Drama

Lady Granthem

Ken je dat? Dat je ’s avonds in bed stapt, je ogen dichtdoet en in slaap valt? Letterlijk? Je bent onderweg naar dromenland maar je valt van een trap de diepte in, en je lichaam reageert daarop met een schrikreactie.
Dat komt – kortgezegd – omdat je lichaam vermoeider is dan je geest.

Zo’n slaapstuip had ik nou iedere nacht.
Alleen  – ipv van dat ik van een trap lazerde – kreeg ik een schok door mijn lijf alsof er 220 volt op werd gezet. Of meer.
Na de ergste schrik concentreerde ik me op m’n ademhaling – adem in, adem uit – en voelde me weer langzaam wegzinken in een weldadige toestand….en daar was schok nummer twee. En dat keer op keer op keer. En het werd alsmaar erger. Omdat er iets mis is met mijn REM-slaap.
Ik moest genoegen nemen met hazenslaapjes van één of twee uurtjes per nacht. Als ik al sliep. Al die tijd snurkte Joris naast me dat dat het een aard was. Het liefst had ik stiekem mijn neus in zijn pyjamajas gesnoten.

Dat ik moe was, was een understatement. Nooit werden mijn interne batterijen eens lekker opgeladen. Sombere gedachten lagen als vanzelfsprekend op de loer. Ik zag het als geestelijke fysiotherapie om ze te weerstaan maar het was alsof ergens in mijn hoofd een Bermudadriehoek zat waar alle hoop en levensvreugde in verdween. Ik voelde me genaaid door het leven en deed een moord voor een narcose.

Ik vond het leven niet meer leuk. Het liefst wilde ik stoppen met ademhalen en onder een steen gaan liggen. Ons dorp heeft een begraafplaats op een juweel van een locatie: midden tussen de weilanden, waar kieviten buitelen, koeien herkauwen en grutto’s hun eigen naam roepen. Het was alsof de rust me riep.
Ik sloot mijn tweedehands boekwinkeltje bij Bol en gaf ruim 300 boeken aan een goede doel.
Ik schreef de wachtwoorden van m’n telefoon, laptop en tablet op.
Bloemen, muziek, in mijn hoofd had ik alles al geregeld.
Schreef afscheidsbrieven en verscheurde ze weer. Het was een strijd van leven op dood. En geloof me, als ik íets ben, is het een doorzetter.
Wees blij als je het niet begrijpt.

Ondanks dat ik er uitzag als een lijk in de maneschijn, de seks-appeal van een haringkar bezat, en de neiging had bij elke opmerking van een huisgenoot mijn lip op te trekken en te grommen, hield Joris dagelijks hetzelfde gelijkmatige humeur. Hij werd niet boos, maar zei trots – alsof het mijn persoonlijke verdienste was – : ‘Schat, jij bent mijn branding.’
Roos schreef lieve briefjes, zorgde voor koffie en bakte suiker- en glutenvrije koekjes voor me.

Ik deed nog wel wát.

Ik brei(de) sokken.

Ik kookte.

Als de zon scheen, lunchte ik in de tuin. Saartje en Rosa kuierden zij aan zij over de bodembedekkers. Kwamen ze tulpen of akelei tegen dan liepen ze die plat alsof het een wedstrijd was. Een beetje hovenier zou er een rolberoerte van krijgen.

Ik luisterde naar muziek: David Bowie (who else?), Talk Talk, Coldplay, Tom Odell  en The Blue Nile.

Ik veranderde van huisarts. De nieuwe is ondernemend en pleegt veelvuldig overleg met mijn neuroloog. Sinds kort heeft laatstgenoemde eindelijk het juiste medicijn in de juiste dosering tegen de stuipen gevonden.

Ik ben een nieuw traject gestart bij een klinisch Psycho-Neuro Immunoloog. Een kruising tussen veel wetenschap en een beetje alternatief. Voor zover je voedingssupplementen alternatief noemt dan. Als klap op de gelukspijl slaap ik door de supplementen beter door.

