Evy

maan

Evy steekt haar hoofd om de hoek van de slaapkamerdeur. Opa gebaart dat ze binnen mag komen, maar stil moet zijn: het is zondag en oma mag uitslapen. Evy knikt en nestelt zich naast opa in bed.

‘Opa…’
‘Ja.’
‘Heeft God een moeder?’ fluistert Evy, terwijl ze de knopen van zijn pyjamajasje los peutert.
‘Weet ik niet,’ fluistert opa terug.
Evy legt Teddie op opa’s buik en knoopt het jasje weer dicht tot alleen Teddies kop zichtbaar is.
‘Opa… zijn er beren in de hemel?’
‘Weet ik niet,’ zegt opa weer, ‘Misschien… als je ‘m in een kist legt.’

Evy snapt wat hij bedoelt.
Hetzelfde wat zij met de tekeningen voor mama heeft gedaan. Haar tekeningen bedekten mama’s benen en toen had Evy nog tekeningen over. Ze had ook viooltjes geplukt uit de tuin bij de buren. Dat moest want mama rook altijd naar viooltje. Oma had een touwtje om de bloemetjes gedaan, en aan een meneer in zwarte kleren en een boos gezicht gegeven. Hij had het bosje in mama’s handen gelegd.

Evy had lang naar haar moeder gekeken. Ook al waren ze vanaf het begin samen geweest, ze had toch nieuwe dingen aan mama’s gezicht ontdekt.

Evy kijkt naar Opa’s gezicht. Hij heeft zijn ogen dicht. Met een vinger prikt ze in zijn wang.
‘Wel wakker blijven, hè?’
Opa lacht.
Ze geeft hem een kusje op zijn wang. Het prikt.
‘Opa, het is tijd.’ Evy wijst met haar vinger naar de wekker. Daar staat een zeven, een nul en nog een nul.

Teddie valt op de grond als Opa uit bed stapt. Hij raapt ‘m op en geeft ‘m aan Evy. Opa gaat plassen, weet ze, daarna zijn handen wassen en de tafel dekken.

Op haar tenen sluipt ze langs het bed. Evy kijkt naar oma: ze slaapt. Evy wil haar niet wakker maken, want daar wordt Oma mopperig van.

Ze loopt door en duikt met haar hoofd onder de gordijnen. Buiten is het bijna licht. Evy ziet geen sterren meer, alleen nog de maan. Ze wou dat ze de hemel kon zien, dan kon ze naar mama zwaaien. Ze moet steeds zo aan haar denken. Even drukt ze Teddie tegen haar ogen.
Het is fijn bij opa en oma maar anders dan wanneer ze bij hen ging logeren. Toen wisten opa en oma alles. Nu maar weinig. Oma heeft gezegd dat mama in de hemel is, maar hoe weet je dat als je de hemel niet kan zien?
‘Kun je daar skippyballen,’ had Evy haar gevraagd.
‘Ik weet het niet.’ had Oma gezegd. Ze had erbij gezucht.

Evy kijkt nog steeds naar de maan. Zo mooi rond en geel… Alsof de zon er schijnt. Net als de hemel waar het altijd zomer is. Ze drukt een kus op haar handpalm en duwt ‘m tegen het glas over de maan heen.  ‘Mama,’ fluistert ze, ‘als jij nou naar de maan kijkt, doe ik dat ook. Dan zijn we weer heel even samen.’

Wokken

wokken

Lief heeft een hoog cholesterolgehalte. Niks nijpend maar toch… We eten al reuze verstandig, dus waar valt nog winst uit te halen? Ik dacht: laat ik eens gaan wokken. Man kocht de pan en ik de ingredienten. Recepten genoeg, maar Kind en ik moeten er ook van mee-eten en daar wrikken onze teenslippers: allebei heetgebakerd maar een afkeer van gepeperd eten. Deze keer zou ik echter niet moeilijk doen over knoflook, gember en pepers, maar als een volwassen vent mijn bord leegeten.

