De sigaar

Ochtendschemer

‘Bent u niet bang?’ vraagt de man.
‘Bang?’ herhaal ik, ‘waarvoor?’ Ik kijk hem van opzij aan. Hij ziet er uiterst charmant uit: zijn gezicht lijkt op een onopgemaakt bed, zijn haar staat alle windstreken op, hij draagt een korte lange broek, een pyjamajas en witte sokken in badslippers.
‘Nou, omdat het half vijf ’s nachts is en u alleen buiten loopt.’
‘Oh, maar ik ben in goed gezelschap,’ antwoord ik op geruststellende toon.
‘Dank u,’ zegt de man. Tevreden trommelt hij met zijn vingers op zijn omvangrijke buik.

‘Eigenlijk bedoelde ik mijn hond,’ beken ik.
Even is het stil, dan blijkt de kerel een lenige geest te hebben want hij buldert zo hard dat ik bijna tot zijn huig kan kijken. Tijdens het lachen, waaiert hij sigarenrook uit en het kleine zuchtje wind dat er staat, blaast het in mijn richting waar het kringelt onder mijn neus.
‘Sorry,’ zegt de man.
Ik wuif de rook en zijn opmerking weg.

De nacht kabbelt gemoedelijk de schemer in.
Buiten is het doodstil. Geen auto, opgevoerde brommer, boot of hond die lawaai maakt. De stilte is zo intens dat mijn gehoor niet weet wat het meemaakt.

Sigaar trekt zijn witte sokken op. Ze rijken nu tot halverwege zijn kuiten. Niet dat ik er charmant bijloop: ik ben in pyjamabroek en t-shirt rechtstreeks de zwoele nacht ingelopen.
Ik ken noch de man noch zijn hondje. De laatste is een blaffende draaitol die allesbehalve ondervoed is, maar nu geen spoortje van activiteit vertoont.
Na een snuffelstage is ook Rosa erbij gaan liggen. Ze vindt het duidelijk te vroeg voor een uitgebreide wandeling.

‘Ziet u ze vliegen?’ informeert de man vriendelijk. ‘U kijkt aldoor omhoog.’
Ik knik. ‘Vleermuizen,’ zeg ik.
‘Vleermuizen?’ herhaalt Sigaar verbaasd. Zijn mond valt open, het stompje sigaar belandt op de grond en hij trapt het uit met zijn badslipper.

Met de slapende honden aan onze voeten speuren we de ochtendschemering af.
Tientallen vleermuizen zwermen geruisloos rond. Ze vliegen grillig en in grote lussen.
‘Het lijken wel dronken mussen,’ constateert de man. ‘Oh, oeps, dat zal de vrouw zijn.’ Hij diept zijn mobiel uit zijn broekzak en zegt: ‘Ja hoor, ik word gemist.’

We zwaaien af.
Als hij wegloopt, valt me op dat zijn voeten een tikkeltje uitslaan naar buiten. Hij neuriet zachtjes in zichzelf. En dat op maandagmorgen…

Het carillon

carillon

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor mei-juni 2016 met als thema: musiceren. 

‘Kom schat, we moeten opschieten!’ jut Thijs zijn vrouw op. Hij weet dat ze een hekel heeft aan zijn muzikale uitstapjes, helemaal op haar enige vrije dag van de week. De harmonie in hun huwelijk is de laatste tijd dan ook ver te zoeken. En hij heeft nog wel zo zijn best moeten doen om vanavond als enigen de toren te mogen beklimmen.
Stiekem gooit hij een pilletje in Claudettes kopje espresso. “Houd er geen stemvork bij in de buurt,” had de verkoper hem gewaarschuwd, “want dat maakt de werking van de pil ongedaan.”

Het carillon strooit haar klanken uit over de oude binnenstad.
Claudette knippert verdwaasd met haar ogen, kijkt haar man aan als in trance en begint sneller te lopen. Haar armen voor zich uitgestrekt alsof die het eerst boven willen komen. In de haast dichter bij de muziek te zijn, loopt ze passanten schaamteloos omver.

Bij het begin van de torentrap kijkt ze haar man een tikkeltje angstig aan. Ze is altijd bang geweest voor nauwe ruimtes.
‘Niet opgeven nu, lieveling, je bent zó dichtbij,’ fluistert Thijs tegen haar.
Haar naaldhakken lopen ongemakkelijk over de ongelijke, smalle stenen.
‘Doe ze maar uit,’ adviseert hij.

