Gespikkelde beer

Keek op de week (171)

Kanon Bodegraven

In straat richting polder, woont nieuw stel geraniumstaarders. Bewaken gemeentegras met klein, zelfgemaakt bordje: hondenpoep(en) verboden. Bij elke passerende hond veert echtpaar overeind uit luie stoel.
Mijn reeds lang gekoesterde wens werd vervuld: Rosa poepte pal naast bordje.
Deed stap opzij zodat bewoners goed zicht hadden want Rosa verrichtte meesterwerk.
‘Wat deed je daarna?’ vroeg Joris.
‘Zoals altijd: drollen oprapen met plastic zakje en dichtbinden. En daarna gooide ik het bij saaineuzen door brievenbus.’
Man lachte hard terwijl hij nee schudde.
Gelooft me ook nooit.

‘Die is mooi!’ riep ik, wijzend naar rechthoekige lijst met vier sepiakleurige tekeningen.
‘Leonardo da Vinci,’ zeiden fietsenmaker en ik gelijktijdig.
‘Die heb ik gekocht op zijn tentoonstelling in Rotterdam.’
‘Wat dat in Kunsthal?’
‘Nee, in voormalige oude postkantoor. Jaar of tien geleden.’
‘Sinds lezen van zijn vuistdikke biografie ben ik fan. Die man was een genie: architect, kunstschilder, uitvinder, wetenschapper, beeldhouwer…Knap, hè?’ zuchtte ik bewonderend. ‘Wat ben ik dan een kneus.’
We lachten.
‘Apart om die lijst in je winkel te hangen.’
Fietsenman zei: ‘Nee joh, ligt juist voor hand.’
‘Hoezo dan?’
‘Hij was uitvinder van het wiel!’
Zo’n gesprek is de krent op de taart, de kers in de pap.

Deed dansje. Sinds kort heeft apotheek in ons dorp (als laatste in NL) medicijnkluis. Toetste  code en geboortedatum bij kluis in. Trok glazen deur open. Een schuifje schoof opzij en ik pakte zakje. Vreemd, hoorde pillen rammelen, die bij nader bestudering bestemd waren voor dhr. S. Ukkel.
Liep apotheek in; de Bermudadriehoek van je gevoel voor humeur.
Eindelijk was het mijn beurt. Legde papieren zakje op balie. ‘Heb verkeerde medicijnen uit  kluis gekregen,’ zei ik.
Assistente keek mij aan met gezicht: wei make geen voute, en sprak op belerende toon: ‘Mevrouw, dat kan niet,’ en schoof zakje terug.
Dat kan niet? Make that the cat wise! Apotheek hier is reinste Russische roulette.
‘Dat een nieuw systeem wennen is, snap ik. Ik kom voor een puffer, en hier…’ schudde met het zakje ‘…zitten pillen in.’ ‘Medicijnen voor Kakelbont, alstublieft.’
Temperatuur in apotheek zakte aanmerkelijk.
Ze ging het navragen. En nakijken.
Doe dat. Haal ik in tussen mijn duikbrevet.
Na tien minuten – het was werkelijk uniek – kwam assistente terug met juiste medicijn. Met glimlach alsof zij er persoonlijke veldslag voor had geleverd.
Ik prees haar inzet en zei zelfs vriendelijk: ‘Tot ziens.’ Mét twee gekruiste vingers op mijn rug.

Kreeg uitnodiging via e-mail van dame wier naam ik niet kon thuisbrengen. Of ik mee wilde doen met leesclub?
Ben daar niet uitgelezen type voor.
Ingevoegd was lijst met tien boeken; alle hedendaagse romans. Leeslust verging me stante pede. Lees louter boeken die ik zélf uitkies.
Peinsde ’s nachts waar ik vrouw van kende. Vruchteloos draaiden gedachten rondjes.
Kleng! Muntstuk viel toen ik wakker werd: vrouw heeft cursus bloemschikken bij mij gevolgd. Ruim tien jaar geleden! Haar stopwoord was: ‘Goeie grutten.’ Terwijl ik alleen vieze ken. Kreeg medelijden: vrouw moet ernstig omhoog zitten. Word toch geen lid van club.

Ging fietsen. Schoot in omgeving Bodegraven met mobiel op kanon. (Kanon schoot gelukkig niet terug.) Reed in Bergambacht langs water waar boerin met tractor sloot aan uitbaggeren was. Joekels van vissen werden opgeslurpt en op weiland gespuugd. Meeuwen waren er als kippen bij. Helaas stond – harde! – wind mijn kant op. Welriekend en als gespikkelde beer kwam ik thuis. Mazzel dat Joris er niet was: had me bij binnenkomst beslist moeten identificeren.