En altijd was daar Rosa.
Ongeacht het tijdstip en de stemming waarin ik ’s nachts in de woonkamer arriveerde, verwelkomde ze me met een roffelende staart. Samen klommen we op de bank. Terwijl Rosa snurkte en mijn voeten warm hield, keek ik Netflix. Ik – die nooit iets van series kijken wilde weten – jaste er in recordtijd alle seizoenen van Donwton Abbey doorheen. Een kostuumdrama over mensen met een verfijnde levensstijl waar nieuwsgierigheid een slechte eigenschap is. Ik ben hardcore-fan van Lady Granthem geworden; een rol van Dame Maggie.
Leve Roos: waar Netflix stopte, downloadde zij de afleveringen illegaal voor me verder.

Ik heb veel bezorgde mailtjes, lieve kaarten en meelevende WhatsApps van trouwe lezers gekregen.
Maar ik zat te opgesloten in mezelf om te reageren. Ik leefde maar half. Het was alsof ik gevangen zat in een doolhof zonder uitgang. Alsof ik een schip in een fles was. Ik nam alles waar maar kon nauwelijks reageren.
Lieve iedereen, bedankt voor alle aardige dingen die jullie tegen me zeiden. Dank, dank, dank dat jullie mijn gekakel misten en dank voor elk warm woord dat jullie schreven. Ik heb elk bericht gekoesterd.

Ik heb zin om weer te bloggen maar heb (nog) totaal geen inspiratie. Dus help me een handje: heb je een vraag, wil je iets van me weten? Mail ‘m naar pippi at freeweb punt nl en dan probeer ik ‘m te beantwoorden.

Tot gauw!

Rosa

Kouwe kak

Onder een strakblauwe hemel struin ik met acht hondenbaasjes door de polder. Het is een prettig zootje ongeregeld. Veertien honden – variërend in soort en maat- lopen kriskras door elkaar.
‘Daar heb je ze weer!’ roept iemand op luide toon.
Ik ga op m’n tenen staan, kijk over alle hoofden heen en herken zowel bazin als hond.

Het beest heeft Rosa al twee keer gebeten.
De eerste keer was ze nog een pup en zocht ze jankend haar heil in de bosjes. Ik had op z’n minst een verontschuldigende blik van de tegenpartij verwacht maar die stiefelde stoicijns rechtdoor, in de richting van een bruggetje waar zes kauwtjes op de leuning haar wantrouwig aankeken.
De tweede keer dat Rosa een knauw kreeg, rende ze van angst de sloot in.
‘Hij deed niets, hoor!’ zegt de bazin in het voorbijgaan.
‘Koop een bril!’ adviseerde ik.

Nu gebeurt er van alles tegelijk. Er wordt geroepen, gefloten en aangelijnd. Honden en baasjes krioelen door elkaar.
De bijter loopt inmiddels ook aan de riem maar stort zich op het laatste moment in het voorbijgaan alsnog op Rosa.
‘Hij deed niets!’ houdt de baas stug vol. Ze wil er de sokken inzetten, maar ik versper haar de weg. Mijn zenuwstelsel is rechtstreeks verbonden met mijn tongspier.
‘Dit is de derde en laatste keer! De eerstvolgende keer dat uw hond weer bijt, krijgt-ie een hijs van me.’
‘Mevrouw, het zijn maar honden,’ verzucht ze.
‘En ik heb het recht het op te nemen voor mijn eigen hond.’
De roedel maakt meelevende geluiden.