Het lijkt wel of iedere gespeelde noot Claudette nog harder roept dan de vorige. Hijgend komt ze bovenaan tot stilstand.
‘Laat mij maar even,’ zegt Thijs. Ze passeren ongezien de carillonspeler en Thijs doet de deur naar de jubelende torenklokken open.
Zijn vrouw siddert en lijkt een climax nabij. Ze klautert over een houten hek, wacht een moment, werpt zich zonder aarzelen op de grootste klok en klampt zich daaraan vast.
Er klinken vijf afgrijselijke valse noten, dan wordt Claudette letterlijk opgeslokt door de klok.
Thijs glundert. Nu kan hij op zoek naar een onbespeeld muziekinstrument dat zijn leven opnieuw klank zal gaan geven.

Dromen

dromen

Ik heb iets met dromen.

Als de nacht van gisteren herinner ik me de droom die ik vlak voor mijn opname in het Sophia Kinderziekenhuis had. Wij woonden op de 9e verdieping van een flat. In mijn droom hing tussen onze huisdeur en balustrade een gigantisch spinnenweb. Mijn vriendin Linda glipte er doorheen alsof het water was; ik raakte verstrikt in de draden.

Rond mijn 25ste ben ik me gaan verdiepen in dromen.
Bijvoorbeeld, waarom je droomt.
Dat is om gebeurtenissen van de afgelopen dag te rangschikken in je hersenen zodat alles wordt opgeslagen in je geheugen. En ja, ook jij daar, die denkt dat je nooit droomt, jij droomt dus ook!  

Je hebt archetypische dromen: dromen die ieder mens ongeacht woonplaats, leeftijd of geslacht heeft. Dat je tanden uitvallen; je achterna wordt gezeten; moeilijk vooruitkomt omdat het lijkt alsof je door stroop loopt, of een examen moet doen waarvoor je niet hebt geleerd.

Er zijn repeteerdromen
Ik ben in november 1992 met roken gestopt maar stap nog regelmatig heel asociaal met een brandende sigaret in een bus. En vlak voordat ik trouwde droomde ik alsmaar dat Joris op de bewuste dag niet kwam opdagen. ‘Verbaast me niets,’ zei ik tegen mijn tante. ‘Mijn ook niet,’ was steevast haar geruststellende antwoord.

…en wensdromen…
Min of meer toevallig ging ik eens naar bed met de gedachte dat ik mijn overleden hond weleens wilde terugzien. Prompt kwam ze ’s nachts naar me toe hollen. Even haalde ik haar aan; onmiddellijk ging ze er weer vandoor. Blijkbaar heeft ze het naar d’r zin waar ze nu is (-:
Ik droom ook weleens dat ik op de racefiets zit of aan het hardlopen ben. Dan word ik duizelig van geluk wakker.

…en voorspellende dromen.
In 1995 waren mijn en Joris’ ouders ’s avonds bij ons op de koffie geweest. ’s Nachts droomde ik daarover. We dronken wijn, proostten en riepen in koor: ‘Op het nageslacht!’ In mijn droom keek ik opzij. Op de muur stond in grote letters: 1 april! Ik vond het maar een achterlijke droom.
1 april 1996 werd ik moeder. In verwachting geraakt terwijl ik de pil slikte.

Je kunt dromen duiden m.b.v. droomuitleg-boeken. (Waarin bijv. staat dat dromen over een groot spinnenweb een ongunstig teken is.) Alleen ligt het antwoord niet altijd voor de hand.
Stel, je bestuurt een vrachtwagen en je kunt niet goed bij het rem- of gaspedaal, dan maakt het een groot verschil of je vrachtwagenchauffeur van beroep bent of alleen je “gewone” rijbewijs hebt. In het laatste geval zóu het kunnen betekenen dat je in het dagelijks leven iets doet wat je boven je macht gaat.

Tijdens de twee donkerste perioden in mijn leven – in 2005 in de ggz en afgelopen winter/voorjaar – kreeg ik van tevoren een soort visioen. Op het moment zelf begreep ik er weinig van. Toen ik midden in de ellende zat, vielen de kwartjes en had ik er steun aan.