 

 

 

Onnozel

Keek op de week (170)

Foto van Pixabay

Vlak bij huis stopte auto met daarachter trailer, waar o.a. paarden in worden vervoerd, alleen was deze breder. Twee mannen stapten uit auto. Eentje liet klep trailer zakken. Man en ik keken door vensterglas. Wat zou ik er graag twee Belgische knollen uit zien stappen. Of Zeeuwse. Helaas: geen edel ros. Zag twee wielen en een bumper. Wég was mijn interesse. Dook in boek op bank.
Uit voertuig klonk woest gegrom.
‘Een Maserati!’ juichte Man. ‘Kom dan!’ Op toon van: dit is de kans van je leven.
Na wegrijden auto kreeg ik ingeving om Joris te plezieren.
‘Zou jij graag één dag in Maserati willen rijden?’
Echtgenoot keek me aan alsof ik mesjogge was. ‘Wat moet ik in een Maserati?’
‘Rijden,’ antwoordde ik tikkel beledigd.
‘Voel jij wel lekker?’ informeerde Man. ‘Slaat werkelijk nergens op. Onnozel gansje.’
Daar ben je dan mee getrouwd.

Droomde over (mijn overleden vriendin) Carolien.
Zaten in haar huis met tuindeuren open.
‘Wil je nog iets van me hebben?’ vroeg ze.
Dacht: ja, jóu, maar zei: ‘Nee hoor. Lief van je, maar hoeft echt niet.’
Begreep niet waar mijn droefenis vandaan kwam. Hoe kon ik haar missen terwijl ik bij haar was?
‘Jammer dat ik weg ga, hè?’ zei ze. ‘Nu kunnen we niet naar de Shitlandeilanden.’
‘En geen Hyde-and-seek spelen in het Park in Shidney,’ vulde ik aan. Wilde vragen waar Storm (haar hond) was, maar Carolien zei: ‘Nou joh, ik ga weer verder.’
We stonden op.
Zonlicht scheen op haar gelaat.
Vroeg: ‘Kan ik nog iets voor je doen?’ Behalve zorgen voor post, vissen en waterschillies in vijver.
Carolien zei: ‘Hard lachen. Dat deden we samen het meest.’
Nooit was ze zo aanwezig als in haar afwezigheid.

Joris zocht op internet nieuwe jas. Reserveerde exemplaar en fietste naar winkel. Kwam thuis met begeerde artikel en trok het aan.
In kledingstuk kon hij reddend zwemmen.
‘Heb je jas niet gepast?’ vroeg ik.
‘Nee. Verkoopster vroeg nog: wilt u passen? Ik dacht dat maat wel goed zou zijn.’
Gierde het uit. ‘Over onnozel gesproken!’

‘Hij gooit me er zes keer uit, en nou is mijn pincode fout!’ foeterde dorpsgenoot in panterprintjas naast pomp.
Dat kreng is leeg of techniek hapert. Maar…laat pomp 1 het afweten, maak je bij 2 nog kans.
Mij zat het mee.
‘Ik wil jouw pomp,’ zei vrouw.
Verzette mijn auto.
Zij startte. Voertuig schoot bonkend vooruit. Er klonk alarmerend geschraap en daarna viel alles stil.
Duwden samen auto vooruit. Was slechts twee meter maar hijgden ervan.
Panterprint stak pinpas in gleuf.
Keek weg vanwege code.
‘Hij doet het niet.’
Loerde op schermpje. ‘Er staan drie sterretjes, u moet nog een cijfer intoetsen.’
Vrouw zei: ‘598…1.’
‘Dat mag u niet zeg…’
‘Godsamme! Foute pincode!’ Vrouw was wanhoop nabij. ‘Er móet benzine in die auto. Jij pint,’ delegeerde ze.
‘Nee, ik kijk wel met u mee.’
‘Ik sta stijf van de zenuwen. Jij doet het goed.’
Nul logica. Net zoals je pleister er in één keer aftrekt, toetste ik pin en akkoord in.
‘Welke smaak wilt u?’ vroeg ik.
‘Ongelood!’
Kwam zowaar benzine uit slurf.
Zag ineens komische van voorval in, en schaterde: ‘We moesten naar de pomp lópen…’

