Koekjesmonster

Mei 2009


Oh…een mandje met koekjes…ik ben gered! Hmm, een roomboterbiesje…lekker. Maar ja, één koekje verdwijnt zo in m’n holle kies. Het tweede koekje is een Jan Hagel, ook lekker, het derde een speculaasje en het vierde een Weesper mop. Nu  heb ik een kwartet koekjes op.

Leuk hoor, over binnenweggetjes fietsen, behalve als er nergens een bakker is. Te laat kwam ik tot de ontdekking dat mijn brood en bananen nog thuis op het aanrecht liggen. Meteen voelde ik een zwaarmoedigheid in me opkomen; met een lege maag kijk je anders tegen de toestand in de wereld aan. Onderweg stond een moeder met kind de eendjes te voeren en alhoewel ik geen jaloers typje ben, moest ik toen ik dat halfje brood zag, toch even slikken. Dankzij mijn enorme zelfbeheersing heb ik niet om een boterham gebedeld. Leuren met jezelf is ook niet chic.

Nu sta ik in een café. Het bordje op de deur zegt: open. Dat is een grote leugen, ik heb heel hard en vaak “volluk!” geroepen, maar er verschijnt geen hond. Met bibberbenen van de klophonger sta ik aan de bar bij een mandje met koekjes, en pak er weer eentje. De cellofaantjes prop ik in mijn koerszakje en de inhoud in m’n mond. Na het negende koekje krijg ik dorst. In het toilet vul ik de bidon en klok de kruimels weg.

Terug naar de bar. Nog steeds nergens personeel. Ik eet me uit de naad aan koekjes. Het mandje raakt leger en leger, totdat er nog drie de bodem van het mandje bedekken. Ook zielig…hun hele familie zit in m’n maag en dan zouden zij eenzaam achterblijven. Mijn besluit is snel genomen.

Op!
Zal ik de koekjes betalen? Nee joh, die koekjes kopen ze met honderd tegelijk in. Ja maar anders gaan ze me onderweg vast dwars zitten. Ik leg wat geld neer en dan, hup! als de wiedeweerga de fiets op, het is nog twaalf kilometer naar de bakker in Schoonhoven. Buiten  kijk ik nog eenmaal achterom. Het bordje liegt niet, denk ik, de déur staat inderdaad open!

Een kwaaiige stier

‘Dur kom un kwajjege stier an!‘

Een kwaaiige stier? Ik ben al weg! Zo snel mogelijk – en da’s heel snel – draai ik mijn fiets en rijd over het eerste bruggetje linksaf. Nu fiets ik parallel. Beter kan ik het niet treffen: met mijn giechel erbovenop, maar buiten levensgevaar. De boer die de waarschuwing naar mijn hoofd slingerde, blokkeert met een tractor het plaatselijk verkeer. Boven het geronk uit, brult een boer die naast hem staat: ‘hie komp tog nie bai main hè, ik heb un tochtuge koei.’ Een tochtige koe, da’s geen koe die in een stal staat met alle ramen en deuren open, maar unneh… zeg maar een ontvankelijke koe.

Daar zul je ’t geteisem hebben, achterna gezeten door een tweede tractor. De stier is een macho die eruitziet alsof hij een lijntje coke  gesnoven heeft en elk moment kan ontploffen. Doldriest stampt hij zijn eigen neus met tandwiel achterna. Ruikt hij de moeder van zijn aanstaande kinderen? De eigenaar van de periodieke koe schrik zich te pletter van het aanstormend gevaar, doet een pas naar voren en kukelt over zijn perkhekje voorover op de grond. Ik lach  niet.

Beide boeren laten hun trekker staan en hollen de stier achterna. Ik hoor een ijselijke kreet en daarna stilte. Grote stilte. Jasses…sta ik hier eenzaam, en weet ik niet hoe het afloopt! Teleurgesteld fiets ik verder.
Ik moet natuurlijk weer een plas doen en zie verderop een mager struikje. Oh, wat ligt daar nou? Een platgelopen hek met een bordje: pas op voor de stier. Het struikje staat voorbij het weiland met bordje, dus daar trek ik me terug achter. Asjemenou, in de verte rijden twee tractoren achter een bruine olifant aan. Dat plast niet lekker. Kijk eens goed, monter ik mezelf op, misschien is ‘t beest uitgeblust? Vermoeid van zijn sloopwerk of zijn omgang met de koe?