In de ggz voelde ik me toentertijd heel alleen. Ik kreeg daar een droom over mijn oma die ruim 10 jaar geleden was overleden. Ik was bij haar op bezoek in haar oude huis in Kralingen. In de woonkamer zat allemaal familie. Mijn oma en ik zaten naast elkaar op een stoel. Ineens kwam er een mist opzetten die de andere familieleden aan het oog onttrok. Mijn oma sloeg haar arm om me heen en knuffelde me. Als ik eraan denk, voel ik weer de ontroering; de droom voelde zo echt.

Verder ben ik heel gewoon gebleven, hoor. Jullie kennen me langer dan vandaag: ik ben geen zweverig type. Eerder licht tobberig en vreselijk onhandig.

Herinner jij je weleens een droom? Of, als je nooit denkt te dromen: heb je een dagdroom? 

Wassend water

wateroverlast

Gniffelend bekijkt hij de kelder die vol water staat. Hij heeft de opmerkelijke gave van alles het positieve in te zien. Zijn vrouw en kinderen zijn al geëvacueerd, en het zal niet lang meer duren of het water zal vóór het vallen van de avond tachtig centimeter gestegen zijn. Voor hij vertrekt moet hij eerst nog een noodzakelijk klusje wegwerken om later persoonlijk leed te voorkomen. Als een blindeman neemt hij in lieslaarzen de benedenverdieping onder handen.

Met ijzeren hardnekkigheid tast hij met een bezemsteel de keukenkastjes af. Hier moet er ergens ook nog eentje liggen. Jammer dat die krengen niet ronddrijven in het water, dan hoefde hij niet zoveel moeite te doen…
Hebbes! Hij voelt hoe de steel onder zijn handen reageert, trekt ‘m omhoog uit het water, en sjort zijn vangst omhoog naar de bovenkant van de stok. Dat is nummer zes, nog één te gaan, denkt hij tevreden.
Jarenlang heeft hij zich fulltime in het zweet gewerkt om van die rotdingen verlost te raken en dankzij het overvloedige water zal hij zegevieren.

Wadend door de gang ziet hij dat de wc-pot onder water verdwenen is. Toiletrollen hebben zich volgezogen met water en klonten bijeen in een hoek, en een lege prullenbak dobbert troosteloos voort. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg is, stinkt het hele huis naar lege viskommen.

De laatste kast krijgt hij maar met moeite open. Met zijn laars verplaatst hij bergen suiker, meel en rijst, en maakt met de lange stok roerbewegingen tot achter in de kast. Pok.…eindelijk…de laatste!
Als een trofee hangt hij de bezemsteel aan de kapstok. Zijn blijdschap komt niet helemáál van binnenuit, maar na zich jarenlang geërgerd te hebben aan die rotbeesten, is de ganse generatie compleet verzwolgen. Als ze voortaan een piep horen, is het van een deur.

Scheef

Lijst van Aadje mijn paatje

Wat ik gisteren nou weer had!
Ik deed een plas en kreeg zulke pijnscheuten in m’n rug dat ik niet meer op de wc kon blijven zitten, maar ook niet overeind kon komen. Van ellende liet ik me op de grond zakken.
Daar zat ik dan: op z’n hondjes met mijn pyjamabroek op half zeven.
Ik jammerde: ‘Joris! Joris!’
Geen reactie. Zeker weer achter de vrouwen aan.

Met behulp van de deurpost en de wasbak hees ik me overeind en schuifelde richting de trap. Daar kreeg ik vlijmscherpe steken en zwarte vlekken voor mijn ogen. Ik durfde niet naar beneden en begon te grienen. Zachtjes. Want dat deed ook zeer.

Ineens ging de buitendeur open. Joris en Rosa stonden druipend in de deuropening.
‘Wat heb jij nou?’ vroeg Joris.
‘Mijn rug is stuk,’ snikte ik, ‘Ik denk dat ik spit heb.’
Man sleepte me naar beneden en stationeerde me in de keuken. Daar bleef ik onbeweeglijk tegen het aanrecht aan leunen.

Saartje – onze hooligan – voelde zich verwaarloosd. Mijn eerste taak ’s ochtends is haar groente brengen en ik verzaakte deze eervolle opdracht. Als protest maakte ze ruzie met haar lege voederbak en liet het alle plinten van de kamer zien.