Een lenige geest

Keek op de week (169)

Noordeloos

Vroeger – toen wij nog portiekwoning in Rotterdam huurden – wilde mijn moeder het voorjaar in huis halen. Toog daartoe met keukenschaar naar gebloesemde bomen. Tevreden zette ze thuis afgeknipte roze takken in vaas.
Haar gelaat betrok: zij snufte iets. ‘Een pislucht,’  sprak ze rillend van viezigheid. En dat in huize Helderder! Haar neus volgend, kwam ze uit bij lieflijke bloemen, waaruit als toetje een oorwurm kroop.
Het voorjaar – nog maar net begonnen – verdween voorgoed in vuilnisemmer.

Stond op pont naar Kinderdijk. Voorjaarslucht was knisperend fris. Op mijn blote kuiten stond kippenvel. Twee vrouwen droegen roodbonte zakdoeken om schoudertas. Op platte landen betekent dat: Trots op de boer.
Onder mijn helm droeg ik vergelijkbaar doekje. Goedkeurend knikten vrouwen me toe.
Boerinnen onder elkaar.
Een monoloogde tegen ander: ‘Ad zette nieuwe dimmer op lamp. Ik stofzuigde boven en beneden. Hing was op en haalde boodschappen voor hele week. Kwam ik thuis deed dimmer het nog niet. Keken samen op doosje. Er stond: “Eerst knop indrukken om lichtsterkte te regelen.” Ad riep: Weet ik veel, dat had je vroeger niet! Vroeger is dertig jaar geleden, hè?’

Bij gehucht Noordeloos lag iets op weg. Een aaifoon. Wedden dat ding terug wilde naar zijn baasje? Hoe vond ik die? Teringjantje, moest ik naar politie in Gorinchem fietsen! Herstelde me: beetje foon heeft terugvind-tracker. Wilde mobiel naar plaatselijke bakker brengen, maar die was dicht.
Kilometer verder verschenen drie ruiters te paard. Hard klepperden de paardenvoetjes.
‘Goeiemiddag. Heeft een van jullie een telefoon verloren?’
Drie rechterhanden verdwenen simultaan richting achterzak.
‘Ja, ik!’ riep achterste amazone.
‘Wat voor kleur en merk?’
‘Een rode aaifoon.’
Bingo!

Ging lunch afrekenen die Roos en ik samen hadden verorberd in favoriet eetcafé. Op radio zong een vrouw longen uit haar lijf. Een country- en westerndeuntje. In mijn geheugen ging schuifla open. Stand By Your Man van Tammy Wynette.
(Was Tammy een man geweest, had hij gezongen: Stand by your car.)
‘Dat is Tammy WhyNot,’ zei ik tegen Erwin  – de ober bij wie ik afrekende. Erwin heeft met Roos de lagere dorpsschool doorlopen. ‘Vind het een af-grij-se-lijk nummer. Waarom onthoud ik nutteloze informatie?’ vroeg ik.
‘Je moet eens weten hoeveel nutteloze informatie ík in mijn hoofd heb zitten,’ klaagde Erwin.
Stelde hem gerust: ‘Wordt alleen maar erger.’

‘Hadden op zaak vergadering via Teams,’ vertelde Joris bij thuiskomst. ‘Collega belde in vanuit bad. Hij. Lag. In. Bad.’ Man zei het langzaam hardop, om zichzelf te overtuigen dat het echt waar was wat hij had gezien. Hij gierde het uit.
‘Zei hij waarom?’ vroeg ik.
‘Hij had de halve marathon gelopen…’ Het duurde even voordat Joris in staat was er aan toe te voegen: ‘…en had spierpijn.’
‘Zag je iets?’
Joris schudde nee. Water liep over zijn wangen.
‘Hoorde je plonsgeluiden?’
‘Ja. Je had het moeten zie-hie-hien,’ snikte hij.
‘Goh!’ riep ik ineens. ‘Net nu de douche is verbouwd, en ons ligbad eruit is! Wat een gemiste kans voor je!’
Man kreeg rode blossen bij het idee. Praatte er snel overheen. ‘Die collega belt overal vandaan…Uit de auto, de trein, de crèche, de speeltuin…en nu vanuit bad,’ schaterde hij.
‘Iemand met een lenige geest. Dat staat als een paal boven water.’