Tijdens de bereiding loerde Kind angstvallig in de pan. Die kleine rode ringetjes hè, dat is toch dat rode tuig waar je lippen van in brand vliegen en naar buiten toe omkrullen? Om over je tong maar te zwijgen.
Ik moest haar gelijk geven: het eten rook pittig, en ik begon al spijt te krijgen van mijn stoere voornemen. Ik hield Saartje een stukje peper voor. Ze snuffelde eraan en trok haar neus op: vreet dat zelf maar op. Dat gaf te denken, want Mevrouw Konijn lust alles.

Wij gingen aan tafel.
Man proefde even, deed er nog wat likken sambal door, en viel verlekkerd aan. Kind en ik namen voorzichtig een hap.
Ha-ha-héét! We keken elkaar aan en dachten hetzelfde: op de verpakking van het zakje saus had “mild” gestaan. Absoluut een grove leugen!
Echt, Kind en ik deden ontzettend ons best, maar al naar enkele happen kregen we een loopneus, en stonden de tranen in onze ogen.

Ik proefde zelfs geen groente of vlees meer, alleen maar felle prikken op mijn tong. Alsof ik in een egel beet. In paniek pakte ik het glas water, hing mijn tong erin en dronk gulzig het glas leeg.
Kind krijste dramatisch, duwde haar stoel achteruit, en vloog naar de keuken, waar ze haar tong onder de stromende kraan hing.
We hoefden niet met haar naar het brandwondencentrum, maar de rest van de avond zag ze er wel verhit uit, en had ze een verschroeiende dorst.

Met Man heb ik een pittig gesprek gevoerd. Sindsdien eten we milder.

Escaperoom

In de wachtkamer begint de ellende al: op de achtergrond klinkt horrormuziek.

(Klik op het filmpje voor een sfeerimpressie)

Roos denkt: ik word niet goed. Kan ik nog zeggen dat ik ziek ben?

Met een luide bonk zwaait de deur van de behandelkamer open. Het geluid van doodsklokken ijlt door de lucht samen met een snerpende tandartsboor. Het licht gaat uit en zeven dappere vrienden mogen de kamer binnenlopen.
De deur bonkt weer dicht. Ze krijgen precies één uur de tijd om te ontsnappen uit deze vervloekte kamer door verborgen aanwijzingen op te volgen en raadsels op te lossen.

Als dolgedraaide Duracelkonijnen beginnen ze te zoeken. Alles kan een code verbergen: spiegels, rontgenfoto’s, een gebit, getallen, een veeg bloed aan de muur…
Ze vinden een Latijnse zin die ze willen vertalen, maar Roos vindt dat niet logisch. Dat zij Latijn kennen, alla, maar dan zou 90% van de bezoekers hier vastlopen. Twee minuten later ontdekt een vriendin dat ze slechts enkele letters uit de zin nodig hebben.

Hoe verder ze komen, des te enger het wordt. Clue na clue wordt het donkerder in de kamer, klinkt de horrormuziek harden en worden de kreten angstaanjagender. Je concentreren is onmogelijk.

Iemand vindt een code voor een deur, maar niemand durft ‘m in te toetsen.
Het feestvarken zegt met trillende stem tegen haar broer: ‘Hiervoor heb ik jou meegenomen. Dóe het!’
Bij wijze van support schuifelen alle deelnemers naar hem toe en gaan om hem heen staan.
Hij opent de deur en dan staan ze voor een bakstenen muur met een gat. Terwijl bij iedereen de rillingen over de rug lopen, heeft één persoon het lef zijn hand in het gat te steken en een sleutel te pakken.

De sleutel past op een kist die zo groot is dat er best iemand in zou kunnen liggen. Zodra de deksel ietsje omhoog komt, wordt het aardedonker in de tandartskamer. Iedereen gilt het uit.

In de kist gaat een zwak, rood licht branden. Er ligt geen lijk in; het is een doorgang naar een diep en duister gat.
Dit is het zenuwslopendste uurtje dat ze ooit hebben meegemaakt. Sommigen kunnen de spanning niet meer aan, en klampen zich in een hoekje aan elkaar vast. Niemand durft door het gat te kruipen.