‘Wil je dat beest te eten geven?’ vroeg ik.
‘Tuurlijk,’ zei Lief. ‘Kan ik verder nog iets voor je doen?’
‘Ja, me helpen mij sokken aan te trekken; de konijnen buiten eten geven; een eitje voor me koken; mijn ontbijt op tafel zetten, me naar tafel begeleiden, me overeind hijsen uit de stoel als ik klaar ben…’
Joris keek bedremmeld terwijl hij de klok achter mijn hoofd raadpleegde.
‘Hoe langt duurt spit?’ wilde hij weten.
Die vraag snapte ik. Heeft-ie eindelijk zijn kwaliteitsverlof van twee maanden, krijgt hij een dagtaak aan de verzorging van zijn eega.
Ik monterde hem meteen op, want zo ben ik: ‘Binnen drie weken is het meestal wel over.’

Momenteel zit ik in sjofele kleren rechtop op een stoel. Ik adem zo min mogelijk. Als ik iets laat vallen, raap ik het op met mijn tenen zodat ik niet hoef te bukken, en ik kreun bij iedere beweging die ik maak. Edoch, klagen ligt gelukkig niet in mijn aard.
Als ik jeuk op m’n rug krijg. wring ik me niet in allerlei bochten maar pak ik de houten lepel van het slacouvert. Ik krab er schaamteloos de vellen mee van mijn rug. Even blazen. Klaar.  Ik ben mijn eigen motivator en doe lichte oefeningen. Ogen dicht, ogen open, ogen dicht…Voor iemand met spit maak ik grote stappen.

Tijdens mijn zit-sessie op de stoel viel me iets vreemds op. Mijn tekening aan de muur hangt scheef. Precies zoals mijn rechterschouder hangt als ik “rechtop” sta. Gisteravond toen ik naar bed ging, hing de tekening nog recht. Zouden zich in Huize Kakelbont mysterieuze krachten afspelen?

(Noot van de redactie: bekijk vooral de lijst: maatwerk van mijn vader.)

In de stoel

ontspannen

Ik voelde altijd al een onbedwingbare hunkering om in deze stoel plaats te nemen. Zelden was het moment geschikter: het ziekenhuis is de rust zelve. Bij de koffiecounter zit welgeteld één man en de servicebalie is leeg.
Ik kijk weer naar de stoel: voor het luttele bedrag van twee euro is-ie tijdelijk van mij. Ineens krijg ik haast, diep een muntstuk op, werp het in het kastje en neem plaats.

Langzaam gaan mijn benen omhoog. Ik heb echt zin in dit zen-momentje en leun ontspannen achterover.
Onder me voel ik diverse rolbewegingen. Het is alsof ik op airbags zit waar afwisselend lucht wordt in- en uitgeblazen.
Abrupt stopt het rollen en begint het apparaat te trillen. Ik grijp mijn tas op schoot steviger vast en kan mijn lachen niet inhouden. Aan deze euforie komt snel een eind want ineens komt het ziekenhuis tot leven. Het is alsof de massagestoel een magneet is die patiënten uit alle hoeken en gangen naar zich toetrekt. De mensen gaan bij de koffiecounter of de parkeerautomaat stellen zich in filevorming op, en hebben niets beters te doen dan naar mij te kijken.

Twee zussen blijven arm in arm op enige afstand voor me staan. Ze hebben sjaaltjes om hun nek geknoopt alsof ze padvinders zijn en om hun mond zitten plooirokjes. Hun gezichten  stonden op chronische bezorgdheid maar sinds ze mij in hun vizier kregen, straalt de zon op hun gelaat.
Een man pakt zijn vrouw bij de elleboog en zegt: ‘Die stoel wilde jij toch ook altijd zo graag proberen?’
‘En dan door iedereen bekeken worden,’ sist ze hem hard toe. ‘Ik dank je feestelijk!’

In één keer is alles weg wat de stoel belooft: “Een moment van ontspanning in deze gejaagde tijd.”
Ik sta slechts nog óp spanning.

Ik sluit mijn ogen en doe alsof ik hier niet ben. In plaats daarvan zit ik op een matje op het strand en luister naar de golven.
Het lukt niet.
In mijn hoofd ben ik alleen maar met de toeschouwers bezig. Ik heb het gevoel dat ze zich ten koste van mij amuseren. Dit is vele malen enger dan een naaktselfie maken. Als dit nog lang duurt, raak ik overstuur.

