunnen jullie het nog een keertje overdoen.’

MirRoosZwam

Spraakgebrek

De eerste keer dat ik met mijn eigen stemgeluid geconfronteerd werd, was in de zesde klas van de lagere school. De late Middeleeuwen, ja.
Meester Baan had zijn bandrecorder meegenomen naar school, had wat tekstjes uitgezocht, en om de beurt mocht iemand uit de klas een stukje voorlezen.

Het was een verschrikking. Het begon al met de titel van mijn onderwerp: “Stalac-tieten.” Na de eerste schrik, sprak ik rest van het onderwerp in.

Bij het afluisteren lag heel de klas dwars over zijn tafeltje van de lach, en zat ik verstijfd op mijn stoel. Al mijn vriendinnetjes klonken als zichzelf, maar ik als het monster van Rotterdam. Die hoge stem en dat platte accent…Zo kon ik toch niet over straat? Maar hoe moest ik dan praten?
Ik was vers verhuisd vanuit Rotterdam naar de Krimpenerwaard en had tot dan toe weinig aandacht aan mijn uitspraak besteed.
Toen ik erop ging letten, hoorde ik dat de meeste kinderen uit mijn klas “boers”praatten; eentje Amsterdams, eentje Hagenees, en een ander bekakt.
Ik wilde met geen van hen ruilen. Niet omdat mijn accent “beter” was, maar omdat ik de andere niet bij me vond passen.

Mijn belangstelling voor mijn uitspraak vervaagde. Ik ging naar de havo en later werken in Rotterdam. Daar viel ik niet op. En als er al verschil was, was dat omdat veel collega’s Engels praatten.

De jongste confrontatie met mezelf was vrijdag. Ik moest dringend Roos spreken, was mijn mobiel vergeten en belde vanuit een winkel naar onze landlijn.
Ik kreeg de voicemail en sommeerde Roos op te nemen. Ze hoorde me niet, want ze was aan het stofzuigen. Dat doet ze anders nooit.
Bij thuiskomst luisterde ik naar mijn eigen ingesproken bericht en schrok me het schompes.

Bij het in bed stappen, dacht ik: ik mag dan weg zijn uit Rotterdam, Rotterdam is nog niet weg uit mij.
Middernacht murmelde ik: ‘Er spoelt gewoon nog wat Maaswater door mijn bloed.’
Bij het ochtendgloren was ik eruit: iedereen praat zoals-ie gebekt is.
Sinds ik dat besef, noem ik mijn spraakgebrek gewoon Algemeen Beschaafd Rotterdams. Dat klinkt een stuk beter!

De gigolo

Vervolg op: altijd-prijs-mensen.

‘Ga je mee naar mijn hotelkamer?’ vraagt de gigolo haar.
Wat een geluk dat ze nog geen kunstgebit draagt, anders was dat ding van schrik uit haar mond gevallen. Waarom wil hij met haar naar zijn kamer? Zeker om nog een kopje koffie met haar drinken. Ze was eigenlijk van plan geweest vanavond vroeg naar bed te gaan, maar als zij hem met zo’n kleinigheid een plezier kan doen…

Ze vindt ‘m overigens wel erg jong. Zij heeft zelfs meer haar op haar bovenlip dan hij! Maar het is ongepast kieskeurig te doen over een cadeau, en bovendien is hij uiterst charmant.
Tijdens het diner heeft hij belangstellend naar haar geluisterd. Steeds begrijpelijk knikkend, en zonder haar te onderbreken. Af en toe had hij zijn hand teder op de hare gelegd. De eerste keer kreeg ze daar paarse blossen van, maar het wende prettig snel. Ze vindt hem echt een man met voelsprieten. Als ouwe vrijster voel je veel, hè? Natuurlijk komt dat ook omdat zij niet doorsnee is.    