De bazin heeft geen antwoord paraat. Ze is altijd in gezelschap van haar vriendin. Niet bepaald een modisch hoogstandje. Zon en weder dienende gaat ze gekleed in een regenjas met bijbehorende zuidwester in Burberry-look. En ze heeft een air. Hooghartig en met een geacteerde vrolijkheid roept ze: ‘Als u Boris een hès geeft, krègt u van mè ook een hès.’
‘Dat geeft niet,’ zeg ik luchtig, ‘ik ben mans genoeg voor twee.’
Blijkbaar heeft de zuidwester een lage frustratietolerantie want ze roept nijdig: ‘Arrogant kreng.’
‘Dat zal moeilijk gaan,’ zeg ik, ‘want een kreng is een dood hondje. ‘
De bekakte vrouw zwijgt.
Haar gezicht echter vertelt me dat het nog lang geen lente was.

kouwe kak

Goedertierenheid

goedertierenheid

Mijn moeder wilde dat mijn broertje en ik naar een christelijke lagere school zouden gaan. Dat vond mijn vader best zolang thuis maar nergens over gesproken werd, want hij is belijdend atheist.
De Bijbelse verhalen gingen erin als roze koeken en eens per week een psalm of gezang uit het hoofd opdreunen was ook zo gebeurd.
Verder voelden m’n broertje en ik weinig van het geloof en hadden we een leuke tijd op school.

Naar de Zondagsschool gaan, ging ons een stapje te ver. Het hield ons van de straat en daar speelden we het liefst. Mijn vader vond ons zielig en vanaf die tijd mochten we “thuisblijven.”
Het kerstfeest met na afloop een cadeautje pikten we op de valreep nog even mee. Ik kreeg een boek. De titel luidde: “Het geheim van moeder Amboe.” Het verhaal ging over een arme bosnegerin (die mocht je toen nog zo noemen) met een botje door haar neus die in een grote zwarte ketel stond te roeren, en een geheim zou ontdekken dat haar leven zou veranderen. Ik las, en las, en las en werd teleurgesteld als een kleuter die een lolly met azijnsmaak krijgt: Moeder Amboe ontdekte het geloof.

Met het ouder worden, werden de lessen stichtelijker. God werd steeds meer iemand waarvoor we moesten oppassen.
In de vijfde klas hadden we juffrouw Koolen. Haar haar en ogen waren net zo zwart als haar achternaam. Zij vertelde dat God ál je fouten zag. Bijvoorbeeld wanneer je ruzie maakte met je broertje of je tong achter de melkboer zijn rug uitstak. God kon door het dak van de school heen kijken. Hij hoorde alles en wist zelfs wat je dacht. Dat laatste vond ik stuitend. Ik had nog nooit enig teken van Gods aanwezigheid opgemerkt en hij woonde zo’n beetje in mijn hoofd! Toen ik ernaar vroeg, zei de juf dat wanneer ik God niet tegen me kon horen praten, dat mijn eigen schuld was.

Ik vond het ook niet eerlijk dat Judas een duivelse man genoemd werd. Hij verraadde Jezus wel, maar God wist dat dat zou gebeuren en greep niet in. Dan was hij het er toch mee eens? Dus deed Judas iets wat God wilde en niet iets wat niet mocht.
Nadat ik die gedachte hardop had uitgesproken, had juffrouw Koolen het liefst ook door een brandende braamstruik tot mij gesproken. Ze noemde mij Sodom en Gomorra ineen. Ik zou nooit een goede, volgzame Ruth worden. En het zou een wonder zijn als ik ooit nog door Gods genade en goedertierenheid zou worden aangeraakt. Ik geloof dat ik toen met een smak van mijn toch al wankele geloof ben gevallen.

Toevalligerwijs verhuisden wij diezelfde maand van de grote stad naar een boerengat en daar gingen m’n broertje en ik naar een openbare school.
Dát was pas een zegen.

Ben jij gelovig opgevoed en heb je er (n)iets mee?