Roos – niet bepaalt gezegend met de staalste zenuwen maar wel degene die per direct de griezelkamer wil verlaten- stelt zich beschikbaar om als zwaan-kleef-aan achter de jarige door de opening te wurmen.
In een hoek van de ruimte brandt een flauw licht. De muziek op orkaansterkte overstemt het zegevierend gejubel van de vriendinnen: ze hebben het volbracht!

Met verhitte hoofden nemen ze het compliment in ontvangst: ze zijn de eerste van 55 groepen van de afgelopen week die het gelukt is te ontsnappen. Ze hebben zelfs nog negen minuten over…

Iets voor jou zo’n feestje?

Het badhuis

De rechthoekige ruimte oogt schoon en fris. De muur tegenover de ingang heeft over de volle breedte een smal raam. Ook op een sombere dag als vandaag, is het beetje licht dat door het raam naar binnenvalt, voldoende voor de groep vrouwen om zich bij uit te kleden. De lamp die aan het plafond hangt, is uit.
De vrouwen keuvelen opgewekt. Ze zijn blij dat ze na de lange treinreis even kunnen douchen en vragen zich hardop af wat ze vanavond te eten zullen krijgen.
‘Ik knap van wat hete soep al op,’ zegt Johanna lachend terwijl ze haar vest uittrekt.
Ze roept haar dochtertjes bij zich. De meisjes zijn in een uitgelaten stemming, maar ze maant ze tot spoed zich uit te kleden. Ze krijgen maar weinig tijd om te douchen en Johanna wil elke minuut daarvan benutten.

In de kleine kleedruimte is het zo druk als in een potje met pieren. In korte tijd zijn de genummerde kleedhaken aan de muur volgehangen met vesten, rokken en onderrokken. Johanna heeft geen andere keus dan haar kleding en die van haar dochtertjes zorgvuldig op te vouwen en op een wiebelige bank, die onder de haken staat, te leggen. Ondergoed moffelt ze discreet weg onder de uitgetrokken bovenkleding.
Haar dochtertjes kijken onverholen naar de blote lichamen om zich heen. Johanna geneert zich om in haar blootje te staan. Opgelaten kruist ze een arm voor haar bovenlichaam. Dan bedenkt ze dat haar zilveren kettinkje met hanger – het huwelijksgeschenk van haar man – en trouwring af moet doen. Ze wikkelt beide in een zakdoek, die ze in de punt van haar linkerschoen duwt. Met een hand strijkt ze een pluk haar uit haar gezicht. Het is vet. Ze hoopt dat ze straks tijdens het douchen een stuk zeep van een buurvrouw mag gebruiken.

Achter zich hoort ze een vermoeide zucht. Ze draait zich om en ziet een nog geheel geklede, oude vrouw staan.
‘Kan ik iets voor u doen?’ vraagt Johanna.
‘Mevrouw, zou u me willen helpen mijn schoenen en kousen uit te trekken… Ziet u, mijn man helpt me daar altijd bij, maar die is nu in het mannenbadhuis.’
‘De mijne ook,’ zegt Johanna, ‘natuurlijk help ik u.’
De oude vrouw knikt dankbaar; blij dat ze de energie die ze nog heeft, voor het douchen kan bewaren.
‘Lukt het bukken u nog goed?’ vraagt de oude vrouw aan de jonge moeder.
Automatisch glijdt Johanna’s hand over haar dikker wordende buik. Vannacht heeft ze voor het eerst de baby voelen bewegen. Ze popelt het goede nieuws aan haar man te vertellen, want die gelegenheid heeft ze nog niet gehad.
‘Ik red me prima, hoor, dank u,’ zegt ze, terwijl ze de rits aan de achterkant van de jurk van de vrouw losmaakt.

‘Opschieten, dames, de douche in!’ roept de groepleidster.  Met een chagrijnig gezicht vervolgt ze: ‘Na jullie komt weer een nieuwe groep die het badhuis in wil.’
Johanna pakt haar beide dochters bij de hand en loopt gedwee achter de andere naakte vrouwen aan, door de enige deur die naar de doucheruimte leidt. Twee grote lampen aan het plafond verspreiden een kil licht. Tussen de lampen – in het midden van het plafond – hangt een houten luik. Verspreid aan de wanden hangen hoge en lager geplaatste douchekoppen aan stangen.

