Mijn Oma

Kralingen - Rotterdam

Ik droom weleens dat ik in het oude huis van mijn oma ben. Ze woonde in een karakteristiek huis – gebouwd rond 1900 –  in Kralingen. Met ornamenten aan een hoog plafond en spionnetjes aan de raamkozijnen.
Op straat lagen nog kinderhoofdjes.
De tram reed met een knarsend geluid door de bocht en tingelde bij de halte.

Tegenover Oma’s huis zat “De Jood.” Dat was geen scheldwoord maar een Geuzennaam want hij maakte het lekkerste ijs van Rotterdam en omstreken.
Naast Oma was een smederij. Als er teveel paarden voor haar stoep stonden, kwam ze naar buiten, gaf de paarden een paar stevige kletsen op de billen en pakte vervolgens de strontschep die om de hoek in de smederij stond. Ze schraapte de vijgen van de stoep en gooide de berg bij de smid naar binnen.

Ze was een sterke vrouw. Als je de steile trap opliep, wist je wat je boven te wachten stond: Oma zou van liefde in één keer alle lucht uit je longen drukken.
Verder deed ze geen vlieg kwaad.

Ze had vijf kleinkinderen. Ze hield van alle vijf evenveel, maar als jij bij haar logeerde, voelde het alsof ze jou de liefste vond.
Oma was doof. Als je een wind liet, hoorde ze ‘m niet, maar rook ze ‘m wel.
‘Heb je een muffertje gelaten?’ vroeg ze dan.
Dat was geen probleem. Zelf kon ze er ook wat van.
Schaamteloos knepen we in elkaars billen. Het was wel de bedoeling dat je “schrok.”

Aan een verwaarloosde ontsteking had Oma een stijve rechterwijsvinger overgehouden. Zelf kon ze haar vinger niet buigen, maar hij kon wel omgebogen worden. Als je de vinger omboog en losliet, schoot-ie weg. Erg leuk, die vinger, behalve wanneer Oma je haar kamde en haar stijve vinger in je oog verdween.

Ze had geen luis om dood te drukken, maar wat ze had, gaf ze weg.
Haar motto was: “Doe wel en zie niet om.” Ze stond voor iedereen klaar.
Mijn Oma was een wereldwijf. Ze is al meer dan twintig jaar geleden overleden. Heel soms gaat er een dag voorbij dat ik niet aan haar denk.

Wat heb jij voor (herinneringen aan je) Oma?

Een citroen, een tuinman en een goede ruil

Estaing

Lang geleden vierden Lief en ik vakantie in Frankrijk. We hoeven veertien dagenlang alleen maar 125 kilometer bergje op en bergje af te fietsen; de rest was geregeld: hotelverblijf met  ontbijt/diner, en bagagevervoer. 

De vrouw heeft een figuur en een gezicht alsof ze driemaal daags alleen citroenen eet. Met een geleerd gezicht inspecteert ze onze paspoorten en beveelt Lief een formulier in te vullen “voor het geval ze ons moet aangegeven bij de politie.”
Man vult als werkgever “Hendrik Jan de Tuinman” in en met dezelfde creatieve inslag ons adres en telefoonnummer.
In ruil daarvoor overhandigt Citroen ons een sleutel en prijst onze hotelkamer aan alsof het een suite met vijf sterren is.

De kamer is een vierkant hok, ruikt muf en heeft een bruin tapijt vol vieze vlekken. Op de douche zou ik het liefst de brandslang zetten. Hij is niet alleen vuil en beschimmeld, ook liggen de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de vloer. Speciaal voor dergelijke gelegenheden hebben Lief en ik waterschoenen bij ons, maar helaas is onze bagage nog niet gearriveerd. Het zou me niet verbazen als Citroen die- om ons te pesten – achterhoudt in een bezemkast.

Voor een open raam tegenover ons hotel zit een oude vrouw op een stoel naar ons te kijken.
Ik zwaai en roep beleefd: ‘Bonjour!’
Ze reageert niet. Zou ze iets mankeren?

Ik trek mijn fietsschoenen uit en laat me op het tweepersoonsbed vallen. Er liggen twee doekjes op. Ik vouw ze open: er zitten luchtgaten ter grootte van mijn hoofd in. Laat me raden: hier moeten Lief en ik straks onze billen mee afdrogen. Onze vaatdoekjes thuis zijn van hogere kwaliteit.
‘Heb jij in de douche handdoeken gezien?’ vraag ik aan Lief.
Joris schudt ontkennend zijn hoofd.
Ik voel het onstuitbare wicht in me naar boven komen, vouw de lapjes op en loop ermee de hotelkamer uit.
Niemand te zien in de gang…
Ik loop de kamer tegenover de onze in, en ruil onze lapjes om voor twee roze badhanddoeken die ik daar in het voorbijgaan had zien liggen.