Zelden duren vijftien minuten zo lang.
Zodra de onderkant van de stoel omhoog komt, wacht ik niet tot de zitting stilstaat. Ik vind een glimlach, zet ‘m op mijn gezicht en schiet overeind alsof ik gelanceerd word. Dat is dom. Heel dom. Het begint te draaien voor mijn ogen en van ellende moet ik me weer terug in de stoel laten zakken.
De twee zussen volgen gebiologeerd mijn actie. Dankzij mijn te lage bloeddruk krijgen zij extra waar van mijn geld.

Ik begrijp volkomen waarom ik nimmer mensen heb zien plaatsnemen in deze massagestoel: hij is slecht voor je gezondheid. Hij werkt vooral op de lachspieren van anderen.

Ziet ze vliegen

‘Die kerel,’ wijst Joris, ‘zit al op ze te te wachten.’ Hij zegt het met een overtuiging alsof de man een bekende is die hij een half uur geleden nog gesproken heeft. De bewuste kerel zit op een inklapbaar stoeltje naast een scooter. Om zijn nek hangt een imposant fototoestel.
‘Nu al?’ schamper ik. ‘Ruim een uur te vroeg. Zeker bang dat ze wind mee hebben.’
Joris doet alsof hij me niet hoort.
Aan de overkant bij de molens van Kinderdijk staat langs de dijk een lange sliert auto’s te blikkeren in het zonlicht.
Die staan óók te wachten, beweert Man.

We slaan linksaf de polder in met koeien, grutto’s, ooievaars en stille leegtes.
‘Hier wil ik een huisje,’ zeg ik.
Joris zwijgt. Ik altijd met m’n huisje zonder elektriciteit, internet en met uitzicht op niets. Sinds ik tijdens onze vakantie in Noorwegen een klein, perfect exemplaar gezien heb, is dat mijn liefste wens die waarschijnlijk nooit vervuld zal worden.

‘Kijk, een lepelaar!’ roep ik verrast.
‘We moeten opschieten,’ zegt Man kriegelig. Door mij loopt zijn tijdschema gevaar. Ik heb net ook al zitten wildplassen en nu zie ik weer een lepelaar.

Met een slinger fietsen we terug naar de dijk. We nemen een helling die net zo steil is als de Keutenberg maar de helft korter.
Bovenaan vraagt Man nerveus: ‘Hoe laat is het?’
‘Weet ik veel,’ zeg ik, ‘dan moet ik op mijn mobiel kijken.’
‘Die zit zeker in je tas,’ zegt Joris met een veelbetekenende blik op m’n bagagedrager. Ik sjor gewillig de rits van mijn tas open.

Het hoeft al niet meer.

‘Daar zijn ze!’ roept Joris. Hij wijst naar links en is opgetogen als een kind.
Ik zie twee stipjes dichterbij komen. Ze vliegen laag en pal naast elkaar boven de rivier. Voor ik één twee, drie, vier kan zeggen, zijn ze alweer uit het zicht verdwenen.
Joris staart ze na en zegt verlangend: ‘Misschien vliegen ze nog een extra rondje.’
Wat kunnen volwassen mannen soms naief zijn.

Man heeft het ineens gezien en wil naar huis. Naar de rode wijn.

Na honderd meter passeren we dezelfde fotograaf als anderhalf uur geleden. Hij staat nu rechtop en maakt heftige armbewegingen terwijl hij luidruchtig in zijn telefoon roept: ‘Ze vlogen zó…récht voor mijn lens langs!’
‘Zie je,’ zegt Joris glunderend, ‘ik zei het toch?’
‘Je hebt hartstikke gelijk, schat,’ geef ik toe, waar ik natuurlijk geen gewoonte van ga maken.

Weer thuis krijgen we een half uur later een ping! van de NOS: JSF scheert over regio Rijnmond.
Tssss, wat een oud nieuws!

jsf boven Kinderdijk

Engel zonder vleugels

Liesbeth –  de lieverd heeft me al twee schrijfschriften per post gestuurd – vroeg hoe Roos tegen mijn duistere periode heeft aangekeken.
Ik mocht er van Roos over schrijven als ze maar wel haar veto erover mocht uitspreken. Vanzelfsprekend.

Roos kan ik lezen als een opengeslagen boek.
Ze wilde wel een gesprek maar vond het moeilijk erover te beginnen.
En ik wilde haar er niet mee belasten.
Aan de andere kant is het fijn als je dingen kunt uitspreken. Dat is waardevoller dan ze in een afscheidsbrief  te moeten schrijven of lezen. Waarom mag je wel over euthanasie praten als je ongeneeslijk ziek bent maar is het een taboe als je je verpletterd voelt door het leven?