Zodra ze de hotelkamer binnen stappen, gaat hij languit op het grote bed liggen. Hij klopt met zijn vlakke hand op de plaats naast hem, om aan te geven dat hij haar daar verwacht.
Een béétje vreemd, maar omdat ze hem als ongevaarlijke goeierd heeft getaxeerd, gaat ze niet moeilijk doen.
Eenmaal op bed vraagt hij of ze klaar is voor de finishing touche.

Ze kijkt hem in complete vertwijfeling aan.
Hij bedoelt toch niet eh…in den vlezen gaan? Seks zonder huwelijk? Dat zou haar moeder nooit goed hebben gevonden.
Ze kijkt hem strak in de ogen. Voor een tijdje is ze handelingsonbekwaam, maar als hij haar verzekert dat hij zo discreet is als een eikenhoutendeur, geeft ze zich over, na zijn belofte dat het licht uit mag.
Eerst nog aarzelend, maar hij spreekt zulke geruststellende woorden tot haar dat ze terplekke in katzwijm valt. Wat wil je? Een aantrekkelijk man met zulk welig tierend borsthaar? Van het graaien erin krijgt ze zweethanden.

Na een paar uur, verlaat zij hoofdschuddend en glimlachend het hotel.
Haar gedachten bij het geluid dat ze zichzelf had horen maken. Een geluid alsof ze ondraaglijke pijnen leed.
Nu pas begrijpt ze hoe rijk het leven is.

Altijd-prijs-mensen

Jump with joy

Zij kent mensen die altijd prijs hebben.
Die staan altijd in de goede rij bij de kassa, hebben tijdens vakanties in Nederland altijd zon, en stoplichten staan voor hen altijd op groen.
Ze stinken ook niet uit hun mond, hun winkelwagentjes hebben geen afwijking en ze hebben ook nooit last van opkruipende onderbroeken.
Maar boven alles heeft zij de grootste hekel aan mensen die almaar prijzen winnen. Overal en lukraak valt alles ze toe. Nou, haar maat is er van vol!

Met stugge volhardendheid doet ze mee met elke prijsvraag en verloting. Ze kijkt allang niet meer wat ze kan winnen, áls ze maar kan winnen. Haar geduld wordt ernstig op de proef gesteld, maar eindelijk valt zij in de prijzen. Als ze de brief met het goede nieuws leest, stopt haar hart bijna met slaan van vreugde.

Vandaag gaat ze haar prijs incasseren.
Het mag dan pijpenstelen regenen, daar laat zij zich niet door weerhouden; ze trekt gewoon haar regenponcho aan. Een tikkeltje wijdbeens vanwege de extra Tena-lady’s in haar onderbroek, plakt ze met een klodder spuug een dwarse haarlok plat. Tot slot zet ze haar mooiste regenkapje op.
Voldaan kijkt ze naar haar evenbeeld  in de spiegel: ook al gaat ze al een flinke tijd mee, ze ziet er nog best fruitig uit. Dankzij haar steunzolen staat ze bovendien fier rechtop in haar comfortschoenen.
Zij is er klaar voor.

De prijs die ze gewonnen heeft, duurt maar een paar uur.
Wat ze gewonnen heeft, weet ze niet precies. Het woord kent ze niet, maar het rolt wel lekker over haar tong. Ach, de prijs maakt haar ook niet zoveel uit, zolang het maar chic blijft. Reeds bij voorbaat voelt ze verwachtingsvolle tintelingen langs haar ruggengraat kriebelen. Wat het dan ook mag zijn, ze gaat ongetwijfeld veel plezier beleven van de gigolo.

Wordt vervolgd.

Leesbril

Leesbril

De laatste tijd houdt Man mij op afstand.
‘Ruik ik soms naar een caviahok?’ informeer ik.
‘Nee,’ verzekert hij me, ‘maar dan kan ik je beter zien.’ Aha, dát verdient een nieuwe leesbril. Man pakt het verstandig aan (kenners weten: dat heeft-ie niet van mij) en gaat naar een echte opticien.

In een brillenwinkel zoeken we een montuur uit en worden Joris’ ogen opgemeten. Na twee weken is de bril klaar en Joris kan niet wachten om ‘m op zijn giechel te zetten.