Terug op de kamer komen er vreemde geluiden uit de douche. Het blijkt Lief te zijn die met het douchematje muggen aan het pletten is.
‘Ik heb er al negen gevangen!’ roept hij trots.
Ik prijs zijn inzet.

Zonder kloppen gaat onze kamerdeur open en sjouwt de hotelbaas onze twee sporttassen naar binnen. Zonder een woord te zeggen, loopt hij weg en laat de kamerdeur open staan.
Ik wil me al gaan ergeren als ik onverwacht Citroen hoor roepen: ‘Aaaaah…cherie! Margot et Pierre!’ Koket loopt ze op twee voor mij onzichtbare mensen af en geeft ze een paar klinkende zoenen.
Zo onzichtbaar mogelijk sluit ik zachtjes de kamerdeur.

Ik kijk nog eens naar de overbuurvrouw. Ze lijkt wel een ijssculptuur: aan haar houding is niets veranderd. Ik wil zeker weten of ze helemaal in orde is en steek mijn tong naar haar uit. Wel twee seconden lang.
Gelukkig, ze is niet blind; ze heeft gewoon een hekel aan toeristen.
Citroen straks vast nog veel meer!

Kleumen op een bankje

kleumenopeenbankje

Ken je dat gevoel, dat je af en toe treurig wordt van alle toestanden in de wereld? Je kunt er niets aan doen of veranderen, maar krijgt ze wel elke dag op je bordje geserveerd. Via internet, de krant of de tv. Soms wil je daar iets tegenoverstellen, noem het een kwaliteitsmomentje inbouwen. Maar probeer maar eens te verzinnen wát! Nou, zíj gaan het in elk geval proberen.

Het is ochtend; echt nog heel vroeg. Stilletjes zit ze op het witte, houten bankje in de tuin. Daar komt het dienblad met het ontbijt: beschuitjes, hompen ontbijtkoek met roomboter, en sloten koffie om warm te blijven.
‘Loop maar om de vijver heen, hoor! Niet over de plank’, adviseert de zitster.
Ja, dat lijkt de draagster zelf ook het beste. Ze ziet geen hand voor ogen, laat staan de vlonder over de vijver.

Buiten is het windstil en donker, alhoewel dat laatste slechts een kwestie van tijd is. Zusterlijk kruipen ze naast elkaar op het bankje en nippen zwijgend van de koffie. Het is ook nog een beetje vroeg om te praten. De stilte is juist prettig. Lange tijd staren ze voor zich uit, zonder enige elektronische onderbreking. Hoe vaak maak je dat nog mee?

Ongemerkt schuiven ze dichter naar elkaar toe. De kou trekt van de grond, via hun benen omhoog naar boven. Poeh, het is nog een slopende zit op dat harde bankje, maar ze willen het voor elkaar niet weten.
Hadden ze niet nog een kwartier langer in bed kunnen blijven liggen?

Begint het te gloren of is het hun verbeelding omdat ze het zo graag willen?
Een eerste merel laat voorzichtig van zich horen ‘Gwutto! gwutto!’ roept de grutto in de polder. Vleermuizen vliegen een laatste rondje door het zwerk en de lucht wordt overtuigend lichter.
Ze stoten elkaar aan. Het zal nu vast niet lang meer duren! Ze voelen de belofte van de zonsopkomst in de vochtige lucht.
Dat de rest van heet dorp nog slaapt, moeten zijn weten.

Langzaam laat de zon zich zien. Beetje voor beetje klimt ze omhoog tegen een oogverblindend mooie lucht.
Ze knipperen met hun ogen. Een Fisterman’s friend-momentje? Nee, het is de dauw die van hun wimpers rolt.
De ene merel roept en een ander geeft antwoord. Weldra klinkt het geluid van tientallen vogels.  Is elke zonsopgang zo mooi en hemelsrood?
Waarom gaat elke ochtend dit wonder aan hen voorbij?

Ze zien ze hoe de zon steeds hoger klimt tot ze schijnt in volle glorie.
Ze zuchten en voelen zich voldaan. Dit helpt écht tegen de onrust in je hoofd. Het mag dan koud zijn aan hun kont. Het is mieters warm aan hun hart!