De stier loopt zijn eigen gesloopte hek voorbij en draaf mijn kan top. Oh oh, arme fiets, straks worden we verpletterd. Bezie het van de zonzijde: misschien kom ik met mijn naam in de krant.

Na een minuut die een jaar duurt, draait de stier vlakbij als een wezenloze rondjes om zijn as, en loopt op zijn gemak terug naar de twee trekkers. Hoe gaan de boeren dat oplossen met dat kapotte hek? Ik zou ‘t niet weten, want ik ga er als de sodemieter vandoor. NOOIT meer vertrouw ik een stier in een weiland achter twee prikkeldraadjes!

Koekje erbij!

 

Ben ik getuige van een echtelijke ruzie? Een mevrouw is duidelijk boos, scheldt tegen een meneer en maakt zich haastig uit de voeten. De man – pedant, in deftige dracht, onder de indruk van zichzelf, en een eind in de 70 – neemt plaats achter een tafeltje op het terras. Hij kijkt geïnteresseerd naar de lucht. Een dikke grijsaard achter me zit te schuddebuiken van de lach. Zo te zien heb ik iets gemist.

 

De meneer kijkt van de lucht naar mij en knikt vriendelijk. Ik wil best vriendelijk terugknikken, maar voor je ’t weet, vat hij dat op als een aanmoediging en ik loer niet naar mannen. Ik ben op het saaie af zó immens degelijk, je zou er van in slaap vallen. Gatfer, nou geeft ie me nog een knipoog ook. Hij zit rechts, ik kijk strategisch naar links. Twee nieuwe dames arriveren op het terras en gaan kletsend achter een tafeltje zitten.

 

Na tien minuten wachten wil ik koffie. Mèt een koekje. Verdikkeme, waar blijft die luie bediening? Mopperend in mezelf loop ik naar binnen, op zoek naar iemand van het personeel. Ik heb zin met mijn vuist op tafel te slaan. Nou, Kakel, sla je niet een beetje door? Sorry, ik laat me teveel meeslepen door mijn irritatie. Ik ga naar de wc en vul mijn bidon. Nog steeds nergens personeel. Vreemd.

 

Ik loop weer naar buiten. Kijk eens aan, de opdringerige meneer zit naast de nieuwe dames! Ze kijken niet blij.  

 

De zon gaat schuil, en ik hou het voor gezien en loop naar mijn fiets. Eén van de twee dames op het terras springt bruusk overeind en schreeuw boos: ‘Smerige vent!’ tegen de pedanterik. ‘Durf je wel, eervolle vrouwen lastig te vallen?’ Ze zwaait met haar vuist, waarbij haar handtas gevaarlijk in zijn richting zwaait. De andere dame gaat naast haar staan, maar heeft minder lef dan haar vriendin. De dikke grijsaard klapt zo goed als dubbel van de lach. De eervolle vrouw keert zich naar hem om. ‘En u?’ foetert ze, ‘schaamt u zich niet? U zou het voor ons op moeten nemen!’

 

Eensklaps is de man het lachen vergaan. Hij staat op, legt gehaast geld op tafel en draait zich om. In zijn haast botst hij tegen de opdringerige man die tegen de schuchtere vriendin valt. Suiker- en melkpotjes vallen op de grond. De chaos ik compleet. Ik sta gewoon te knipperen met mijn ogen. Wat een terras! Jammer dat ze er niks te drinken bij hebben… 

 

Rits rats klik

 

Met de ochtendzon op mijn gezicht fiets ik over stille binnendoor weggetjes. Plots zit ik perplex: middenop een verlaten pad staat een statief met fotocamera. Een camera waar zeker een meter aan lenzen op vast zit geschroefd. Het kan niet anders of ergens moet een mens staan. Links, tien meter achter een houten hek, tuurt iemand  door een verrekijker. Het is een man.

 

Ik ruik een kans wanneer ik er eentje zie en stop. Omzichtig nader ik het statief. Dat dat ding met al die lenzen niet voorover kukelt, ik snap ’t niet. Behoedzaam loop ik dichterbij. Voor je het weet word ik getackeld door een poot van dat statief. Ja, lach jij maar, als ik alleen al naar sommige dingen kijk, gaan ze al uit zichzelf op de grond liggen. Mijn handen houd ik angstvallig op  mijn rug, want die zijn  onhandelbaar.