De oplossing kwam per post.
Ik herkende het handschrift, scheurde de envelop stuk en zag een blauwe kaart. Binnenin schreef Roos dat ze onvoorwaardelijk van me houdt, ongeacht de keuze die ik maak.
Ik begon te brullen op de deurmat. Roos kwam met een noodvaart haar kamer uit de trap afrennen en we huilden op elkaars schouder.
‘In deze moeilijke tijd wil ik er ook voor jou zijn, mam. Voor mij deed en doe je alles.’
Ik verzekerde haar ervan dat het niet aan haar lag maar aan mij.
‘Dat weet ik toch. Je bent gewoon een elastiekje waar de rek uit is.’

‘Kom,’ zei ze.
Ik moest mee naar haar kamer.
‘Ik ben zo terug,’ zei ze. Met dampende mokken, en Rosa in haar kielzog kwam ze naast me op haar zitzak zitten. Met een vooruitziende blik had ze de keukenrol onder haar arm gestoken.
Ze roerde met ferme halen door haar thee. ‘Ik wil niet aan de zijlijn staan. Ik wil je hélpen. Maak me wakker als je ’s nachts stuk zit.’
Dat wilde ik niet. Haar leven ging gewoon door. Zij moest naar college en naar haar werk.
Ze vroeg of ik iets voor haar wilde doen. Ze was alleen bang dat ik het mutserig zou vinden. Ze liet het me zien en ik wist niet waar ik kijken moest; vond het zó lief.
‘Dan heb je ook wat te doen,’ legde ze uit, ‘als afleiding.’
Om de beurt snoten we onze neus in een vel keukenpapier.
Ik keek naar haar oogverblindende witte smoeltje en voelde dat ze het gat vulde dat in m’n binnenste zat.

Twee dagen later vielen drie boekjes door de brievenbus. We bladerden ze door en beslisten unaniem: deze wordt het. Roos typte nog een lijst met vragen over uit de andere boekjes, voordat we ze retour stuurden.

Samen kochten we een zilver medaillon. Op de achterkant wilde ze “Mama” gegraveerd hebben.
In de binnenkant bengelt een klein hartje en er is ruimte voor een foto.
‘Geen foto,’ zeiden we allebei tegelijk.
‘Je kan er stukjes uit m’n neus in doen,’ grapte ik.
‘Of afgeknipte stukken teennagel,’ zei Roos. Meteen kregen we de slappe lach.
Ze zei dat ze me een geweldige moeder vond.
Ik wierp tegen dat mijn enige vaardigheid is dat ik blind kan typen met tien vingers. Dan gierden we weer.

In plaats van te gaan stappen met vriendinnen, naar koor of het Erasmus te gaan, wilde ze voor me thuisblijven. Eenmaal heb ik van haar aanbod gebruik gemaakt. De andere keren werkte ik haar persoonlijk de deur uit. Ze appte me, stuurde snapchats, legde lieve briefjes voor me neer en was m’n chauffeur als ik te moe was om te rijden maar tóch een vers Italiaans schepijsje wilde. Of nieuwe sokkenwol. Ze deed boodschappen voor me en liet Rosa uit. Ze downloadde alle afleveringen van Downtown Abbey voor me. ‘Kijken, mam, doen!’
Maar boven alles maakte ik gretig gebruik van haar gezelligheid.

Ik ben zo trots op mijn Kind.
Net twintig en ze gedraagt zich als een volwassene. Haar dapperheid gaf en geeft me kracht om door te gaan. Al had ik haar alles liever bespaard, door alle ellende voel ik me nauwer met haar verbonden dan toen ze nog aan mijn navelstreng zat.

imageedit_4_4887532953

 

Popey

Popey

We lopen tegelijkertijd uit een gangpad.
De kerel moet diagonaal lopen en ik rechtuit, dus zal ik als eerste bij de kassa aankomen. Blijkbaar zint dat de man niet want met een ferme tred rijdt hij met z’n karretje het vel van m’n hielen.
‘Als je haast heb, mag je wel voor, hoor’ zeg ik pissig, ‘maar wil je niet over me heen rijden?’
De man – postuurtje rugbyspeler – is blijkbaar intens gefrustreerd want zijn woede stijgt meteen tot  kookpunt. Hij slaakt een reeks krachttermen die ik nog nooit heb gehoord.
Ik besluit de ‘m te negeren.
Dat is moeilijk. Voor het eerst in m’n leven zie ik een kerel met zijn spierballen rollen. En ook al wil ik het niet, mijn ogen lijken aan zijn armen vastgeklonken. Wat ik zie is een wonderbaarlijk fenomeen: het behang op ’s mans blote armen komt tot leven. Op zijn biceps staat Popey en ik zou zweren dat het stripfiguur het blik spinazie in zijn hand naar zijn mond beweegt.