Een spuitje

Het zal de vaste lezer niet ontgaan zijn: Saartje heeft “toiletmanieren.” Ze loopt overdag los in huis, en poepen en piesen doet ze op een kattenbak.
Van de ene op de andere week begon Saar steeds vaker op andere plekken dan haar bak te piesen en sloot ze af met een royale sproeier. Alles zat binnen de kortste keren onder: behang, kleed, zeil en parket.
Ze werd ongetwijfeld door haar hormonen tot dit wangedrag gedreven. Ik probeerde Saar te heropvoeden, maar haar interne kompas was sterker.
Dagelijks was ik in de weer met schoonmaakmiddelen en natuurazijn en kwam tot de conclusie dat het zo niet langer ging. Ik voelde me schuldig maar belde toch de dierenarts. Zij was het met me eens: Saartje moest een spuitje…

…en als ze dan onder zeil was, zou ze gesteriliseerd worden…

Kind bracht Saar weg en sprak haar tijdens de autorit ferm toe: ‘O wee als je niet uit de narcose komt!’

Ik ging Mevrouw Konijn ophalen.
De assistente vertelde dat ze dezelfde hoeveelheid narcose hadden gebruikt waar ze normaal gesproken een volwassen Rottweiler mee platspuiten.
Dat verbaasde me niks.
Ik liep mee naar de uitslaapkamer.
‘Hej hej …Saar,’ sprak ik liefkozend.
Heb jij weleens een konijn een joint zien roken? Ik ook niet, maar Saar loenste stoned door de tralies. Ze keek me aan en dacht vast: rotmens, het jouw schuld dat ik hier lig, ik wil je niet meer zien! en sloot prompt haar ogen.

In de auto slingerde ze zeeziek heen en weer.

Ze heeft alles dapper doorstaan en krijgt pijnstillers.
Eerst had ze veel weg van een afvalbak: klep open en laat al het lekkers tot haar komen. Nu heeft Mevrouw een wensdieet. Ze blijkt intelligenter dan ik aanvankelijk dacht, want sinds de operatie negeert ze haar brokjes maar rukt ze lekkers als broccoli en stukken appel uit mijn handen.
Het valt niet mee als je favoriete huisdier met de uitstraling van een dood vloerkleed op de grond ligt, dus het is haar van harte gegund.

Ik weet zeker dat ze weer snel de oude wordt. Maar dan wel zonder plasongemakken!

Vitamine C

Vriendin

‘Je ziet er minder verlopen uit dan de vorige keer,’ zegt Vriendin C.
Dankbaar neem ik haar compliment in ontvangst.
Want eerlijk = heerlijk.
Ik loop achter haar aan naar binnen, want vandaag doe ik een bakkie bij haar. Vriendin woont wel/niet in ons dorp. Geen van beiden houden we van vaste afspraken, dus zien we elkaar soms drie keer per week (‘your place or mine?’) en daarna drie maanden niet.
Want vrij = blij.

In de kamer plof ik neer in een stoel.
Vriendin loopt naar de keuken voor koffie. Handig: de trommel met suikervrije boterkoekblokjes staat hapklaar op tafel. Zonder deksel. Veel te vermoeiend om die er steeds op en af te doen; we eten toch door tot de trommel leeg is.
‘Je eet toch niet al stiekem van de blokjes, hè?’ informeert Vriendin vanuit de keuken.
Ik zeg niets want mijn opvoeding heeft me geleerd niet te praten met volle mond.

In de keuken klinkt een hoop lawaai, gerinkel, gemopper en het geluid van vallend serviesgoed op de plavuizenvloer.
‘Wattizzer stuk?’ vraag ik.
‘Oh…een mok.’
‘Zal ik ff veger en bl…’
‘Nee, jij blijft zitten!’
‘Oké.’ (Ik doe altijd precies wat zij zegt.)
‘Wil je wat in je koffie?’
Niet te geloven! Zij declameert uit het hoofd in het Engels met gemak tien minuten de voice-over van Discovery Chanel (beroepsdeformatie), maar onthouden wat ik in mijn koffie wil, is er niet bij.
‘Melk graag!’ roep ik, in de hoop dat het deze keer blijft hangen.

Billie de Border rekt zich uit en legt zijn hondenkop op mijn knieën. Ik kriebel ‘m zachtjes achter z’n oren. Hij me hemels aan; zijn ogen halfdicht (halfopen voor de optimisten onder ons).
Hè hè, daar is Vriendin met de koffie. Het werd tijd! Billie zijgt neer op mijn voeten en reken maar dat hij daar bovenop in slaap valt.