 

(Geloof je me niet? De allereerste keer dat ik officieel bij Lief thuis kwam, gooide ik een glas Campari met ijs over het Perzische kleedje; de eerste keer dat ik bij Lief hielp met afdrogen, brak ik de koffiefilter in tweeën en toen we met heel de familie uit eten gingen, schoot de saté van mijn stokje zo in Schoonpapa’s kruis. Vanaf de Chinees naar huis liep de arme stakker met zijn hoed voor zijn mannelijk geslacht. Oh, ik was zo’n aanwinst!)   

 

Ik knijp één oog knijp dicht en loer met het andere door de zoeker. De camera staat gericht op een kudde schapen. Daartussenin hoop ik een kievit of grutto te zien, maar wat zie ik? Een schaap dat zijn staartje optilt en plop plop plop een rits keutels produceert. Lekker, daar stond ik echt op te wachten.  

 

De eigenaar van ’t spulletje laat zijn verrekijker zakken, en komt naar me toe lopen. Het is een stoere man met Popey-armen, een stoppelbaard en in schutkleding. ‘Heeft u nog tips voor me?’ vraag ik,  ‘fototips? Fotografie is bij mij totaal niet ontwikkeld.’ ‘Wat wilt u weten?’ vraagt hij behulpzaam, ‘diafragma, sluitertijd…?’ ‘Nou…ik ben eerlijk gezegd meer van de rits rats klik. Maar afdrukken kan ik goed; mijn reflexen zijn geweldig,’ meld ik trots. De fotograaf maakt een blazend geluid en slaat zijn handen voor zijn gezicht. ‘Daar is geen beginnen aan,’ zegt hij meewarig. Hij oogt  teleurgesteld. Is hij bereid een informatief en interessant gesprek te voeren, krijgt hij dit.     

 

Zo vlug mogelijk een ander onderwerp aansnijden. ‘Heeft u al iets geschoten?’ ‘Ja-ha, een paar opnames van een haas,’zegt hij. Hij zoekt de afbeeldingen op en ik zie foto’s om je vingers bij af te likken. En van zo dichtbij! Op één foto is het hazenoog zo sterk uitvergroot, dat ik de wimpers kan tellen. ‘Mooi!’zeg ik welgemeend. We hebben een kort onderonsje. Hij fotografeert het liefst, maar op zijn Harley scheuren en zijn eigen jenever stoken, vindt ie ook niet verkeerd. Dan is het wel weer mooi geweest. Hij wil schieten en ik wil fietsen. Het geluid van blerrende schapen achtervolgt me nog lang in de leegte. Onderweg kwam ik geen haas tegen. Gelukkig heb ik van Broea wel een foto van een knappe kievit gekregen.     

 

Maaidag

 

Buiten scheen de zomerzon uitbundig. Hè,he, eindelijk weer die zon op je snuit. Op welk binnendoor weggetje ik gisteren ook fietste en keek, overal in de weidse polder was het maaidag. Links, rechts, vóór me, achter me, overal reden boeren opgewonden rond. Zwaluwen scheerden lukraak in de rondte, wiebelden in groepjes op ouderwetse telefoondraden, en de grutto’s riepen hun eigen naam. Als dat alles niet overstemd werd door het geluid van woeste manchines. Enkele tractoren met  wegbrede maai-installaties, deden me zelfs afstappen in de berm.   

 

Ooit, dacht ik afgunstig, ooit wil ik ook op zo’n echte terreinwagen kunnen rijden. En dan met de blik fier vooruit, lekker stug doorscheuren. Weer eens iets anders dan een maatje-doorsnee-auto. Alleen rijd ik uitsluitend in een weiland waar de boer aan weidevogelbeheer doet, want denk maar niet dat ik met die grove machines over nesten, jonge vogeltjes of ander moois heen rijd. 

 

Als het gras niet gemaaid werd, dan werd het wel geschud. Dat moet drie dagen achtereen een keer gebeuren, dus de tractoren rijden aff en aan, maar ik heb ‘t er best voor over om daar de berm voor in te rijden. Want die lucht… Die lucht van vers gemaaid gras hangt al die tijd over het lage boerenland. Zó lekker… En niet uit een spuitbus of een geurzakje, nee,nee, in het echie. Ik word daar zo…het geeft me zo’n…kweenie …tevreden gevoel?