Lachende meerkoeten

Keek op de week (168)

Boerderij langs de Vlist

Lucht was stralend blauw. Felle oostenwind blies me bij Rotte in. Stond er daarom langs rivier bord met tekst: “Maak de meerkoeten aan het lachen.” Had me van likdoorn tot kruin stevig ingepakt. Bord in Zwammerdam gaf 5 graden Celsius aan. (Bij thuiskomst meldde Strava-app dat gevoelstemperatuur -2 graden was.)
In de Vlist – mooie boerderijen daar – kwam wielrenner naast me rijden. Zijn hersenen waren met korting gekocht, want hij droeg shirt met korte mouwen en korte broek.
‘Ben je in de winter van huis gegaan?’ snauwde hij.
Wow, die was vrolijk! Hoor ik liever Zweedse kok uit Muppet Show.
Vroeg: ‘Ben je altijd zo gezellig of alleen wanneer je het koud hebt?’
Hadden we net aangename conversatie, ging gesprekspartner zonder woord van afscheid ervandoor. Mensen hebben tegenwoordig geen fatsoen meer.

Stond met oogmasker voor gezicht in douche. Boven deur zit raam en wilde duisternis. Ging me uit- en aankleden in donker. Vrijwillig, want het was een rechterbreinoefening.

(Bij rechterbreinoefening doe je een activiteit met je linkerhand [of je rechterhand wanneer je links bent.]
Door meerdere zintuigen tegelijk te gebruiken, vermeerder je fantasie. Bovendien haalt het je “uit je hoofd” omdat je moet nadenken. Oefeningen zijn beetje gek. Bijvoorbeeld: leg je muis links van je computer. Verwissel mes en vork en probeer zo te eten. Poets je tanden met links.)

Eerst piesen. Ben gewend pot op tast te vinden. Trok meteen pyjamabroek en slip uit, en gooide ze rechts in hoek. Stond op en duwde wc door. Overige kleren kwakte ik – met wat mazzel – op zelfde hoop. Sokken smeet ik voor de lol lukraak omhoog.
Schone kleren lagen links van pot op stapel. Voelde aan stofjes: spijkerbroek, rol sokken, T-shirt, beha, trui. Geen slip. Qut. Was ik vergeten schone te pakken? Kon:
a) man om hulp vragen, doch die zou ineen storten van lach
b) in nakie naar kledingkast lopen, maar die staat naast Franse balkondeur
3) vuile slip aantrekken.
Tastte gebukt rond en graaide in kledinghoop tot ik slip te pakken had. Snifte. Kon ermee door. Hield textiel laag en zette linkervoet stevig neer. Wurmde wiebelend rechtervoet door gat. Struikelenderwijs deed ik poging met voet twee. Ernaast, voet op grond, erin, nee toch niet…verloor evenwicht.
Schoonmaakborstel flikkerde om. Zocht steun aan waar ik ladderradiator vermoedde maar knalde met elleboog tegen douchescherm waarna afvalemmertje omviel.
Hoorde Joris’ werkkamerdeur opengaan. Het was niet waar! Ja hoor: douchedeur ging open.
‘Wat doe jij nou?’ schaterde Man.
Rukte oogmasker omhoog.
Joris zakte als papieren lampion ineen. Lachte zich kapot.
Trok onderbroek aan en weer uit want slip zat achterstevoren.
Man probeerde iets te zeggen. ‘Als je…hahaha…je soh-hoh-hok-ken zoekt,’ snikte Joris. ‘Ze – snik – liggen –  snik – in de – snik – pot. Snik.
Keek om. Het was waar. Zoiets lukt me nou nooit op de kermis. Godin zij dank waren het niet  mijn David Bowie-sokken.
Joris schuifelde gebukt terug naar zijn kamer en plofte op bureaustoel. En maar schateren.
Ik verbeterde PR aankleden en liep naar beneden.
Riep onder aan trap: ‘Ik hoor je wel, hoor!’

Zon scheen. Was minstens halfjaar geleden, dus werd beetje jolig. Bij kassa van drogist, legde ik alle aan te schaffen waren op toonbank: inlegkruisjes en paracetamol.
Drogist is uitermate keurig persoon. Praat correct en beschaafd Nederlands, steevast in (zwart) pak, is degelijk, vroom, intens serieus, rust en vriendelijkheid zelve. Krijg je een beeld?
Drogist vroeg: ‘Mevrouw, is de gebruiksaanwijzing van de paracetamol u bekend?’
Antwoordde: ‘Ja. En het gebruik van de inlegkruisjes ook.’
Man haalde geschokt adem en zei toonloos: ‘Een grapje op zijn tijd moet kunnen.’