Door dik en dun

overwicht

Ze heeft vandaag gezeur van haar baas aangehoord, boodschappen gehaald, gekookt en de vloer gedweild.
En wat heeft haar man gedaan? Hoogstwaarschijnlijk naar half ontklede vrouwen langs de waterlijn gekeken en een appeltje geschild met zijn survivalmes.
In het huishouden doet hij niets. En maar praten, praten, praten…
‘Houd nou eens je mond, ik wil m’n boek uitlezen,’ zegt ze snibbig.
‘Jij altijd met je boeketreeksjes, ik wil ook wel eens aandacht!’
‘Boeketreeksjes…’ schampert ze. Met haar linkerhand steunt ze op de armleuning van de bank terwijl ze overeind komt. Haar hart hamert alsof het zich een weg naar buiten probeert te slaan.

Beledigende scheldwoorden over haar overgewicht doen haar niets. Zodra iemand in de buurtsuper moeilijk doet, gaat zij midden in het gangpad staan en geen hond die er nog langs kan. Nadat ze eenmaal dit voordeel van haar gewicht was gaan inzien, houdt ze zich er met haar volle 136 kilo aan vast.
Ze zal haar man verpletteren onder haar aandacht!

‘Nu je toch staat, kan je net zo goed een biertje voor me halen,’ zegt hij gevat.
Ze krijgt zin het laatste beetje lucht uit ‘m te drukken, maar in plaats daarvan doet ze wat ze meestal doet: tot twintig tellen en ‘m zijn zin geven.
Onderweg naar de keuken vraagt ze zich af wat meer inspanning zal vergen: hem heropvoeden of verticaal begraven in de tuin. Ach, ze leest te veel thrillers, dat zal het zijn!

Terwijl ze haar neus snuit in een keukenpapiertje kijkt ze uit het raam. Op het bankje in de binnentuin zit een zoenend stelletje. Hoe lang is het geleden dat zij zo verliefd was? En wat is er met haar gevoel voor humor gebeurd?
Ze gooit de tissue weg, opent een keukenkastje, pakt een pijpje en een glas, en duwt met haar kont het deurtje weer dicht. Met koud water spoelt ze het glas om. Plotseling schiet haar een passage uit haar boek te binnen: “De wijn vloeide rijkelijk maar niet in het glas.” Wat zal Sjors opkijken als ze zijn biertje over het krokodillenmerkje van zijn poloshirt giet! Eerst gniffelt ze maar al snel begint ze met haar volle gewicht te schudden van de lach.
Zomaar ineens is haar nukkige stemming verdwenen. Had ze net niet te cru gereageerd? Ze kan van tijd tot tijd zo’n bitch zijn… Hoe vaak heeft hij nou de kans om een dagje te vissen? Dat boek kan ze morgen ook wel uitlezen… Ze krijgt zin in iets gezelligs. Neuriënd loopt ze naar binnen met het bierflesje en het glas.

Sjors kijkt haar lachend aan. ‘Wat heb jij ineens een lol,’ zegt hij.
Ze grijnst en doet ‘m een voorstel: ‘Als jij straks de vaatwasser leeg ruimt, maak ik nu wat hapjes klaar. Zullen we dan samen naar een film kijken?’
Hij kijkt haar verbouwereerd aan, herstelt zich snel en reageert bewonderenswaardig lenig. ‘Tuurlijk, schat. Daar drink ik op!’
Ze is blij dat ze niet bovenop ‘m is gaan zitten.
Veranderingen beginnen bij jezelf.

Zielepoot

nest jonge prei

Oh, kom er eens kijken…wat er op de foto staat.

De groente ziet er wat verlept uit maar dat komt omdat ik ze te lang in de garage heb laten liggen. Jullie mogen raden wat het is:
a)een bosje lente-uien,
b)een nest jonge komkommers,
c)een stel uit z’n krachten gegroeide preien.

Denk er rustig over na; vertel ik een kleine anekdote.