 

Nu is mijn vraag aan jou: wat vind JIJ lekker ruiken? Kom op geneer je niet, en schrijf mailbox plat. In spanning wacht in af…

 

Snipperdag

 

‘Dag dames,’ zeg ik, ‘hebben jullie een snipperdag vandaag? Weertje, hè?’ ‘Boe-hóe,’ loeit de koe rechts van me midden in mijn het gezicht. Zó, pfff, wat heeft zij gegeten; ze stinkt niet zo’n beetje uit d’r bek. Samen met een soortgenoot blokkeert ze de smalle polderweg. Ik kan ze niet linksom passeren, ook niet rechtsom, en dan blijft er maar één ding over: tussendoor. ‘Houden jullie wel die staarten naar beneden,’zeg ik, ‘want ik ken jullie soort langer dan vandaag.’ Ik wurm me tussen de zwart-witte lijven door. Hun dikke neuzen snuiven nieuwsgierig. Nee, níet met die lange tong aan mijn zadel zitten, stelletje viezeriken!  

 

Datzelfde moment komt een mevrouw in een vierwiel aangedreven stadstijger aan rijden. Met piepende banden komt ze voor mijn voorwiel tot stilstand. Ja hallo, dat scheelt maar een haar, ik kan er niet eens meer langs! Dat zijn toch geen manieren? Ik wapper verontwaardigd maar beleefd mijn arm omhoog (dus niet mijn vinger, oeh, die zelfbeheersing!) maar de tuthola is niet van plan een stukje achteruit te rijden.   

 

‘Ik moet naar Schoonhoven,’ brult ze naar me. ‘U kunt secondair rijden,’ schreeuw ik, ‘daar rechtsaf het bruggetje over en dan komt u vanzelf weer op deze weg uit.’ Nee, nee, schudt ze met haar hoofd, dat wil ze niet. Ik begrijp wel waarom: haar auto is niet opgewassen tegen de landelijke koeienmest die in zachte plakkaten op de parallelweg ligt (mijn fiets ook niet ;.)) ‘Kunt u die koeien verwijderen,’sommeert ze. “Koeien verwijderen?” Haar vocabulaire is net zo beroerd als haar riekende parfum. En ze blijft te belabberd om 1 cm achteruit te rijden. 

 

Ik vraag beleefd: ‘Eh…koe, kun je met je dikke billen wat naar rechts? ’Helaas, het door mij aangesproken rund verroert geen poot. Met mijn vlakke hand sla stevig op de koeienbil – pats pats pats – met als enig resultaat dat er een emmer stof in mijn gezicht waait…uche uche. Met moeite wring ik me tussen de koe en de dikke heg door, en klop aan bij de dichtstbijzijnde boerderij. “Watblief?” vraagt een oud baasje in overall dat de deur opent. ‘U krijgt visite,’zeg ik, wijzend naar de twee koeien. ‘Haha, die komen er bij mij niet in hoor,’ lacht hij. Hij vist  een I-Phone (!) uit een broekzak en praat tegen iemand. ‘Hij komt er aan hoor,’ zegt hij tegen mij.   

 

Ondertussen kan ik nog steeds niet met mijn fiets langs de auto. Gelukkig maar, want er gebeurt iets wat alles goedmaakt: één koe doet haar staart omhoog. Daaronder vandaan klatert een ferme, gele straal krachtig tegen de auto van de tuthola. Goedzo koe, pies maar flink die motorkap onder. Ik lach me rot en doe geen enkele moeite mijn plezier te verbergen. Dat gezicht van de bestuurder; wóest is ze. De rook slaat er vanaf en dat heeft niks met de auto te maken.     

 

Met veel geronk rijdt een tractor met veewagen dichterbij. Een boer stapt uit. ‘Als u uw auto even op het erf keert, en naar achteren rijdt,’zegt hij vriendelijk tegen de bestuurder, ‘dan kan ik erlangs met de veewagen.’ ‘Ik dacht ’t niet,’zegt de tuthola. ‘Ik denk toch van wel,’ zegt de boer. De Gooische mevrouw stapt uit. De boer fluit en er verschijnt een hond ten tonele. Een stevige Rottweiler met een imposante borstpartij en een vrolijk zwiepende staart. Altijd handig om zo’n beest op de achterbank te hebben. De tuthola schat dat vrolijke echter geheel anders in en zoekt pijlsnel dekking in haar auto. Met gierende banden kiest ze eieren voor haar geld en rijdt het erf op. Kiezels vliegen in de rondte. ‘Wat ’n heethoofd,’ merkt de boer op. 