Naar de klote

Keek op de week (167)

Haastrecht

‘Heb je het gehoord van David en Willemijn?’ Stem van vrouw klonk kortaf.
‘Die pas getrouwd zijn?’ Om nek van andere vrouw hing kinderlijk geregen blauwe ketting.
Ze stonden op woensdag in zondagse dracht in buurtsuper. Hun gezicht afgestemd op hun zwarte kousen. Het haar in een wrong.
‘Ze is bij hem weg. Na één week,’ zei Snib.
‘Dat is erg!’ riep blauwe ketting. Ze hief hand voor de mond.
Snib zei betweterig: ‘Willemijn deed té kort voor het huwelijk haar belijdenis. Zoiets moet bezinken, Elsbeth. Vrouwen kunnen te emotioneel zijn.’
Dacht: wow, die is gehersenspoeld.
Elsbeth dacht hardop na: ‘Wat heeft David gedaan dat Willemijn na een week is vertrokken? Waar is ze nu?’
‘Bij haar ouders. Ze wil scheiden.’ Snib maakte een schrapend geluid van afkeer.
‘Daar heb je mijn schoonzuster,’ zei Elsbeth, en draaide zich schielijk om.
Tegelijkertijd liep man met twee kratten lege bierflesjes in winkelwagen rammelend langs. Was het een teken van boven dat aan deze lasterlijke praat een eind moest komen?
Vroeg me ’s avonds tijdens koken af: waarom verliet Willemijn na reeds zeven dagen haar echtgenoot?

Was te vroeg voor afspraak kapper en nam plaats aan leestafel. Tegenover me zat vrouw met kort haar en grof, zwart montuur. Ze was in gesprek met kapster. ‘Sinds de zomer heeft hij werk. Is vorige week negentien geworden. Vanavond gaat hij met vrienden stappen in stad.’
Lijdend voorwerp kwam blijkbaar in zicht want kapster zei: ‘Je haar zit in ieder geval goed.’
Knul ging naast zijn moeder zitten.
‘Hier heb je mijn pasje. Reken jij even af?’ vroeg ze.
‘Daar heb ik geen zin in,’ sprak negentienjarige luid. Hij trok knie op, zette schoen op stoel, en legde elleboog op knie.
Een knipbeurt is ook aanslag op je tolerantievermogen.
Met omfloerste stem sprak moeder: ‘Toe. Je hoeft alleen de pas maar naast pinapparaat te houden.’
‘Doe het lekker zelf!’ riep knul.
Moeder stond op, trippelde richting kassa.
‘Waar is mijn jas!’ riep haar nageslacht.
‘Daar in de kast.’
‘Pak die even!’
Vrouw voldeed trippelend aan verzoek en betaalde.
Naast me aan leestafel zat dorpsgenoot. Keken elkaar aan. Wij spraken opgewekt.
‘Nou, ik zou het wel weten,’ zei ze. ‘Ik had de stoel onder zijn kont vandaan getrokken en hem een schop onder zijn hol gegeven.’
Deed duit in zakje: ‘En weggegaan. Had hij het zelf kunnen oplossen.’
‘Vind je het gek dat ons land naar de klote gaat?’

Wachtte op fietspad bij ophaalbrug. Naast me stond Lamborghini. Alle ramen open alsof het zomer was.
Er zijn veel tinten geel: citroengeel, mosterdgeel,  kanariegeel, maisgeel, eigeel, okergeel, vanillegeel, goudgeel… Deze auto was …pisgeel.
Wat bezielt iemand met berg geld deze kleur te kopen? Stond te fietsoloferen. Zou bestuurder tegen verkoper hebben gezegd: ‘Ach, dóe maar een kleur.’ Of: ‘Moet je er nog één kwijt?’ Of expliciet kleur hebben besteld? Voetbalmiljonairs staan erom bekend: veel geld, weinig smaak.
Zou auto niet gratis willen hebben. Rijdt altijd te hard. Zelfs nu hij stilstond, leek-ie 50 km/u te gaan. Ben ik kieskeurig of juist snel tevreden?
Bestuurder zag me staren en verwarde dat met bewondering. ‘Mooie auto, hè?’ gilde hij boven grommende bolide uit.
‘Mooie auto!’ gilde ik terug.
‘Zou je er een stukje in willen rijden?’
‘Nee hoor! Ik heb zelf ook een auto!’