Joris was zo blij als een kind met de moestuinactie van Appie Heijn van vorig jaar. Sedert lang koestert hij de wens zijn eigen groente te kweken maar het komt er steeds niet van. Druk, druk, druk plus een loslopend konijn.
Vorig jaar was het zelfs mijn schuld! Ik had een aardappel met lange uitlopers in de afvalbak gegooid.
Waarom ik dat gedaan had, informeerde hij.
Wat dacht hij zelf?
Nou, hij vond het zonde, haalde de aardappel uit de bak en zou ‘m als pootaardappel in de grond gaan stoppen. Na een week lag de aardappel nog steeds onaangetast op het keukenpapiertje. Het resultaat deed me goed: de pieper had in een week meer rimpels gekregen dan ik in 54 jaar.
’s Avonds kwam Joris thuis en vroeg achterdochtig waar zijn aardappel was.
‘Hij heeft heel de week op de vensterbank op je liggen wachten. Vanochtend is-ie zelfstandig de kliko in gelopen,’ zei ik.
‘Ik was ‘m vergeten,’ zei Joris nukkig.
‘De volgende keer zal ik ‘m onder je kussen leggen,’ beloofde ik.

Terug naar de prei. Oeps, heb ik het verklapt!
Joris heeft ze in het voorjaar gezaaid, gekoesterd, verpot, ontslakt en – als ik niet in de buurt was – toegesproken. Ruim vijf maanden hebben ze een royaal leven geleid om zo groot mogelijk te worden. Het resultaat? Ieniemieniemaal.
‘Het was slecht zaad. Dáár komt het door!’ riep hij verbolgen.

Met Sinterklaas heb ik ‘m een zakje goed zaad gegeven, plus – in zijn schoen- een tot volle wasdom gekomen en bij de groenteboer aangeschafte prei. Maar pas toen mevrouw Konijn op bed lag.
En vorige week is Albert Heijn weer met dezelfde actie begonnen. We hebben al een bakje met radijszaad gescoord. Joris is in zijn nopjes.

Lijstjes voor later

huis met luiken

Als tiener maakte ik lijstjes met vriendinnen. Over van alles en nog wat.
Wie je favoriete zanger/popgroep was.
Welke jongen of man je leuk vond,
en welke boeken je graag las.

Maar vooral lijstjes over later.
Wie wil je worden als je groot bent?
Wat voor werk ga je doen?
Met welke man wil je trouwen?
Hoeveel kinderen wil je?
In wat voor huis ga je wonen?

Alle vriendinnen wilden trouwen met een knappe, rijke man á la Robert Redford of Paul Newman die dan advocaat of tandarts was. Een carrière als fotomodel. Een huis met inloopkasten, en een zwembad. En moeder worden van minstens vier kinderen.

Ik wilde met een blonde boer trouwen, dat leek me handig gezien mijn voorliefde voor koeien, paarden, schapen, kippen, honden en ganzen. Zelf ambieerde ik een carrière als dierenarts. Ik wilde een huis met luiken, een jukebox, een Aga-cooker, en een bibliotheek. Met van die hoge kast vol boeken waar ik dan een ladder tegenaan moest zetten. Bij “kinderen” vulde ik een vraagteken in. Dat mocht niet, zeiden mijn vriendinnen, ik speelde vals en móest een getal invullen. ‘Doe maar eentje dan,’ zei ik, ‘maar wel een meisje met rood haar,’ alsof het om een rashond ging die ik ergens kon bestellen.

Van mijn later is “weinig” terecht gekomen.
Zie wat het leven mij gebracht heeft: een volgzame man; een roodharig kind; een dwars konijn en een onstuimige hond. In mijn huishouden is geen kip die naar een boekenkamer kraait. Dierenarts worden was te hoog gegrepen. Waar anderen een knobbel voor exacte vakken hebben, heb ik een deuk. (Ik heb wel papieren gehaald om zelf een dierenasiel of – pension te beginnen en honden te trimmen.) Joris is niet blond en niet bepaald een boer. Gelukkig houdt-ie wel van dieren. Bij een ander in huis of op zijn bord. We wonen niet in een huis met luiken, noch met de gewenste inhoud.
Apart dat juist mijn kinderwens in vervulling is gegaan.

Wat is er van jullie later terechtgekomen?