De grijze tegels onder Johanna’s voeten voelen koud aan, maar ze constateert tevreden dat zowel de vloer- als de wandtegels er uitzien alsof ze zojuist een borstelbeurt hebben gehad. Hoog tegen de wanden hangen bordjes in diverse talen. “Dit is een badhuis” staat erop, en: “Houd het schoon.”

De groepsleidster kijkt of alle vrouwen en kinderen in de douche staan, stapt naar buiten en sluit de deur achter zich.
Johanna is verbaasd dat de deur in het slot wordt gedraaid. Nog verbaasder is ze dat er zelfs na enkele minuten nog geen water uit de sproeiers stroomt. Dan gaat het licht uit.

Patatje oorlog

Bram Ladage

Het summum van je rijbewijs hebben, is naar de MacDrive rijden en daar je bestelling plaatsen. Althans, volgens Roos.
Alle drie vinden we de patat van Mac maar zo-zo, dus gaan we voor onze frites naar Bram Ladage. Mensen komen van heinde en verre om daar de gruwelijkst lekkerste patat te kopen. De patat eten we op in de auto en daarna rijden we – pardon: Roos –  voor ons toetje naar Mac.

‘In wie z’n auto mag ik rijden, pap? In die van mama of van jou?’
Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten. Ik glimlach alsof ik het antwoord al weet.
Pap laat een betekenisvolle stilte vallen.
‘Hij vertrouwt me niet!’ sist Roos in mijn oor.
Mannen en auto’s, hoe vertel je het je dochter?
Ooit zong Tammy Wynette: “Stand by your man.” Als zij een man was geweest, had Tommy “Stand by your car,” gezongen.
‘Je mag wel in mijn auto rijden,’ bied ik aan.
Gelukkig vindt Roos dat ook cool.
Het moet wel snel gebeuren, want het rijbewijs brandt in haar zak.

Helemaal hieperdepiep kruipt Roos achter het stuur.
Ik ga naast haar zitten. Pap mag op de achterbank waar hij met zijn benen hoog opgetrokken de situatie voorin in de gaten houdt.
Roos kijkt ineens als een konijn dat gevangen gehouden wordt door de koplampen van een auto.
‘Eh…ik weet niet meer wat de rem en het gaspedaal is,’ piept ze. (Even voor de duidelijkheid: Roos heeft gelest in een schakelauto en mijn auto is een automaat.)
‘Hij staat toch op de handrem? Trap ze dan allebei maar in,’ dirigeert Pap van de achterbank. Goh, wat ben ik blij dat we een man bij ons hebben, zeg.
Roos trapt op het gaspedaal en zucht opgelucht: ze weet het weer!
Haar zenuwstelsel is rechtstreeks verbonden met het gaspedaal waardoor de auto soms een beetje hapert, maar Lief en ik verkeren geen moment in doodsangst.

Achter het stuur, lurkend van een aardbeienmilkshake, slaakt Roos zelfgenoegzame zuchten. Tijdelijk is dit haar gelukkigste plek op aarde.

Het parkeren thuis moet een paar keer over. Ik wil de auto dicht langs de stoeprand hebben zodat er niet weer iemand een deuk in rijdt.
Bij de vierde keer parkeert ze raak.
‘Skills!’ roept Roos trots. Leve het zelfvertrouwen van de jeugd.

Helaas…we zijn vergeten foto’s van onze schranspartij te maken. Eén troost, mochten we de sfeer weer willen proeven: de friteslucht hangt nog zeker een week in de auto.

Op de foto

Ik moet op de foto, tenminste, als ik mijn rijbewijs wil houden. Dus hop, naar de fotoshop.
Van tevoren de boel gepimpt: overdosis wallencrème, haren fatsoenlijk, wat oogschaduw hier en een veeg mascara daar.
Veel artiesten willen met hun mooiste kant gefotografeerd worden, bijvoorbeeld de linker- of rechterkant van hun gezicht. Dat heb ik ook.
Bij mij doet vooral de achterkant het goed op foto’s. Net zoals bier doodslaat in een plastic bekertje, sla ik dood zodra iemand een fototoestel op me richt. Flirten met de camera? Not.
Wat in mijn voordeel werkt bij de rijbewijspasfoto, is dat ik er niet lachend op hoef komen te staan. Fluitje van een cent met mijn ochtendgezicht. Om twee uur ’s middags.