 

Hij stapt de tractor weer in, keert op het erf en rijdt de veewagen naar de koeien toe. Onder het roepen van aansporingen en het geven van een paar flinke jetsers op de achterwerken, krijgt hij de koeien de veewagen in. ‘Wat een luxe, meiden, met de taxi naar huis’ zeg ik. Eensgezind  sjokken ze de veewagen in.   

 

Na dit vermakelijke oponthoud laat ik me fluitend meevoeren op de wind en vraag me af wat dit nog kan overtreffen.

 

 

Cheers

 

‘Jemig Kakel, waar zat jij al die tijd?’ hoor ik een bekende stem naast me zeggen. Ik schrik me de schompus.   

‘Jaap, jongen,’ grijns ik. Jaap lacht terug, maar anders dan anders. Alleen zijn gezicht lacht; zijn ogen doen niet mee.

‘Kakeltje, waar zat je al die tijd?’

‘Thuis.’

‘Thuis? Wat deed je dan?’

‘Ik deed aan bankzitten,’ leg ik uit.

‘Voel jij je wel helemaal lekker?’

‘Nou, toen niet, nu weer een beetje wel.’

‘Zoals gewoonlijk praat je weer in raadsels. Nog net zo knettergek als altijd.’

‘Dankje,’ zeg ik. Schoorvoetend geef ik toe dat ik alleen een rondje Vlist gefietst heb. ‘En waar ben jij geweest?’ 

‘Eh…net zo ver als jij, vijftig. Ik fiets alleen dichtbijrondjes, want ik wil binnen een straal van 25 km van thuis blijven.’ Stilte. Hij kijkt me betekenisvol aan.

‘Hoe gaat ’t met Riet?’vraag ik.

Jaap schudt zijn hoofd. ‘Slecht,’klinkt het somber, ‘de chemo is niet aangslagen…ik fiets alleen als één van de meiden bij haar is. Verder wil ik ‘t er niet over hebben.’

Okee. Ik knik.

 

Een tijdje fietsen we zwijgend naast elkaar. Het water klotst tegen de dijk. Een scooter scheurt rakelings voorbij. Aan de overkant draaien de molens van  Kinderdijk niet: te droog. Gierzwaluwen zijn op vliegenjacht en scheren laag over. Het is waarachtig zomers weer. De zon hangt in een stralend blauwe lucht. Voor sommigen doet dat er helemaal niet toe. Zo oneerlijk… Bijna ben ik thuis. Jaap verbreekt ons stilzwijgen: ‘Zullen we nog effe wat drinken bij Schippers?’    

‘Ja das goed.’

Hup. Met fiets en al rijden we naar binnen. Gouwe vent die kroegbaas.

 

‘Ik trakteer,’ zeg ik.

‘Nee ik,’ zegt Jaap. Ik heb geen zin met hem te bakkeleien.

‘Doe maar ‘n oud bruintje of ‘n kriekje,’ zeg ik, ‘en neem er zellef ook één.’ Niet veel later hebben we allebei een biersnor. Dan loopt Jaap weg, naar buiten toe. Hij voert ongetwijfeld weer iets in z’n schild, de linkmichel. Hij komt weer binnen maar door de andere deur. De deur die het dichtst bij de tap is. Jaap kijkt naar mij of ik naar hem kijk. Ik doe net of ik gek ben. Dat kun je met een gerust hart aan mij overlaten. Met een scheve grijns komt Jaap op me afstappen, en met een TA-Da…duwt hij mij mijn eigen bidon in m’n handen. ‘Alsjeblieft,’ zegt hij, ‘voor jou.’ Ik staar naar de inhoud en ik schenk hem een gulle lach. Jaap lacht van oor tot oor. Heel even doen zijn ogen ook mee. Mijn bidon is tot de nok gevuld… met bier. Die Jaap, echt een fijne man. Ik knijp eventjes in zijn arm. Kon ik maar “cheers” tegen ‘m zeggen…

 

Boerenkool met worst

 

 

Goeiemiddag,’ zeg ik opgewekt. Een man op een barkruk rechts naast me, kijkt me zijdelings aan en zegt: ‘U moet eens wat meer eten.’ ‘U mag weleens op dieet,’ kaats ik terug. Dat vindt de meneer niet zo fijn. Stuurs kijkt hij voor zich uit en plukt geroutineerd aan zijn krulsnor.