De eigenaar lacht smalend bij het zien van mijn verbaasde blik en  probeert handig van de gelegenheid gebruik te maken door zijn winkelwagen voorbij mij te rijden. Ik geef m’n mand op rolletjes een zwieper, geef zijn kar met m’n bescheiden achterwerk een duw, en leg mijn boodschappen op alfabetische volgorde op de kassaband.
‘Ik mocht toch voor?’ buldert hij in m’n kielzog. De rimpels op zijn voorhoofd lijken over zijn gemillimeterde haar naar zijn achterhoofd te rollen.
‘Ik laat alleen vriendelijke mensen voor,’ zeg ik, terwijl ik de kassière mijn bonuskaart aanreik.
Betalen is zo gepiept. Ik stop mijn aankopen in m’n tas en hang ‘m over m’n schouder.

‘Hé!’ roept de kale neet achter me.
Hij wil vast zijn gram halen door zijn middelvinger naar me op te steken, denk ik. Toch kijk ik om.
Met zijn wijsvinger en een vrolijk gezicht wijst hij naar de afbeelding op mijn tas van David Bowie. Ik glimlach. De man heeft smaak voor muziek; er is nog hoop voor hem.  Ik ben geneigd hem een knipoog te geven – muziekliefhebbers onder elkaar –  maar daar ben ik te fatsoenlijk voor. Ik heb ten slotte niet met ‘m gefietst of geknikkerd.

In de auto doe ik een fijne ontdekking. Ik heb haar vooruit ingeparkeerd en het parkeervak tegenover me is leeg. Ik geef gas en rijd over de hobbel die als afscheiding dient. Dat is weer zo’n moment waarvan het me spijt dat mijn rij-instructeur het niet ziet.
Rechts van me komt een zwarte Dodge aanstuiven. Het is Popey.
Als hij me ziet, stopt hij en maakt een royaal gebaar: ik mag voor.
Een sarcastisch stemmetje in me zegt: Trap er niet in! Hij rijdt zo over je blauwe koets heen en dan kan ze naar de schroot.
Maar ik geloof geen barst van mezelf en neem het charmante gebaar met een vriendelijk hoofdknikje in ontvangst.

Wel achtervolgt Popey me naar huis. Eerst door de Hoofdstraat en dan linksaf door de schilderswijk.
Dan zet ik m’n knippertje naar links en parkeer voor de deur. Popey slaat rechtsaf, draait met de weg mee naar links en parkeert bij het flat van driehoog.
Asjemenou! Blijkt die gast zo’n beetje mijn buurman te zijn. De wereld is een stuk kleiner dan ik dacht.

Drama

Lady Granthem

Ken je dat? Dat je ’s avonds in bed stapt, je ogen dichtdoet en in slaap valt? Letterlijk? Je bent onderweg naar dromenland maar je valt van een trap de diepte in, en je lichaam reageert daarop met een schrikreactie.
Dat komt – kortgezegd – omdat je lichaam vermoeider is dan je geest.

Zo’n slaapstuip had ik nou iedere nacht.
Alleen  – ipv van dat ik van een trap lazerde – kreeg ik een schok door mijn lijf alsof er 220 volt op werd gezet. Of meer.
Na de ergste schrik concentreerde ik me op m’n ademhaling – adem in, adem uit – en voelde me weer langzaam wegzinken in een weldadige toestand….en daar was schok nummer twee. En dat keer op keer op keer. En het werd alsmaar erger. Omdat er iets mis is met mijn REM-slaap.
Ik moest genoegen nemen met hazenslaapjes van één of twee uurtjes per nacht. Als ik al sliep. Al die tijd snurkte Joris naast me dat dat het een aard was. Het liefst had ik stiekem mijn neus in zijn pyjamajas gesnoten.