Thuis wacht hem een teleurstelling: hij kan er alleen iets door lezen als hij recht vooruit kijkt. Dus niet als hij naar links/rechts boven/beneden kijkt. Raar toch? Ik zou meteen terughollen naar de winkel, maar Man zegt dat zoiets tijd nodig heeft. Na vier weken ben ik benieuwd hoeveel tijd hij nog nodig heeft. Man zegt: ‘Ik ga terug.’
Good boy!

In de brillenzaak staat een man ons glimlachend op te wachten. Een tekst boven zijn hoofd zegt: “Uw ogen zijn bij ons in goede handen.” Ik kan er niets aan doen, maar ik zie dat letterlijk voor me en het idee staat me tegen. De man heeft volgens mij zweethanden, en de uitstraling van onze vorige premier.
Man vertelt over zijn leesklacht.
‘Wat kunt u er precies niet mee lezen?’ vraagt de brave hendrik. Zijn vakkundige ogen willen details.
‘Letters,’ zegt Lief.
‘Bij een leesbril? Dat heb ik nog nooit meegemaakt.’
Tijd voor een breuk in de traditie.
‘Misschien dat u de glazen even wilt doormeten?’ stelt Man voor. Hendrik vindt dit geen wonderbaarlijk goed voorstel. Opzij zoekt hij steun bij twee collega’s maar die zijn tijdelijk stekeblind. Morrend gaat Hendrik overstag.

Met een intense glimlach komt de brave borst bij ons terug.
‘Uw glazen hebben een speciale bewerking ondergaan voor langdurig beeldscherm lezen,’ zegt hij trots. Hij spreekt de woorden een voor een en langzaam uit, alsof wij ze moeten liplezen.
‘Maar ik zie er niks door,’ houdt Joris vol.
‘Tja, dat is ook zó moeilijk uit te leggen aan leken.’
‘Door de goedkope bril van de drogist zie ik stukken beter.’
Deze belediging komt glashard aan. Uiteindelijk gaat Hendrik overstag en zal hij de speciale bewerking ongedaan laten maken. Of we daar iets op vooruit willen betalen? Dat ziet hij toch helemaal verkeerd!

Rocking Billy

Mijn moeder ging tot voor kort zingend en dansend door het leven. Niks mis met zo’n vrolijk mens, zeker niet in je jeugd, maar het heeft zijn nadelen. Buiten zingen en dansen voerde mijn moeder ook hartstochtelijk “acts” op. Eén voorbeeld zal ik geven; de rest zal ik je besparen.

Zodra het nummer van Ria Valk thuis op de transistorradio voorbij kwam, werden mijn broertje en ik wagenziek. Het zweet brak ons uit, gevolgd door immense wanhoop, omdat wij wisten wat komen ging. Drie, vier minuten radio, daar konden we ons nog doorheen slepen. We brulden: ‘Oh nee!’ en stopen vingers in onze oren, maar het was al te laat. Het liedje bleef de rest van de dag in ons hoofd rondzingen. En dan moest het ergste nog komen: moeders optreden.

Ze deed de bovenste knoopjes van haar bloes los (degelijke vrouwen droegen die in die tijd), gebruikte een haarborstel als microfoon en zong uit volle borsten:
“Hou je echt nog van mij, Rocking Billy?
Of is nu al je liefde voorbij-ij?
Heus ik twijfel nou toch wel een be-ee-tju-u,
’t Is zo eenzaam op de boerderij, jieieie-haa!”
Tijdens het zingen maakte ze danspasjes, klapte in haar handen en zwaaide vrolijk naar mijn broertje.
‘Kom op! Leuk doen!’ spoorde ze ons aan.
Broertje en ik wilden maar één ding: een veilig heenkomen zoeken. Stakkers als we waren, durfden we de woonkamer pas te ontvluchten als moeders act over was.