 

‘Wat komt u hier eigenlijk doen?’ wil hij weten. ‘Bent u de eigenaar van deze uitbating?’ is mijn wedervraag. De kastelein die glazen staat af te drogen schokschoudert van het lachen. ‘Breeje Piet heeft z’n dag niet vandaag,’ zegt ie tegen mij, knikkend naar de nukkige man. Nou, lekker vroeg naar bed dan. Waar wacht de vrolijke Frans nog op? ‘U wilt afrekenen, mevrouw?’ vraagt de bartender. ‘Ja, graag.’  

 

‘Wat hebbie op?’ vraagt breeje Piet. Ik denk: boerenkool met worst, maar zeg:’Koffie met appelgebak en slagroom. Het smaakte lekker. Ik kan het u van harte aanbevelen.’ ‘De net zei u nog tegen me dat ik moest afvallen.” ‘Nee, ik zei mag,’ zeg ik, ‘niet moet. Als iets moet, wil je ’t al niet meer.’ ‘Volgens mij bent u een beetje dwars.’ “Die neiging heb ik af en toe weleens, ja.’ beken ik. ‘Weet u wat u eens alstublief moet doen? Met uw biertje in het zonnetje op ’t terras gaan zitten. Knapt u van op.’

 

Ik berg mijn wisselgeld op en loop naar de ladiesroom. Als ik terugkom is Snormans vertrokken. Toch maar naar z’n bed? De kastelein raadt mijn gedachten en zegt, wijzend naar buiten: ‘Hij zit buiten…in ’t zonnetje… De man lacht onbedaarlijk, wil nog iets zeggen maar geeft ’t op. Hij duwt een biertje in mijn richting, wijst hikkend naar buiten en weet er net twee woorden uit te persen: ‘vannut huis.’ Hoofdschuddend loop ik naar Piet Snor. ‘Kijk eens, alstublieft. Van het huis,’ zeg ik er snel achteraan, voor ’t geval de man bedankneigingen gaat vertonen.

 

Hij lacht, steekt zijn duim omhoog en maakt daarna met duim en wijsvinger een mooi rondje. Een één en een rondje, denk ik onderweg. Dat maakt dus een tien. Laat het nou vandaag de tiende zijn!

Safety first

 

Snel en wild ziet hij eruit.  Gesoigneerd type á la Mario Chipollini, een muziekoortje in. Geen helm, hmm. Hij staat naast een uiterst gelikte fiets. Ik kijk mijn ogen uit. Naar de fiets dan, hè? Dat daar geen misverstanden over bestaan. Een Da Rosa met Dura-Ace en Campa Borawielen. Eén zo’n wiel is duurder dan mijn twee wielen samen. De kijktijd is voorbij, want de hefbomen van de pont bonken opzij en wèg is Mario.

 

Twee uur later fiets ik in Langerak. Jasses, daar ligt iemand languit op de dijk. Een auto ernaast. Het liefst kijk ik de andere kant op en rijd hard door. Dichterbijkomend zie ik dat het slachtoffer Mario is.  

 

Een oude man met een enorm witte haardos komt zwaaiend met zijn armen op me toe gesneld.  “Mevrouw, hij’s gevallen, hij’s gevallen,” roept hij. “Heeft u verband bij u?” Ik zeg ja en stop. Mario is intussen tegen een lantaarnpaal aan gaan zitten, bekijkt kreunend zijn geschonden fiets, en zegt onophoudelijk: “F#ck,f#ck,f#ck’.

 

De witharige vertelt: “Ik kom aanrijden en zie hem in de bocht zóó onderuit schuiven. “Heeft ie geen helm op, snapt u dat nou mevrouw? Hij maakt zich alleen druk dat zijn mobiel naar de klote is – vergeef me de uitdrukking – en om zijn fiets. Snapt u het?“ Ik houd mijn mond en graai in mijn heuptasje. Mario zit met zijn hoofd tussen zijn knieën. Ben je misselijk?” vraag ik.  “Nee.” Hij kijkt niet op. Wil je mijn mobiel om iemand te bellen?” “Dat heb ik ook al aan hem gevraagd, mevrouw, maar dat wil hij niet.” “Hoe erg is het met je arm?” vraag ik. “Mijn arm lijkt wel open gesprongen…” Ter demonstratie houdt hij zijn rechterarm omhoog. Het bloed drupt er gestaag uit, over zijn schoenen en op de grond.   