Vriendin grabbelt een blokje boterkoek uit de trommel, gooit ‘m omhoog en vangt ‘m met open mond op.
Zo, daar heb ik niet van terug. Zelfs pannenkoeken flikkeren bij mij op de grond als ik ze in de lucht probeer om te keren. Lenigheid baart kunst, dus ik onderneem wel een poging. Mond open, gooien, opvangen… mis.
Het blokje valt op de grond en Billie springt overeind en hapt het koekje naar binnen. Op!
‘Billie lay down!’ roept Vriendin. Mopperend springt Billie op de bank, legt zijn kop op het kussentje, laat een boer en valt in slaap.

Waarom voel ik me bij Vriendin altijd zo thuis?

Bandjes

cassettebandje

Op zolder ligt een doos met oude cassettebandjes.
Man vindt ze waardeloos.
Ik vind ze waardevol, want muziek luistert als een dagboek…

Op mijn 16e verjaardag “lag” ik in het Sophia. Mijn vader had mijn cadeau afgegeven bij de portier. Ik had geen idee wat er in het pak zat. Het bleek mijn eerste cassetterecorder te zijn!
Mijn moeder had er een briefje met instructies opgeplakt: “Hier drukken om het bandje af te luisteren!”
Eén voor één feliciteerden mijn ouders en mijn Broer me.
Broer – nog zonder baard in zijn keel – zei: ‘Had je niet gedacht, hè? Ulla, lekker puh!’
Mijn hond staat er ook op. Geen persoonlijke bericht maar geblaf omdat de postbode langsliep.

Weet de club van 100-jarigen het nog?
Dankzij de radio kon je je favoriete nummers van de top 40 opnemen.
Sommige bandjes draaide je letterlijk stuk: de tape werd dan zo dun dat-ie vastliep. Dan knipte je de verkreukelde tape ertussenuit en plakte de goede eindjes met plakband aan elkaar. Daarna draaide je de tape terug in de cassette.  Dat deed je met een: 
potlood

Racefietsen en naar muziek luisteren, werden mijn grootste hobby’s.

Ik fietste eens op de dijk en luisterde naar Terence Trend Darby op mijn walkman. Er reed een vrachtwagen achter me. Ik begreep niet waarom de chauffeur me niet inhaalde. Ik durfde niet achterom te kijken omdat ik bang was dat ik bij een windvlaag de Lek in zou worden geblazen. Ik kreeg de zenuwen van die vrachtwagen. Bleek dat het geluid bij de muziek hoorde…

Als ik Marillion hoor, denk ik aan mijn fietsvakantie in de Loire.
Tijdens trainingen voor de Amstel Gold Race luisterde ik naar de Simple Minds.
Luik-Bastenaken-Luik fietste ik met de Doors of Duran Duran in mijn oren. Sommige nummers vond ik zo goed dat ik ze drie keer na elkaar had opgenomen.
Hoor ik Talk-Talk dan denk ik aan fietsen op Corsica…
En overal en altijd naar David Bowie, want hij mijn muzikale liefde.
Het cassettebandje van de band waar mijn broer in drumde, heb ik ook bewaard.

Herinner je je het “Live Aid concert” nog in het Wembley Stadium van juli 1985? Het optreden van U2 had ik opgenomen via de radio. Er stond een uitvoering van “Bad” op gevolgd door een medley van The Beatles. Onnavolgbaar. Het bandje ging stuk; het optreden werd niet op cd uitgebracht, en ik was jaren ontroostbaar.
Lang leven Youtube!

Vind jij muziek belangrijk? En waar luister je graag naar?  

Pestkop in de bar

pestkop loesje

Een kroeg aan het Schouwburgplein in Rotterdam, eind jaren ’80. 

Voor mijn vrienden heb ik net wat te drinken besteld. Ik ben alleen vergeten iets voor mezelf te bestellen. Tijdens het wachten aan de bar voel ik dat er iemand naar me kijkt. Onopvallend kijk ik om me heen en onze blikken kruisen elkaar. Langzaam loopt hij in mijn richting.
‘Ken ik jou niet ergens van?’ vraagt hij enthousiast.
Geweldige openingszin. Ik kijk in zijn gezicht en zeg glashard: ‘Nee.’

Groot, blond, stevig, stoer. Zelfbewust bekijkt hij me en blijkbaar bevalt hem wat hij ziet. ‘Jij bent toch Mirjam? Hebben wij niet samen op school gezeten?’
Meedogenloos slaan de herinneringen toe.
Hij was de grootste pestkop van allemaal en treiterde me tot tranen toe. Zijn duw tegen de kapstok ben ik niet vergeten, evenmin als dat kleffe zuurtje in mijn haar.