De diepvriesblik

zeiknat

Op de stoep loopt een oude vrouw met een boodschappentas. Op het moment dat de wind haar capuchon afblaast, rijd ik door een immense plas. Ik kan niet meer remmen en de vrouw krijgt de volle lading over haar heen. Van afschuw staat ze stil.
Ik rijd door.
Wat ben ik blij dat er niemand naast me zit, want ik scheur bijna in tweeën van het ingehouden lachen.
Ik sla driemaal rechtsaf en parkeer tegen de stoep. Het minste wat ik kan doen is de vrouw naar huis brengen.

Ik put me uit in verontschuldigingen.
De vrouw schenkt me een diepvriesblik.
Logisch na zo’n ijskoude regensluier.
‘Zal ik u naar huis brengen?’ bied ik aan.
Ze kijkt me aan en geeft geen sjoege.
Ik ken de vrouw niet van gezicht. Nou zegt dat weinig want ik woon hier pas 25 jaar.

Ze ziet er allerbelabberdst uit. Haar haar zit aan haar schedel geplakt; haar panty sopt in haar korte laarsjes, en door haar natte bril kan ik nauwelijks haar ogen zien. Ze heeft een snor en voor zo’n oud vrouwtje draagt ze een heel kort rokje. Door haar panty’s zie ik haar zwaar gerimpelde knieën. Waar let ik op? Ik lijk wel niet wijs!
‘Zal ik u naar huis brengen?’ houd ik vol.
Ze is allerminst enthousiast over mijn aanbod. Ze blijft zich hullen in stilzwijgen. Wel neemt ze me voortdurend op, van boven naar beneden en weer terug. Ik krijg er een wankele gemoedstoestand van. We staan hier maar op de stoep in de zeikregen. Nog even en dan ben ik net zo nat als zij.

Dan mompelt ze iets en geeft me een minimaal knikje.
Het mag vast omdat ik zo aandring; dit is echt mijn geluksdag. ‘Woont u in de Veertienhuizen’? gok ik.
Dat blijkt correct.
Ze stapt in m’n auto en snift.
Nou niet vervelend gaan doen, het ruikt gewoon naar natte hond.
Ik wil haar tas aanreiken maar ze rukt ‘m uit m’n handen. Hopelijk heeft ze haar kinderen beter opgevoed.

Ik voeg me in het verkeer en sta binnen vijf tellen vast in een heuse verkeersopstopping. In ons dorp gebeurt dat gemiddeld één keer per jaar.
Na de opstopping heeft een tractor moeite met de wegversmalling, en staan we een straat verder vast achter bouwauto’s die stenen staan te lossen. Over een hemelsbrede afstand van driehonderd meter doen we een kwartier. Was het vrouwtje gaan lopen dan had ze haar eerste kop koffie al achter haar kiezen gehad.
Ondertussen hangt in de auto een sfeer van koude oorlog. Elke mogelijkheid tot een gesprek kapt ze af.
Ein-de-lijk zijn we waar we wezen willen. Ik rijd haar tot voor de ingang. Ik wil haar helpen met uitstappen maar ze ineens opmerkelijk vief. Tegen haar rug roep ik: ‘Ik zal het echt nooit meer doen!’
Ze draait zich om en reikt me haar hand met lange, dunne vingers.

Bowie in Groningen

Het voelt als de eerste lentedag. Zonlicht schijnt breed op de opstandige krokusjes in het gras. Toch wil ik maar één ding: opgeslokt worden door het Groninger Museum. De routecoordinatrice in de auto is echter de weg naar de dichtstbijzijnde parkeergarage kwijt en alles straten in de stad lijken éénrichtingverkeer.
Uiteindelijk parkeert Lief langs de straat. Een bord leert dat we er maximaal één uur mogen staan.
‘Shit,’ zegt Joris terwijl hij naar de auto achter ons kijkt die al een bekeuring heeft.
Whatever, denk ik beheers me niet te gaan rennen.