 

Eigenlijk ben ik niet ingesteld op gevallen mannen. Vrouwen wel, die vinden mijn oplossing prima. Een mevrouw die op de Eyserbosweg (wereldberoemde locatie voor wielrenners) was gevallen, schaterde het zelfs uit toen ze mijn oplossing zag, maar dat gaat deze meneer niet doen. Zeker weten. Ik heb geen plek voor rolletjes verband in mijn heuptasje, want dat zit tjokvol reservebandjes, wippers, een minipomp en eten. Logisch dat ik geen verbandtrommel meezeul op de fiets. Die trommel laat ik dan ook thuis. Het verband niet.

 

Het maandverband.

Zonder vleugels.

 

Dat past lekker plat in mijn tasje. Vastgeplakt in de lengte met pleisters kunnen maandverbandjes miraculeus handig zijn. Aan te passen aan elk formaat. Maar mannen zijn er om de één of andere reden niet zo dol op. Ik trek de verpakking open en laat het slachtoffer zien wat ik in de aanbieding heb. Hij knikt gelaten. De oude baas houdt een monoloog over fietshelmen en overleden wielrenners. Mario houdt zich Oost-Indisch doof.

 

Ik geef het verband aan Mario, hij legt het om zijn gewonde arm en ik plak de uiteinden vast met pleisters. De oude man wauwelt oeverloos over dat veiligheid vóór alles gaat en helmen verplicht moeten worden. In een poging de woordenvloed in te dammen, druk ik de oude baas een maandverbandje in zijn handen.  Ja, daar wil hij wel even stil van worden.

 

Na de plaksessie, komt Mario moeizaam overeind. Hij doet zijn best niet te trillen. “Waar is je mobiel dan?”vraag ik. “Kwijt,”zegt hij “Ik zat te bellen. Hij  viel uit mijn hand zo de Lek in.” Hij loopt naar zijn fiets en ik naar de mijne.

 

De oude baas pakt zijn mobiel, toetst een nummer in, brengt het mobieltje naar zijn oor en begint te praten. Vervolgens laat hij zich in zijn autostoel vallen, knalt het portier dicht en geeft een flinke dot gas. Van zijn gordel maakt hij geen gebruik.

Effies naar Leimuiden

APRIL 2010:

Onderweg knijp ik ‘m al een tijdje, maar het tempo zit er zo lekker in, dat ik geen spelbreker wil zijn. Alsof mijn gebed verhoord wordt, gilt iemand:‘LEK!’ Hiephoi, kan ik eindelijk de bosjes in. ‘Wat…rijd jij nou alweer lek?’ hoor ik Jaap vanachter mijn struikgewas mopperen. ‘Koop toch eens fatsoenlijke spullen…moet je die banden zien, man, het canvas komt er doorheen! Wacht je op de kinderbijslag?’ Zoals altijd wordt ’t slachtoffer materiële bijstand verleend en zitten we vijf minten later weer op onze fietsen.

 

Onze smeekt om vulling en we staan al met een half wiel in de kroeg, als in Leimuiden de bel van de tolbrug klinkt. Met een sneltreinvaart jakkert de ene helft van de groep rap onder de zakkende bomen door en heeft de andere helft het nakijken. ‘Allemaal dubbel gebak bestellen, jongens, dan heeft de groep na ons niks meer!’brult Jaap. De achterblijvers moeten ’t tenslotte wel goed kunnen horen. ‘Ik heb een haarspeld van mijn vrouw bij me, en daar prik ik straks jouw banden mee lek,’ gilt Theo naar Jaap. ‘Voorlopig sta ik hier en jij daar!’De openstaande brug maakt de rest van ‘t gesprek onmogelijk.

 

Pal tegenover de brug parkeren we de fietsen en rennen onze vaste pleisterplaats in. Helmen gaan af, de jacks uit, en de bananen komen op tafel. De bediening – een leuk, jong meisje – brengt ons koffie en appelgebak. “Oh, hoe heet jij? Ik heet Adrie.” Het meisje lacht. Haar vader houdt de heren goed in de gaten. ‘Heb jij al een vriendje?’vraagt Adrie geïnteresseerd. Ze knikt en lacht nog harder. ‘Zoenen jullie al?’wil Adrie weten. Ik geef ‘m een schop onder tafel. Pa komt zich ermee bemoeien. ‘Ik doe deze tafel wel, doe jij die daar maar.’ Al het lekkers gaat erin als koek.