In de fotowinkel val ik letterlijk en figuurlijk de pasfotokamer binnen.
De eigenaresse heeft haar twee koeien van honden meegenomen. De beste beesten doen geen kat kwaad; ze liggen alleen hopeloos in de weg. Ze hebben ook nog dezelfde schutkleur als het groezelige tapijt op de winkelvloer waardoor ik één van de acht hondenpoten over het oog zie. Bijna zet ik mijn voet er bovenop. Bliksemsnel trek ik ‘m tijdig weg. Desondanks springt de eigenaar van de poot gealarmeerd overeind. Ik bots tegen het hondenlijf, raak uit balans en land op beide knieën op de grond.
Hond nummer twee maakt van de gelegenheid gebruik om mijn kruis te besnuffelen. De elegantie is weer ver te zoeken.
Gelachen dat we ze hebben.

Ik mag op het pianokrukje komen zitten.
‘Kijk,’ zeg ik, ‘als ik nou mijn wangen met twee vingers strak naar achter trek, in de richting van mijn oren (ik had thuis uitgebreid geoefend), dan kan ik er met de juiste belichting best nog mee door. Mag dat?’ vraag ik.
‘Eh…nee, althans niet voor je rijbewijs,’ zegt ze fotomevrouw tactisch. Ze laat er vriendelijk op volgen: ‘Weet je zeker dat je met dat haar op de foto wil? Kijk maar even in de spiegel, daar hangt-ie.’
Ik sta op en snap het. Mijn wilde haren zijn op de fiets tot leven gekomen en hebben er een uitbundige coupe van gemaakt. Had de fotografe me niet gered, dan had ik als Catweazle op de foto gegaan.

Pianokrukje. Ik klaar. Fotografe klaar…
Komt onverwacht de hond waar ik de net nog mijn nek over brak, een lik aan mijn hand geven; dat kriebelt, ik lach, klick!
De hond wordt weggestuurd. Opnieuw wij allebei klaar.
Springt er een knoop van de broek van de fotografe (nee, ik verzin dit niet), ik proest klick!
Ze kunnen tegenwoordig alles fotoshoppen, maar omhoog krullende lippen krijgen ze niet omlaag.
Met een ijzeren wil en een gepantserde blik kom ik uiteindelijk met een doodgraversgezicht op de foto.

Het is nu slechts een kwestie van tijd: zes minuten om precies te zijn.
‘Moet je nog boodschappen doen?’ vraagt de fotografe.
‘Nee,’ zeg ik, ‘maar ik loop buiten wel ff een rondje.’
Na dat eerste rondje is het fotoapparaat nog niet opgestart. Hij wil niet.
Na het tweede rondje nog steeds niet.
Na nog meer van dergelijke rondjes strijk ik duizelig op het pianokrukje neer. Het apparaat blijkt defect. De fotomevrouw begrijpt er zelf ook niks van. Ze heeft mijn foto in de ontwikkelaar gestopt en acuut weigerde het apparaat dienst. Héél vreemd, ja.
Of ik morgen even terug kan komen?
Kijk, als ik dát nou van tevoren geweten had, had ik in één keer welgemikt chagrijnig op de foto gestaan. Lachen naar het vogeltje? Mij niet gezien!

Billentikker

billentikker

Breien, borduren en haken had ik op mijn 25-ste reeds lang onder mijn creatieve knie. Wat betreft kleding naaien, was ik een totale beginneling, terwijl me dat juist zo handig leek.
Zo waren korte rokjes standaard te kort omdat mijn benen zo’n eind doorlopen. Maar het liefst van alles wilde ik iets hebben wat nergens te koop was: een bruine billentikker.

In een keurig damesweekblad waar mijn moeder abonnee van was, stond het adres van een mevrouw die naailes gaf.
In gezondheidsschoeisel, een enkellange rimpelrok en tuthola bloesje ontving ze mij en vier andere cursisten. De juf bleek van goede gereformeerde komaf, en het leek haar een goed idee dat ik zou beginnen met het maken van een lange rok.
‘Een korte rok,’ stelde ik voor, ‘want ik draag geen lange.’
Nee, een lange rok was beter.