Binnen nemen we de audioapparatuur voor de rondleiding in ontvangst. Joris heeft het al snel gezien en gaat terug naar de auto.
Mij bevalt het steeds beter. Ik ging blanco naar de tentoonstelling. Wetende dat Bowie gedurende zijn leven onderweg was van de ene naar de andere muziekstijl weet ik dat het niet saai zal worden. Ik lees niet alle bordjes maar bekijk wel alle filmpjes, handgeschreven songteksten, tekeningen, attributen en kledingstukken. Wat was hij smal! Logisch, op een jarenlang “dieet” van cocaine en melk. De tentoonstelling bevestigt het beeld dat ik van hem had: een ongrijpbaar genie op gebied van muziek, mode en kunst.

De bovenste verdieping toont Bowie “On stage.” Op twee verschillende schermen worden wisselende live-optredens getoond. Eén opname van Live Aid 1985 herinner ik me goed. Ik zag de uitzending op 13 juli op tv en vond Bowie toen oud. Tijd is een raar iets. Nu valt me op hoe jong hij was om zulke grootse dingen te doen.
Ik neem plaats op een bank en laat me onderdompelen door muziek en beeld. Die stem… Het is alsof er een ritmebox in me zit: mijn handen, voeten en hoofd bewegen continu. Ik vind het sneu dat Joris op me zit te wachten en besluit te genieten voor twee, wetende dat deze riante beelden voor het laatst zijn.
Bij het nummer Rock and Roll Suicide – moet ik even slikken als mijn muzikale held “You’re not alone,” zingt. Even maar, dan ben ik weer nuchter: Bowie zal voor altijd een ster zijn.

En dan is het mooi geweest, ik kán niet meer. Ik lever mijn apparatuur in en loop naar beneden, naar de museumwinkel. Halverwege biedt een smal ruitje uitzicht op de straat en het uitzicht tovert een glimlach op mijn gezicht. Daar, langs de stoep staat onze auto met Lief ernaast als een trouwe hond.
Ik app ‘m. Hij wikkelt me in mijn jas en ik strompel ongeveer naar de auto. We hebben het ontbijt in het hotel goed laten smaken en besluiten de lunch over te slaan; we gaan naar huis. In de auto bekijk ik de foto’s die ik niet had mogen maken en zucht: jammer dat Groningen zo ver weg is, anders ging ik nog een keer!

Bowie ticket

Mieren, ijsthee en vriendschap

IJsthee

IJverig marcheerde een kolonne mieren naar de gemorste hagelslag op het polka-dot-zeil. Een tweede trok een lang spoor naar een openstaand keukenkastje waar ze samenklitte om de strooppot.
Alle keren dat ik bij mijn Amerikaanse vriendinnetje een boterham at, trof ik ditzelfde tafereel aan. Schoonmaken had bij haar thuis geen enkele prioriteit en regels waren er nauwelijks.

Ik wist niet wat ik meemaakte. Haar wereld was een roze suikerspin vergeleken met het  strak geordende en brandschone manier van leven bij ons thuis. Ik kreeg er een losgeslagen vrijbuitergevoel van. Tot dan toe dacht ik dat je zwaar ziek werd als je je handen niet waste voor je ging eten.

We waren veertien en dansen op muziek van Hair. We mochten koppeltje duikelen op haar moeders waterbed, mais poppen in een pannetje en chips bakken in de frituurpan. De verkleedkist stond midden in de woonkamer, de kat had vlooien en sliep op bed, en op het toilet staken ze na het poepen een lucifer af.
Ze deden niet aan chic de friemel. Ondergoed draaiden ze binnenstebuiten, strijken was hen onbekend en wie een schoon bed wilde, moest het zelf verschonen, want daar kwam mam niet aan toe. De specialiteit van het huis was ijsthee. Je liet thee koud worden. Je deed er fruit en kaneel in, zette het in de koelkast en serveerde het met ijsblokjes.