 

Zodra onze buiken gevuld zijn, gaat de stempel rond en rekenen we af. Wij stappen alweer op onze fietsen als de andere helft van de groep luid mopperend aan komt rijden. ‘Wat duurde dat lang!’ zegt Jaap, ‘jammer hoor, al het gebak is op.’ Joop moppert: ‘Die burgwachter was zijn klomp kwijt… daardoor konden de plezierbootjes het geld er niet ingooien. We begonnen al te collecteren, man, man, er kwam geen eind aan die brug.’ ‘Kijk eens, Mirjam heeft me geschopt.’ Adrie wijst naar een zogenaamde blauwe plek op zijn been. ‘Dan zul je ’t wel verdiend hebben,’is Theo’s conclusie. ‘Dag Theo!’ zeg ik met een zoet stemmetje als we wegrijden. ‘Gatver Mirjam, moet dat nou?’ Jaap trekt een vies gezicht. ‘Ik zeg alleen een goede vriend gedag.’ ‘Voorlopig praat ik niet tegen jou.’ Eens kijken hoelang de kletsmajoor dat volhoudt.

 

Snel hebben Henk en Jaap weer een akkefietje. Henk springt nijdig weg. Morrend zet Jaap de achtervolging in. ‘Kom,’zegt Adrie, ‘steken wij bij Ter Aar de weg af. Zij gaan daar vast op ons staan wachten en dan zijn ze ons kwijt.’ We rijden als beesten om beide kornuiten voor te blijven. Op een strategisch punt gaan we staan kijken. Ja hoor, daar staan Jut & Jul. Druk met armgebaren. Ze wachten en wachten. Proestend komen we tevoorschijn.

 

‘Jongens, opschieten!’ zeg ik, straks worden we ingehaald door de achtervolgers.’ Nee, dat nooit! Dan moeten wij de rest van ons fietsleven aanhoren, hoe wij geklopt zijn door een groep met een achterstand van twintig minuten. Die schande, die afgang, nooit! Alle remmen los, op het grote blad wordt er nu gereden. In Waddinxveen sprinten we ouderwets om wie er het eerst bij ’t plaatsnaambord is. We beginnen moppen te tappen, die met de minuut smeriger worden. ‘Hallo,’zegt Jaap, ‘er fietst wel een dame in ons midden,ja.’ ‘Joh,’ ’zegt Bob,’waar zie jij die dan? Ik zie alleen een vrouw.’ Alle hoofden draaien zich om naar mij. Iedereen verwacht gesputter, maar ik zeg niks. ‘Wat! zeg jij niks? Pik jij dat?’ zegt Jaap verontwaardigd. Ja hoor, ikke wel, ik ben toch ook geen Deftige Dame? Eerder een Dolle Mina. ‘Dat moet je niet pikken, Kakel,’ dringt Jaap aan, ‘hup, zeg ff wat bijdehands!’ ‘Misschien straks Jaap, de middag is nog lang.’ Teleurgesteld geeft hij ’t op. 

 

 

In sneltreinvaart scheuren we door Moordrecht en langs de woonboten naar Nieuwerkerk. Domweg gelukkig op de fiets. Kon het maar eeuwig duren… De laatste tien kilometers hebben we een flink bekkie wind tegen, maar we ruiken de stamkroeg. Aldaar aangekomen nemen we onze racefietsen -zoals gebruikelijk – gewoon mee naar binnen en annexeren direct de grootste tafel. Vreemd genoeg staat daar een emmer met sop op, maar die schuiven we wel opzij.

 

‘Duurt minstens DRIE kwartier voordat die knaapjes binnenvallen,’stelt Jaap vast. Voor je-weet-maar-nooit wordt alarmerend snel vocht besteld. Terwijl we het zweet van ons voorhoofd deppen, horen we in de gang bekende geluiden. ‘WAT?’ zegt Jaap, ‘zijn ze er NU al? Die hebben afgestoken bij Boskoop, ik zweer ’t je, die vuile verraders,’ schampert hij. ‘Jullie zitten hier zeker nog maar net?’ valt Theo met de deur binnen. ‘Sodemieter op, min-stens twin-tig minuten! Hier, kijk dan! Zelfs Mirjam heeft haar biertje al op,’ wijst Jaap. Snel heeft hij onze glazen stiekem verwisseld en klokt hij in een keer mijn kriekje naar binnen. Bob die aan komt lopen met een volgend glas, zet zijn biertje  op tafel om zijn wisselgeld op te bergen. Dit is mijn kans…Ik grijp zijn bierglas en zwieper het in één keer leeg in de emmer met sop. Zo dan. Dat was dat. Het is je vast al opgevallen: van je vrienden moet je het NIET hebben…