Onder begeleiding van de  Muzikale Fruitmand van de EO begon ik aan het uitraderen van een patroon. Behalve de muziek was ook de lerares dodelijk serieus. Tijdens de les mocht er niet gepraat worden, laat staan gelachen.

Ik hield me overeind met de gedachte dat het geheim van zigzaggen en locken op de naaimachine weldra aan mij geopenbaard zou worden, en daarna kon ik vast thuis aan de slag.
Helaas had ik geen rekening met mijn moeder gehouden. Ik woonde nog thuis en zij had een deugdelijk naaimachien, maar die mocht ik niet gebruiken omdat ze was bang dat ik ‘m  zou vernielen…

Ik nam mijn kleedje op en ging naar mijn tante die op loopafstand woonde. Groots werd ik onthaald. Behalve het gebruik van haar naaimachine, kreeg ik koffie en mocht ik de trommel met zelfgebakken boterkoek leegeten.

Spoedig bleek dat ik niet voor rechte zomen stikken in de wieg ben gelegd. Ik had mijn doorzettingsvermogen kunnen aanboren, maar de christelijke muziek tijdens naailes gaf de doodsteek. De lange rok verdween in de schoenpoetsmand en van het idee van de billentikker heb ik afscheid genomen.

In plaats van sneu in een hoekje te gaan liggen, besloot ik naar Italiaanse les te gaan. Het was de tijd van Eros Ramazzotti, ik was aan het sparen voor een Italiaanse racefiets van Ernesto Colnago, en ging fietsen op Sardinie. De cursus was niet tevergeefs: op vakantie kon ik in vloeibaar Italiaans Campari met ijs bestellen.

Hebben jullie weleens een cursus voor je lol gevolgd? 

Rekel

platenspeler

Op mijn zesde verjaardag kwam ik in het rijke bezit van een platenspeler. Zeer tot ongenoegen van mijn Broertje, want hij had ‘m liever gekregen.
Ik draaide vooral singletjes. Daar moest ik voor sparen, en om dat leed te compenseren, kreeg ik er enkele van ooms en tantes. Puur omdat ze er zelf vanaf wilden, hoor. Zo kreeg ik een kinderkoor dat: “Hoor daar zingt de nachtegaal…” zong. Je reinste kindermishandeling!

Broertje kreeg ook plaatjes en die draaide hij dan op mijn pick-upje.
Een nummer dat we vijftig tinten grijs hebben gedraaid was: “Huilen is voor jou te laat” van Corry en de Rekels. Tot mijn Broertje het zo zat was, zijn ieniemienie zakmes pakte en een kras op het vinyl maakte. Daardoor bleef de plaat op hetzelfde punt hangen en zong Conny steeds alleen het woord “huilen,” waarbij ze een snik in haar stem had. Zo hadden Broertje en ik Corry nog nooit horen zingen; we vonden het beslist een verbetering.

Omdat Broertje en ik altijd net een verschillend plaatje wilden draaien, en niet op onze beurt konden  wachten, zorgde dat voor een dagelijkse oorlogvoering. Ten einde raad kochten mijn ouders voor hem ook maar een platenspelertje.
Toen begon het gedonder pas goed, want hij en ik wilden qua geluid boven elkaar uitkomen.

Omdat zakgeld dun gezaaid was, bleven we alles doen om aan gratis platen te komen.
Onze Oma had een lieve buurvrouw die ons wel een pleziertje wilde doen. Zij gaf ons lp’s van Tante Leen en Johnnie Jordaan. Dat trok ons Rotterdamse hart niet. Broertje en ik besloten ze als sjoelschijven te gebruiken. Over het gladde zeil van de gang in het bejaardenhuis, schoven we het vinyl onder de deuren door.
Tot Broertje een beter idee kreeg: “Kom mee naar buiten, dan gaan we ze daar als frisbees door de bosjes scheren!”
Ik geef het toe: het was ondankbaar, maar buurvrouws: “Veel plezier” was in elk geval niet tegen dovemansoren gezegd.