Of ik wil of niet, de rest van mijn leven zit ik met Billie opgescheept. Te pas en Te onpas plopt het liedje op in mijn hoofd: op de fiets, in de rij voor een kassa, tijdens het strijken, het koken… Het is zo erg dat Lief zelfs het refrein kan meezingen…

Ria Valk - Rocking Billy

Herfstlichtjes

Herfstlichtjes

‘Kijk,’ wijs ik, ‘die daar hangen, die wil ik hebben.’ Roos volgt mijn voorbeeld en dan staan we allebei met ons hoofd in onze nek naar boven te kijken. Wat ik hebben wil, hangt ver buiten ons bereik.
‘Wat zijn ze mooi, hè?’ zeg ik zuchtend van begeerte.
We hebben al een rondje dorp gefietst, en mooier dan ze hier hangen, vind je ze nergens. Warm oranje rood…
Met afgevallen, lange takken proberen we de blaadjes binnen schaarbereik te brengen, maar dat mislukt jammerlijk.
‘Je kunt de brandweer bellen,’ zegt Roos. Ik zie mezelf wel staan in het ijzeren bakje aan het eind van een ladder.

Weer thuis doe ik via whatsapp mijn beklag tegen een blogvriendin. Oh…maar daar weet zij wel iets op: morgen gaat zij de mooist gekleurde voor me rapen en naar me opsturen. Hoezo, beter een goede buur dan een verre vriendin?

Wachten duurt altijd lang, zeker als tante Post vijf dagen over de bezorging uittrekt. Maar dan: plof!

Blaadjes per post

De blaadjes leg ik te slapen in het telefoonboek. Ze zijn moe geworden van de lange reis :-) Saartje springt gezellig op het telefoonboek, trekt een steeltje uit de zijkant, knabbelt het blaadje op en proeft dat het goed is.

Als de blaadjes droog genoeg zijn, gaan Roos en ik aan de slag. Wanneer onze decoraties af zijn, glundert Roos nog harder dan de lichtjes!

Herfstlichtjes

Ook herfstlichtjes maken? Klik hier voor de beschrijving.

Halloween 2013

Halloween?
Mij niet gezien.
Als kinderen bedelen om snoep, zeg ik maar zo: kindertjes die vragen, worden overgeslagen.

’s Nachts hoor ik in huis vreemde geluiden. Ze lijken uit de keuken te komen. Ik hoef niet naar Lief te kijken om te weten of-ie slaapt. Dat hoor ik zo ook wel: hij kan zonder solliciteren aan de slag bij de houtzagerij van Staatsbosbeheer. Jammer, want doorgaans hoort hij alles. Vroeger stond-ie bij het kleinste zuchtje of hoestje van Kind naast haar bed. Kennelijk is ze geruststellend groot gegroeid, want hij blijft in diepe rust.

Ik hoor nog steeds geluid, maar nu klinkt het anders.

Een inbreker? Een klopgeest? Een teleurgestelde snoepgeest? Ik grinnik om mijn eigen grapje, en stap zelfverzekerd uit bed. Ik ga gewoon beneden kijken. Ik doe de slaapkamerdeur open en loop de trap af, maar blijf halverwege staan. Stel nou dat het een inbreker is? Een echte?
Maar dat kan niet: ons huis is beter beveiligd dan Fort Knox. Natuurlijk, als iemand wil inbreken, lukt  dat altijd, maar niet zonder een berg herrie te maken.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst: hupsakee, de trap af. In het halletje aarzel ik weer. Zal ik een schoen van Lief pakken? Alsof ik daar een inbreker bewusteloos mee kan slaan.
Ik open de kamerdeur zonder geluid te maken.
Het geluid komt uit de keuken. Ik buig mijn arm de hoek om, druk op de lichtknop, en onmiddellijk floept het licht aan.

Het is Bella!
Ze is in Kinds plastic krat met bakspullen gesprongen, heeft er een koekblik uitgegooid, en laat dit nu alle plinten van de keuken zien.
Ik jaag mevrouw Konijn haar hok in. Zónder snoepje!

(Lieve Sodemieter, ik wou dat je nog bestond…)