Linda’s ouders waren gescheiden. Haar vader woonde in Amerika en haar moeder was maatschappelijk werkster. Iedere werkdag treinde ze heen en weer naar Amsterdam. ’s Avonds viel ze moe het huis binnen en ging ergens in een hoekje zitten mediteren. De rest van het gezin deed maar wat: huiswerk maken, tv kijken, of muziek luisteren.

Op school kwijlden alle meiden op haar oudere broer. Ze had ook nog een jonger broertje en zusje. Kregen ze ruzie, dan schakelden ze over op Engels, maar hoe erg de onenigheid ook was, ze gingen niet de deur uit zonder het goed te maken.

Linda droeg rustig een paarse lange boek onder een klaproosrode trui. Of oranje op groen.
‘Dat vloekt,’ zeiden kinderen uit de klas.
‘Dan kijk je toch de andere op?’ stelde Linda voor en stak haar tong uit. Ze had een riant gevoel van eigenwaarde. Ik kon zóveel van haar leren.

Het mooiste feest kan nooit lang duren: Linda verhuisde naar Amsterdam.
Op school was er niemand meer die het voor me opnam…
Mijn moeder heeft altijd een beetje neergekeken op mijn vriendin omdat ze uit een “vuil huishouden” kwam. Wat zou ik graag weer met Linda in contact komen. Dan zou ik haar bedanken. Want vriendschap weegt zwaarder dan een handvol mieren op de derde verdieping van een flat.

Hebben jullie nog contact met jeugdvrienden of – vriendinnen?

Intiem

Ondanks de titel wordt dit een on-sexy blog.
Ik ben nieuwsgierig naar jullie sanitaire avonturen. Dit wordt geen geur-technisch praatje, ik hoef slechts antwoord op één vraag: plassen jullie thuis met de wc-deur open of dicht?

Als Joris plast, claimt hij het toilet graag “voor zijn eigen.” Hij zit (dat je het weet) namelijk graag op “zijn gemak.” Hij kan zijn trucje niet doen met pottenkijkers (woordspeling!) want dan slaat ogenblikkelijk de sluis dicht. Ik weet dat omdat ik weleens de wc-deur opentrek, tegelijkertijd iets hoor klateren en Man zie zitten. Zodra hij mijn aanwezigheid bemerkt, valt alles stil. Ik roep snel: ‘Sorry,’ en sluit de deur. Ik gun hem zijn rust. Wel typisch dat hij in openbare wc’s zonder schroom naast vreemde kerels kan piesen.

Roos en ik doen dat anders.
Kind gaat zelden op vreemde wc’s. Vreemd is alles behalve de wc thuis, en die bij opa en oma.
Als zij thuiskomt uit college holt naar het kleinste kamertje. Daar gaat de broek omlaag. Wij zijn dan samen al in gesprek en tijdens haar sanitaire stop praten we – met de deur op een flinke kier – gewoon verder. Soms, als ik moe ben, ga ik erbij op de trap zitten. ‘Moet jij nog?’ informeert Roos na haar plassessie, en zo ja, dan zit ik op een voorverwarmde bril.

Nu vraag ik me af: doen alleen moeders met dochters dat?
Je gaat met een kind van luier naar piesen/poepen op het potje, naar zelfstandig poepen op de wc en na afloop de billen afvegen. Kleine moeite om de deur na alles wat daarna komt open te laten staan.
Verder ben ik heel ordentelijk.  Als Roos op haar kamer zit met de deur dicht, klop ik, en staat ze onder de douche (in een cabine) dan klop ik ook en vraag ik of ik binnen mag komen. Vind ik de normaalste zaak van de wereld.

Ik ben dus niet nieuwsgierig hoe de afvalstoffen je lijf verlaten maar hoeveel privacy jullie wensen. Dus: hoe plassen jullie thuis (als je onder elkaar bent)? Je kunt volstaan met een kort: open/dicht/op slot of uitweiden zoveel je wilt.
Schroom niet, je antwoord blijft onder ons…