‘Ben jij niet ene Erwin?’
‘Ja!’ Hij lijkt oprecht verrast en vat het op als een compliment dat zijn naam in mij is blijven hangen.
‘Wil je wat van me drinken?’ vraagt hij best vriendelijk. Aan zijn gezicht valt de herinnering aan zijn eigen gedrag uit het verleden niet af te lezen. Hij kijkt me grijnzend aan.
Ik kijk terug. Vandaag de dag ben ik niet meer zo snel van iemand onder de indruk, en als het moet, lul ik een tram uit de rails. Waarom zit hij me dan nog steeds niet lekker?
‘Nee, ’ antwoord ik en ontwijk zijn blik. Verdomme!

‘Neem nou wat van me te drinken, joh,’ dringt hij aan.
‘Nee dank je,’ houd ik vol.
Erwin snapt niets van mijn afwijzing.  ‘Je kan toch wat te drinken van me nemen?’ Nog even vasthoudend als vroeger.
‘Ik wil dat je me met rust laat,’ zeg ik en ga met mijn rug naar hem toe staan.
Hij tikt me op mijn schouder.
‘Blijf van me af!’ bijt ik ‘m toe.
Ik zeg het harder dan nodig is, maar het effect is groots: Erwin gaat een halve meter bij me vandaan staan en menigeen draait zijn nek om. Blijkbaar heeft mijn broer het ook gehoord, want hij loopt in mijn richting.
‘Denk niet dat je heel wat bent,’ snauwt Erwin.
‘Jij bent anders degene die hier staat aan te dringen.’
‘Bitch!’ spuugt-ie naar me.

‘Valt hij je lastig?’ Mijn broer bekijkt Erwin geringschattend.
Broer is net een tandje langer, breder en – al zeg ik het zelf – een stuk knapper.
Erwin kiest eieren voor zijn geld en loopt weg. Hij kijkt niet meer om. Mijn broer kijkt hem voor de zekerheid wel na.
‘Ken je die gozer?
‘Niet vriendschappelijk.’
‘Heeft-ie je lastig gevallen?’
‘Vanavond niet maar voor ik naar het Sophia ging wel. Heel erg.’
Mijn broer geeft me een schouderklop en bestelt wat te drinken voor me.

Ik snuit mijn neus en tegelijkertijd doet mijn broer het geluid van de vertrekkende “SS Rotterdam” na. Ik schiet in de lach. Dat flikt hij me nou altijd…

 

Belazerd

plu

Ze kan wel janken, wat ze dan ook doet.
Hij heeft al die tijd vrolijk buiten de deur gesekst, en zij heeft er niets van gemerkt. Nu zit hij hoog en droog bij de kachel, en ploetert zij door de regen. Als ze een kanon had, zou ze op hem schieten.

De wind wil er met haar paraplu vandoor gaan.
De ene keer komt-ie van links, dan weer van rechts.
Net een vent: niet te vertrouwen.

Een windvlaag blaast haar paraplu binnenstebuiten, rukt ‘m uit haar handen en de plu rolt tollend over straat. Bloedfanatiek holt ze erachteraan.
Al houdt ze aan de achtervolging op haar naaldhakken een dubbele hernia over, dat rotding wil ze hebben.
Het regenscherm waait tegen een geparkeerde auto, waar ie net lang genoeg blijft liggen om ‘m in z’n kraag te kunnen vatten.
Twee baleinen zijn gebroken. Het lijkt hun relatie wel.
Nijdig smijt ze de paraplu op de grond, en gaat er bovenop staan springen.
Zelden heeft ze zo’n razernij gevoeld.

Haar vriend bleek een teleurstelling in cadeauverpakking, en zij heeft zich laten misleiden door zijn fatsoenlijke voorkomen.
Ze pakt de plu bij het handvat en slaat er hard mee op de grond. Ze raast en ze scheldt en ze tiert. Ze hoopt dat-ie heftige gordelroos krijgt, eenzaam zal sterven, en als het aan haar ligt, wordt de castratieplicht ingesteld.
Haar verzorgde kapsel is veranderd in een coupe windhoos, en haar voeten soppen in haar schoenen, maar het kan haar niets schelen.

Uitgeraasd pakt ze de plu op.
Ze is zeer te spreken over het eindresultaat. Alle baleinen zijn geknakt, en de stof is gescheurd. Voldaan propt ze ‘m in de dichtstbijzijnde prullenbak.
Een man, een illusie en een paraplu armer, maar god, wat heeft ze van die laatste veel plezier gehad!