Dat ik moe was, was een understatement. Nooit werden mijn interne batterijen eens lekker opgeladen. Sombere gedachten lagen als vanzelfsprekend op de loer. Ik zag het als geestelijke fysiotherapie om ze te weerstaan maar het was alsof ergens in mijn hoofd een Bermudadriehoek zat waar alle hoop en levensvreugde in verdween. Ik voelde me genaaid door het leven en deed een moord voor een narcose.

Ik vond het leven niet meer leuk. Het liefst wilde ik stoppen met ademhalen en onder een steen gaan liggen. Ons dorp heeft een begraafplaats op een juweel van een locatie: midden tussen de weilanden, waar kieviten buitelen, koeien herkauwen en grutto’s hun eigen naam roepen. Het was alsof de rust me riep.
Ik sloot mijn tweedehands boekwinkeltje bij Bol en gaf ruim 300 boeken aan een goede doel.
Ik schreef de wachtwoorden van m’n telefoon, laptop en tablet op.
Bloemen, muziek, in mijn hoofd had ik alles al geregeld.
Schreef afscheidsbrieven en verscheurde ze weer. Het was een strijd van leven op dood. En geloof me, als ik íets ben, is het een doorzetter.
Wees blij als je het niet begrijpt.

Ondanks dat ik er uitzag als een lijk in de maneschijn, de seks-appeal van een haringkar bezat, en de neiging had bij elke opmerking van een huisgenoot mijn lip op te trekken en te grommen, hield Joris dagelijks hetzelfde gelijkmatige humeur. Hij werd niet boos, maar zei trots – alsof het mijn persoonlijke verdienste was – : ‘Schat, jij bent mijn branding.’
Roos schreef lieve briefjes, zorgde voor koffie en bakte suiker- en glutenvrije koekjes voor me.

Ik deed nog wel wát.

Ik brei(de) sokken.

Ik kookte.

Als de zon scheen, lunchte ik in de tuin. Saartje en Rosa kuierden zij aan zij over de bodembedekkers. Kwamen ze tulpen of akelei tegen dan liepen ze die plat alsof het een wedstrijd was. Een beetje hovenier zou er een rolberoerte van krijgen.

Ik luisterde naar muziek: David Bowie (who else?), Talk Talk, Coldplay, Tom Odell  en The Blue Nile.

Ik veranderde van huisarts. De nieuwe is ondernemend en pleegt veelvuldig overleg met mijn neuroloog. Sinds kort heeft laatstgenoemde eindelijk het juiste medicijn in de juiste dosering tegen de stuipen gevonden.

Ik ben een nieuw traject gestart bij een klinisch Psycho-Neuro Immunoloog. Een kruising tussen veel wetenschap en een beetje alternatief. Voor zover je voedingssupplementen alternatief noemt dan. Als klap op de gelukspijl slaap ik door de supplementen beter door.

En altijd was daar Rosa.
Ongeacht het tijdstip en de stemming waarin ik ’s nachts in de woonkamer arriveerde, verwelkomde ze me met een roffelende staart. Samen klommen we op de bank. Terwijl Rosa snurkte en mijn voeten warm hield, keek ik Netflix. Ik – die nooit iets van series kijken wilde weten – jaste er in recordtijd alle seizoenen van Donwton Abbey doorheen. Een kostuumdrama over mensen met een verfijnde levensstijl waar nieuwsgierigheid een slechte eigenschap is. Ik ben hardcore-fan van Lady Granthem geworden; een rol van Dame Maggie.
Leve Roos: waar Netflix stopte, downloadde zij de afleveringen illegaal voor me verder.

Ik heb veel bezorgde mailtjes, lieve kaarten en meelevende WhatsApps van trouwe lezers gekregen.
Maar ik zat te opgesloten in mezelf om te reageren. Ik leefde maar half. Het was alsof ik gevangen zat in een doolhof zonder uitgang. Alsof ik een schip in een fles was. Ik nam alles waar maar kon nauwelijks reageren.
Lieve iedereen, bedankt voor alle aardige dingen die jullie tegen me zeiden. Dank, dank, dank dat jullie mijn gekakel misten en dank voor elk warm woord dat jullie schreven. Ik heb elk bericht gekoesterd.

Ik heb zin om weer te bloggen maar heb (nog) totaal geen inspiratie. Dus help me een handje: heb je een vraag, wil je iets van me weten? Mail ‘m naar pippi at freeweb punt nl en dan probeer ik ‘m te beantwoorden.

Tot gauw!

Rosa